zondag 9 december 2007

Het einde van de verzorgingsstaat (aflevering 1)




(Margareth Thatcher en Ronald Reagan op wandel in Camp David, 16 november 1986.)

Omdat we het wel hebben gehad met boeken, belicht 'Sic' ook minder bekende aspecten van het Vlaamse genie. Deze week: beroemde muren. Niet die van Geraardsbergen, maar de blinde muur aan de Ommeganckstraat te Antwerpen. Het is een literaire, ja zelfs geëngageerde muur. Volgend jaar, tijdens Antwerpen Wereldhoofdstad van het Boek, komen alle Japanners ernaar kijken. Eerst met de bus naar het Rubenshuis en vervolgens met tram 11 naar de blinde muur aan de Ommeganckstraat. Bij mist of regen kan men er rond middernacht de schim van Pol de Mont voorbij zien zweven (hij woonde in nummer 30). Voor een bescheiden fooi hoor je de kelderstem van De Mont - leraar, romantisch dichter, groot didacticus der Vlaamse letteren - vertellen over de eeuwige terugkeer. De Franstalige Antwerpse schrijver Guy Vaes heeft ooit de stad beschreven als een palimpsest. We mogen Guy Vaes echter niet geloven, want hij behoort tot een zeer verdachte, stemgerechtigde, niet-erkende minderheid (de Franstalige Vlamingen). Bovendien is hij een schrijver en zo iemand valt nog minder te vertrouwen, aangezien het kunstenaarsstatuut alleen beeldhouwers en trapezewerkers erkent. Niettemin: de stad als palimpsest (een moeilijk woord voor 'kladpapier dat vijfdubbel wordt gebruikt') toont haar volle pracht en praal aan de Ommeganckstraat. Daar staat in witte golvende letters geschreven: "Verafstoot, dwaze kloodt, jy maakt onze toekomst dood!"

Recht tegenover het bewuste deel blinde muur bevindt zich het hoofdkwartier van enkele ABVV-afdelingen. De slogan is aangebracht op het eind van de jaren tachtig, toen Guy Verhofstadt in de regering-Martens VI voor het eerst een ministerambt bekleedde. 'Verafstoot' verwijst naar Guy Verhofstadt, alias Gwij Verafstoot, een van de personages uit het beste satirische stripalbum van de eighties: Pest in het paleis (1983) van Jan Bosschaert en Guido Van Meir. De hijgerige Streber uit de strip is een getrouwe kopie van Verhofstadts imago uit die dagen. Men mocht hem eenvoudigweg niet.

Een oud Arabisch spreekwoord zegt: 'elke hond blaft voor zijn deur'. Dit klopt helemaal, op de hond na, want aan de andere kant van de muur in de Ommeganckstraat ligt de Zoo van Antwerpen en daar maken vooral de apen lawaai. Leden van het ABVV daarentegen kunnen iets waar apen of honden niet toe in staat zijn: met luide stem tegen sociaal onrecht protesteren. Crisis! Sommigen spreken het uit alsof ze een goudklomp moeten inslikken. Dat het slecht gaat, tot daar aan toe, maar een crisis! Tijdens de jaren tachtig volstonden zelfs de goudmijnen van Kilo-Moto niet om iedere Belg een klomp goud in de mond te gunnen. De crisis nam zulke proporties aan dat ze een precieuze grondstof werd. Eigen crisis eerst. Verhofstadt beet er zijn tanden op stuk.

Het neoliberale wonderkind Verhofstadt was al sinds eind jaren zeventig aan het pleiten voor een scherpere ideologische profilering. De Partij voor Vrijheid en Vooruitgang bekende zich tot het ware geloof. "Niet U, maar de staat leeft boven zijn stand." Er heerste toen een algehele politieke instabiliteit, een ramp in tijden van economische tegenspoed. De staatskas werd zo erbarmelijk beheerd dat we er een blijvend litteken van overhielden, een torenhoge staatsschuld. Begin jaren tachtig bereikte de ellende een climax, met kolossale werkloosheidscijfers tot gevolg. Iedereen eiste de crisis voor zich op. Sociale onrechtvaardigheid had zelfs een aangepast kapsel: de gelakte pothelm van Margaret Thatcher. Naarmate de Britse premier genadelozer besparingen decreteerde, kreeg ze in heel Europa steeds meer enthousiaste navolgers. De mannen en vrouwen van stavast predikten daadkracht, lastenverlaging, privatisering en aangepaste kapsels. Verhofstadts ambitie was zo allesverterend dat hij vergat naar de kapper te gaan. 'Da joenk' wou zelf met de friseerschaar aan de slag. Hij, de beste leerling van de klas, wou de macht van de belangengroepen kortwieken. Eén keer raden wie er in die duistere jaren de uitgelezen schietschijf van de vakbonden was. In 1988 verdween de PVV uit de regering en begon Verhofstadt aan een miraculeuze restyling. Nieuwe generaties gorilla's bevolkten het apenkot van de Zoo. Verfomfaaide ideologieën stierven een stille dood. Intussen bleef onze blinde muur onaangeroerd achter en reed tram 11 talloos vele keren door de Ommeganckstraat. De mythische Verafstoot-lijn toont het sjofele Vlaanderen zoals het was en is: goed in openbare werken, slecht in maatschappelijk onderhoud. Na de Ommeganckstraat knarst tram 11 door de Provinciestraat, de Nevski Prospect waar de hele wereld samenkomt, en de bemiddelde helft van Zurenborg. Daar schreef Herman de Coninck in 1991 een vrolijk niemendalletje over tram 11:

Tingeling, tingeling door de stad. Het openbaar vervoer doet aan beschaving, Aan feestelijkheid, aan wanordehandhaving.

Ach, 1991, het einde van de geschiedenis proefde zoet, al was het maar voor even. Enkele jaren later moesten er opzichters aan te pas komen om de reizigers van tram 11 weer een gevoel van veiligheid te geven. Hetzelfde anders. De Berlijnse muur is dan wel gevallen, die van de in verval geraakte Ommeganckstraat staat nog pal overeind. Zelfs de crisis is er weer. Tingeling, tingeling!

Crisis! Men telt bibberend zijn centen, klaagt het onrecht in de wereld aan en heeft nachtmerries over Crassus, de triumvir die kokend goud door zijn strot kreeg gegoten. In 53 voor Christus waren trouweloze Parthen de boosdoeners. Voor ons zijn de fiscus, de staat of het grootkapitaal schuldig. Of de anderen uiteraard, die kind noch maagschap hebben en van ver komen om onze welvaart te delen. Het vreemde aan de crisis van de jaren tachtig is dat ze zeer velen zeer veel rente van obligaties heeft opgeleverd. Met die rente zijn onder meer veranda's, cd-spelers en reizen naar Spanje betaald. Dat was leuk voor de mensen. Soortgelijke gevoelens kan men helaas ook bij de crisis van de jaren negentig koesteren, bij de crisis van de jaren nul flink wat minder.

Brute pech voor wie na 1970 is geboren. Ze komen wellicht niet meer aan het feest en betalen voor een pensioen dat nooit het hunne zal zijn. Weinig politici hebben de moed om te handelen naar dat inzicht, laat staan dat ze het met zoveel woorden durven te zeggen. Wel zijn er psychotisch positieve bewindslui te over om de Vlaming een gebrek aan ondernemerschap te verwijten. Tingeling, tingeling! Straks, zodra de demografische driehoek perfect gekanteld is, zullen we als honden beginnen te sterven - na de Olympische Spelen uiteraard. Vlaanderen verandert dan in een immense kennel. De voorbereidingen hiertoe zijn vandaag in volle gang. Eén troost: de aangewezen protestslogan is ons nagelaten door een vorige generatie. Gratis en voor niets, in de Ommeganckstraat.

Harold Polis

(Dit artikel verscheen in De Morgen van 5 november 2003.)

Het einde van de verzorgingsstaat (aflevering 2)




(Op de foto links een sfeerbeeld van een betoging van de UDEP (Unie voor mensen zonder papieren) in juli van dit jaar. De betoging trekt hier door de Ommeganckstraat. Links een huizenrij die intussen is gesloopt voor de uitbreiding van de Zoo. De graffiti waarvan sprake in dit artikel staat op een blinde muur dichtbij de Carnotstraat.)

Twee jaar geleden (in 2003, nvdr) waarschuwden wij op deze plaats voor het omen van de Antwerpse Ommeganckstraat. Het bevindt zich iets voorbij de halte van tram 11, komende van de al even fameuze Carnotstraat. Daar staat in witte verf de volgende boodschap geschilderd: "Verafstoot, dwaze kloodt, jy maakt onze toekomst dood!" De kreet is inmiddels ruim twintig jaar oud en heeft in de loop der tijden een klassieke status verworven. Wij hoeven echter niet de diepe kennis van Hermes Trismegistos te bezitten om de verborgen boodschap achter deze woorden te vermoeden. Guy Verhofstadt is schuldig. Hij was schuldig in de jaren tachtig van de vorige eeuw (toen het omen op de muur werd gekalkt). En vandaag is hij nog altijd even schuldig, wellicht zelfs meer. Vade retro, Guy Verhofstadt!

De auteur van het omen van de Ommeganckstraat is niet bekend. Alle vermoedens wijzen in de richting van een dronken vakbondsmilitant van het ABVV. Ongetwijfeld een al te spontane arbeider die de kwast voor de kost hanteerde. Bedienden hebben immers twee linkerhanden en huren voor hun decoratiewerken een niet-gesyndiceerde, Nederlandsonkundige Poolse medemens. Het is ook duidelijk wanneer de arbeider zijn daad heeft gesteld: ergens tussen 1985 en 1988, toen Verhofstadt vice-premier en minister van Begroting was in de regering-Martens VI. De jaren tachtig van de vorige eeuw waren uiteraard een tijd van verlichting. Hugo Claus bekende dat de jeugd meer redenen had om naar de Talking Heads te luisteren dan gedichten te lezen. Miet Smet orakelde dat de fall out van Tsjernobyl niet over ons land zou trekken. En de jonge Verhofstadt kreeg de kans om het regeerakkoord neoliberaal te kleuren.

Er heerste toen een wat lijzige sfeer in dit land. De zware schokgolven van het begin van de jaren tachtig - de indexsprongen, de devaluatie, de haast onbestaande groei - brachten een herstelbeleid op gang dat eeuwig leek te duren. Op het einde van de Koude Oorlog zaten we volstrekt voldaan te wachten tot de geschiedenis als een ballon leeg zou lopen. Baby Thatcher Guy smeet zijn kont tegen de krib. De troon van de op status-quo beluste vakbondsdynastieën moest vallen. Gedaan met de verworven rechten van het profitariaat. Weg met de vetgemeste, door emolumenten en politieke beloftes verslapte staat. Verhofstadt was te gretig. Zijn christen-democratische tegenstanders maakten van hem een karikatuur. Verhofstadt als een moderne Robespierre, een kille beeldenstormer. Over die Robespierre, 'l'incorruptible', had Mirabeau georakeld: "Deze man is gevaarlijk, hij gelooft in alles wat hij zegt." Exit Guy Verhofstadt.

Twintig jaar later voelen we de zware adem van de geschiedenis in onze nek. De indruk wordt gewekt dat we niet veel tijd meer hebben om ons lot te bepalen. Onze beurt is over. Onze verzorgingsstaat dooft uit. Ons enige economische vooruitzicht is een massale toeloop van rijke Chinese toeristen. We zijn het spoor bijster. Net als de rest van Europa zijn ook wij op zoek naar een nieuwe heiland, een witte raaf die Hans Magnus Enzensberger zeer toepasselijk "een held van de terugtocht" heeft genoemd. Enzensberger verwees daarmee uitdrukkelijk naar mensen als Jaruzelski en Gorbatsjov. Twijfelachtige helden misschien, maar tegelijkertijd machthebbers van wie het politieke handelen erop gericht was vermolmde structuren af te breken, uitgewoonde ideologieën te laten sterven en tijdperken af te sluiten. Eenzelfde ambitie die ten grondslag heeft gelegen aan Verhofstadts politiek engagement. Alleen lijkt hij vandaag opnieuw de verkeerde man op het verkeerde moment, vermoeid door jaren aan de top, schaakmat gezet door zijn coalitiepartners, onmachtig door de neergang in zijn eigen partij. Hij is zichzelf aan het overleven.

Een aanzienlijk deel van zijn politieke opponenten is hoegenaamd niet geïnteresseerd in de komst van die "held van de terugtocht". De links-rechtstegenstelling speelt, helaas, geen enkele rol meer in dit nationale debacle. Iedereen heeft boter op zijn hoofd, ook de feestvierende christen-democratie die Trudy de geit al naar de Wetstraat wil sturen. Of Trudy ook een zinnig plan heeft voor onze sociale zekerheid, blijft tot op heden een raadsel. Katholieken noemen zoiets een mysterie.

Intussen stinkt het in de Ommeganckstraat. Straks, wanneer de algemene staking van het ABVV wordt gevierd, zal er misschien een geestelijke erfgenaam van de jaren tachtig ten tweeden male de kwast hanteren en het omen bekrachtigen dat tegenover het bondslokaal op de muur staat. Dit keer zou het een daad van volstrekte onmacht zijn. En net zoals de top van het ABVV zichzelf tijdens het loopbaaneindedebat een brevet van onvermogen heeft toegekend, zal de vervende militant al stakend het bezemhok van de geschiedenis openen. Dat bezemhok staat vol oude borstels die ooit nieuw waren en heel goed hebben gevaagd. Maar nu niet meer. Ook enkele kilometers verder, in de veel minder schilderachtige Nationalestraat, waar de christelijke vakbond huist, heerst de harde wet van stof en spinrag, en verkiest men blind te blijven voor de terugtocht die op gang is gekomen. Vaarwel vakbond. Ik heb, voornamelijk om praktische redenen, tien jaar lang mijn bijdrage aan het ABVV gestort, maar ik wil geen lid meer zijn van een club die, als het er echt op aankomt, de domheid boven de ratio verkiest, de lafheid boven het gezond verstand.

In zijn De oorlog tegen Jugurtha beschrijft Sallustius de crisis van de Romeinse republiek de eerste eeuw voor het begin van onze jaartelling. De gefrustreerde burgers namen het op tegen hun eigen staat. "Het is onterecht", noteert Sallustius, "dat de mens klaagt over zijn natuur; die zou zwak en kortstondig zijn en meer bepaald worden door toeval dan door eigen kwaliteiten. Want men kan zich niets groters of schitterenders indenken. Het ontbreekt de menselijke natuur meer aan eigen inzet dan aan kracht of tijd." Uiteraard was Sallustius een oude zeur met een onwaarschijnlijk zwartgallige kijk op de mens (en bovendien leed hij zelf aan de tekortkomingen die hij zo verachtte bij zijn medeburgers), maar met enkele honderden jaren voorsprong heeft hij als een van de eerste zo helder onder woorden gebracht hoe hard een samenleving in verwarring geraakt wanneer er geen "held van de terugtocht" voorradig is. "Verafstoot, dwaze kloodt, jy maakt onze toekomst dood!" Het had op een blinde muur nabij het forum romanum kunnen staan, toen de witte toga's er nog voortschreden.

Vaarwel Ommeganckstraat. Het omen is uitgewerkt. De kreet op de blinde muur van de zoo is definitief geschiedenis geworden. Een topstuk van ons politiek erfgoed. De afbraak wenkt.

Harold Polis

(Deze tekst verscheen in De Morgen van 5 oktober 2005.)

woensdag 5 december 2007

'Que dieu ne m'abandonne jamais!' (Over Blaise Pascal)




(De illustratie links toont de Pascaline calculator uit 1642.)

God voor beginners is een cursus zonder groepssessies. Je sluit je op, gooit de sleutel uit het raam en wacht geduldig op de vlammende tongen. Wellicht de bekendste beoefenaar van die methode is Blaise Pascal, het zeventiende-eeuwse schizofrene genie dat de katholieke kerk op haar grondvesten deed daveren. Tijdens de nacht van 23 november 1654 beleeft Pascal het inzicht dat zijn leven definitief in het teken van God zal stellen. Pascal zit op dat moment al enkele dagen verschanst in zijn Parijse appartement. Gekweld door maagpijn eet en drinkt hij nauwelijks, hij weigert alle bezoek en glijdt weg in een staat van opperste concentratie. Hoe uiteenlopend Pascals biografen die gebeurtenis ook beschrijven, de mystieke dimensie ervan staat buiten kijf. Pascal herbeleeft de beproeving van Christus in de Hof van Olijven en bepaalt zijn snijpunt tussen leven en dood. Met enkele nerveuze pennentrekken noteert Pascal de omvang en reikwijdte van zijn goddelijke inzicht. Dat vel papier noemt hij zijn 'Mémorial'. Hij laat het in de voering van zijn jas naaien, die hij tot aan zijn dood zal dragen. Pedagogisch verantwoord kun je Pascals gedrag niet echt noemen. 'Papa, papa! Die meneer doet Jezus na!' Je wordt vandaag voor minder doorverwezen naar de psychiatrie. Nochtans stuiten we hier op de kern van wat hedendaagse inquisiteurs het normenenwaardendebat noemen: de gevreesde culturele eigenheid van de westerse beschaving. Afzien zit ons in het bloed. Wij houden ervan te lijden (of doen graag alsof) en denken daarmee iets te bereiken. Die houding is deels cultureel bepaald. Jezus stierf voor onze zonden, maar herrees uit de doden. De hele christelijke iconografie varieert op zonde, boete, pijn en verlossing. Alle katholieken zijn coureurs in het diepst van hun gedachten.

Sinds vele jaren leven we opnieuw in een missiegebied. Het geloof is verdampt, wat onder meer verklaart waarom we nooit meer de Tour de France zullen winnen. Op enkele restkatholieken na begrijpt niemand nog de diepere zin van het religieus getinte lijden. De christelijke mystiek die Pascal bedrijft, lijkt afkomstig van een andere planeet. Wie zich van die vervreemding een beeld wil vormen, is aangewezen op onderzoek, zoals de Encyclopedie van de mystiek (2003). In dat schitterende naslagwerk wordt op een zo nuchter mogelijke manier beschreven hoe mystici dachten en waarom. Om het mysterie van het leven beter te begrijpen, hielden de meeste mystici zich obsessief met dood en aftakeling bezig. Zo was ook Blaise Pascal, een morbide asceet voor wie alles lag bedekt onder een doodskleed. Je kunt het bij Pascal bezwaarlijk over 'laatste woorden' hebben. Zijn hele leven was een voorbereiding op het verblijf in boventijdelijke regionen. Heden ik, morgen gij. Geïnteresseerd? Lees dan Time Management for Catholics (newadvent.catholiccompany.com).

Lijden is een katholieke sport, met knechten, kopmannen, caféploegen en een elite. De pijncultus die Pascal bedreef, was uitgesproken elitair. God was voor Pascal namelijk een even grote abstractie als de wiskundige ruimte die hij als wetenschapper trachtte in te delen. Tijdens de 'nuit de feu' van 23 november 1654 hult God zich nadrukkelijk in stilzwijgen. Er klinkt geen hemels klaroengeschal. Er zijn geen wolken die stralend openbreken. Rondom Pascal strekt zich de absolute negorij uit, een nietsheid zonder bevoorradingspunten of oases, zonder helpdesk of handleiding. God speelt verstoppertje met Pascal. In zijn Pensées noteert hij wat God hem toefluistert: "Console-toi, tu ne me chercherais pas si tu ne m'avais trouvé." Die onmetelijk afwezige God is een klassieke paradox in de christelijke mystiek. Om verlossing te bereiken, moet de gelovige kunnen genieten van de goddelijke genade. Maar wat als God alleen de deur opent voor mystieke hoogvliegers die zich van alles en iedereen onthechten? Het antwoord ligt verspreid over de honderden notities waarmee Pascal een apologie voor eigen gebruik opstelde, de befaamde Pensées. Nog steeds behoren de Pensées tot de meest gelezen mystieke geschriften. Hoewel ze niet voor publicatie bedoeld zijn, lijkt het alsof de Pensées uit de pen van een aforistisch genie komen. Ze plaatsen Pascal ongewild op de hoogte van eerder pragmatische ingestelde tijdgenoten als La Bruyère of La Rochefoucauld. Beide bepruikte heren blinken uit in het schrijven van lichtelijk cynische vuistregels. Hun aforismen hebben als doel greep te krijgen op wereldse gebeurtenissen, hoftoestanden en macht, terwijl Pascal eerder het tegendeel verlangt.

Zijn grote aantrekkingskracht dankt Pascal echter aan achttien polemische brieven die bekendheid hebben verworven onder de titel Les Provinciales. Pascal tekende ze als Louis Montalte, een van zijn vele pseudoniemen, en liet ze door zijn medestanders in het geheim drukken. Telkenmale werden duizenden exemplaren van de brieven verkocht in colportage. Op het continent was het wellicht de eerste keer dat journalistiek zo'n nadrukkelijke invloed had op de publieke opinie. Pascal bewijst zich in Les Provinciales als een meesterlijke stilist die - alweer ongewild - bij gratie van zijn literair genie eerder een rationalist lijkt dan een christelijk mysticus. Les Provinciales is een meervoudige frontale aanval op de jezuïeten. Pascal maakt de societate jesu met de grond gelijk, de reden waarom collegestudenten vroeger Les Provinciales verslonden als het nauwkeurige verslag van een geuzenstrijd. Het gemak waarmee Pascal de theologische beginselen van de jezuïeten vernietigt, zou bij een argeloze lezer de onterechte indruk kunnen wekken dat Pascal ook het geloof zelf afvalt. In werkelijkheid tracht de christelijke fundamentalist Pascal te bewijzen dat zijn godsbeeld zuiverder is dan het met wereldse neigingen aangelengde geloof van de jezuïeten.

Die orde maakte in de zeventiende eeuw het mooie weer met een succesvolle marketing van de christelijke geloofsbelijdenis. Het christendom zou de ketterse moderniteit alleen bedwingen als het woord Gods hardnekkig en doelbewust werd verkondigd. Bovendien hielden de jezuïeten er een veel minder strakke interpretatie van de goddelijke genade op na. De apostolische tactiek van de jezuïeten was er eenvoudigweg op gericht wereldse veranderingen in te lijven en onschadelijk te maken. Om in de hemel te geraken, hoefde je dus helemaal niet uit stigmata te bloeden. Iedereen kwam in aanmerking voor verlossing, wat niet iedereen besefte. Warempel, een socialistische of anderzijds verkiezingsfähige gedachte! In de zeventiende eeuw echter was casuïstiek de geijkte term voor zulke drogredeneringen. Elke generatie karottentrekkers verdient haar Blaise Pascal, een dwarse opponent die genadeloos en principieel de kromme argumenten van de tegenpartij uiteenranselt. Met een Pascal erbij blijft de koers interessant.


Harold Polis

(Deze tekst verscheen eerder in De Morgen op 3 maart 2004.)

dinsdag 4 december 2007

Catch 107 quater



Leo Tindemans, Dagboek van de Werkgroep-Eyskens (1973)

In België zit de geschiedenis een spadesteek diep. Geen bouwterrein zonder archeologische vondst. Bij de werken aan het Deurganckdok leggen de graafmachines het ene karveel na het andere bloot. Het zal niemand verbazen als straks blijkt dat Atlantis een deelgemeente van Doel was. Tot onze collectie historische artefacten behoren ook papieren koninkrijken. De grenzen daarvan worden afgedwongen met amendementen en omzendbrieven. We hebben de kanonnen omgesmeed tot paperclips en noemen dit beschaving. Echte oorlog is iets voor woeste bergvolkeren, zoals de Nepalezen. We steunen hen hierin gaarne. We zijn minnaars van het vrije initiatief.

Een van de belangrijkste papieren koningen is zonder meer Leo Tindemans geweest, de man met wie het anders werd. Tindemans speelde een hoofdrol bij de voorbereiding van de eerste fase van de staatshervorming in 1970. Wie een quizavond organiseert en zelf de broodrooster mee naar huis wil nemen, hoeft slechts één vraag te stellen: "Hoeveel paragrafen in de grondwet zijn er door de regering-Eyskens eind 1970 veranderd?" Over die veranderingen zijn boeken geschreven, zoals het Dagboek van de Werkgroep-Eyskens.

Begin jaren zeventig maakte het hyperrealisme in de kunst furore. Mensen en dingen werden tot in het kleinste detail nageschilderd, met grote nadruk op de eigenaardigheden. Dagboek van de Werkgroep-Eyskens is de politieke variant van het hyperrealisme. Ter voorbereiding van de eerste staatshervorming vergaderden achtentwintig politieke tenoren dagenlang in de zaal van de Wetstraat 16, waar elke vrijdag de ministerraad bijeenkwam.

Tindemans zelf noemt de lokatie "sinister". Een understatement. Er bestaat een actiefoto van de Werkgroep, genomen in de bewuste zaal. Als lijkbidders na de dienst zitten de aanwezigen rond een tafel die niet toevallig de vorm van een doodskist heeft. Elke pagina van het Dagboek van de Werkgroep-Eyskens ademt een akelige leegte. Tindemans, toenmalig minister van Communautaire Betrekkingen en secretaris van de 'werkgroep', geeft in zijn dagboek de discussies klinisch weer. Ruim dertig jaar later beschrijft Jan Blommaert in Ik stel vast hoe hedendaagse politiek een vorm van entertainment is geworden. Hij vergelijkt onder meer Dagboek van de Werkgroep-Eyskens en De Keien van de Wetstraat van Hugo de Ridder, twee boeken over dezelfde politieke periode. De Ridders reconstruerende stijl is genoegzaam bekend. Hij heeft daarmee de politiek gevulgariseerd. Toch is Dagboek van de Werkgroep-Eyskens intrigerender, al was het maar omdat Tindemans de schijn van objectiviteit ophoudt. Hoe droger de debatten, hoe heviger de onderkoelde melancholie doorklinkt, de ware ondertoon van dit journaal.

Mijn exemplaar bevat deze opdracht van Tindemans: "Opdat later zou geweten worden hoe het allemaal gebeurde." Kon ik maar naar huis, lijkt iedereen te denken. Spijtig genoeg schrijft Tindemans stroef, anders had zijn boek zonder meer een klassieke status bereikt. Er is geen betere inleiding tot het fenomeen België denkbaar dan deze kale weergave van enkele dagen Belgische verwarring.

De christen-democraat Tindemans heeft zijn hele carrière lang Mozes gespeeld. Als hij sprak, was het of hij voorlas uit Deuteronomium 4,1: "Luister dan, Israël, naar de voorschriften en bepalingen die ik u leer, en handel daarnaar." Wellicht heeft hij net iets te lang aan de rechterhand van vader Eyskens gezeten. Bij Eyskens' regeringsverklaring over de staatshervorming noteert Tindemans: "De meest dorre woorden kunnen door Eyskens, als hij dat werkelijk wil, in het Parlement worden uitgesproken, als golden het schibbolets waar de wereld op wacht om vernieuwd te worden." Diezelfde Gaston Eyskens zou, in de nasleep van de eerste staatshervorming, politiek vermoord worden door Wilfried Martens, aan wie Tindemans Dagboek van de Werkgroep-Eyskens heeft opgedragen. Ook Martens wilde Mozes achterna. Het zijn mannen die de waarheid prediken, maar niet altijd spreken. Af en toe citeert Tindemans uit zijn persoonlijke dagboek, nooit voldoende om te weten te komen wat hij echt denkt. Vaststaat dat Tindemans en Eyskens, net als de meeste toenmalige bewindslui, oprecht meenden dat ze in één keer het land konden hervormen. De federale staat is in tal van episodes ontstaan. Toen de gouden jaren zestig het Rijnlandmodel tot bloei deden komen, brokkelde het unitaire België af. De oude structuur voldeed niet meer om de welvaart te beheren. Dit acute besef werd aangewakkerd door Leuven-Vlaams of de opkomst van de taalpartijen, de Volksunie zaliger en het FDF. Terwijl The Beatles de babyboomers deden dromen van vrijheid, vergaderde de politieke klasse zich suf om de wankele Belgische weegschaal te herijken. De technocraten boekten hun overwinning nog voor er een verdwaalde hippie "de verbeelding aan de macht!" had geroepen. De leden van de Werkgroep-Eyskens waren er aanvankelijk van overtuigd dat een akkoord over de culturele en economische autonomie van de Belgische regio's ook een definitieve oplossing voor Brussel mogelijk zou maken.

Niets was minder waar. Tot op vandaag staat de globale oplossing ter discussie en gaat de verbouwing van België onverminderd voort. Men kan zich afvragen wat zo'n toestand met een bevolking doet. Misschien laat het ons wel Siberisch koud. Misschien herinneren we ons vooral de excessen van de staatshervorming. Het communautaire gekissebis als bezigheidstherapie voor politici die een aanleiding zoeken om hun macht te bestendigen. De verwrongen beeldvorming aan weerszijden van de taalgrens. Het grootvadertrauma van generaties Vlaamse kleuters, met dank aan de immer grommende Robert Senelle die een keer te veel op de tv kwam om woedend uit de grondwet voor te lezen.

Het fameuze grondwetsartikel 107quater regelde in 1970 de oprichting van de drie gewesten. Het zou tot de Egmontonderhandelingen van 1977 duren eer de federale staat van start kon gaan. Sindsdien hoopt men bij elke institutionele ronde het eindpunt te bereiken en schrijft men telkens weer een nieuw hoofdstuk van de kroniek van een aangekondigde schipbreuk. Deze Belgische dynamiek is zo mogelijk nog lastiger te bevatten dan de transsubstantiatie die onze voorouders elke zondag hun tong deed uitsteken. Als dit najaar de memoires van Leo Tindemans verschijnen, moeten we als tegengif ons nationale epos herlezen, Het beleg van Laken van Walter van den Broeck. Dat eindigt als volgt: "Breng hen tot staan! Zij dwalen! Dit is niet de weg naar huis, dit is de weg naar de waan! Want wie de fluiter volgt voorbij de boord, wordt zelf door 't zilte schuim gesmoord!"

Harold Polis

(Deze tekst verscheen in De Morgen op 20 september 2002.)

woensdag 28 november 2007

De geest in de worst (Over Tom Lanoye)



Vergeet alsjeblieft de blauwvoet, de IJzertoren en de Vlaamse leeuw. Van alle mogelijke Vlaamse symbolen heeft de worst de grootste potentie. De worst. Weinig ontdekkingen hebben zo’n bepalende invloed gehad op onze samenleving. Het wiel, het internet, fovoltaïsche zonnepanelen of de strijkdienst om de hoek maken ons leven makkelijker, maar de worst geeft onze aardse beslommeringen zin. Alles kan namelijk in de worst worden gedraaid. Zolang smaak en vorm maar voldoen aan de verwachtingen. Dit edele worstprincipe, door tegenstanders gebrandmerkt als toegepaste plantrekkerij, vormde tot voor kort de kern van onze volksaard. Sinds we echter goed bestuurd worden heeft de worst aan belang ingeboet. En nu ook blijkt dat worst slecht is voor de volksgezondheid (‘Eten van worst en ham verhoogt de kans op darmkanker’, zie De Morgen van 31 oktober), kunnen we ons verwachten aan het ergste.

Al wie de beenhouwers een warm hart toedraagt, heeft het recht om zich te verzetten tegen een spijtige wending van de geschiedenis. Gelukkig blijft de geest in de worst gespaard. Daarom is de vleessnijmachine uit de ouderlijke beenhouwerij van Tom Lanoye een van de belangrijkste objecten uit het museum van de hedendaagse literatuur. Meer nog, het is een monument van de verwerkende nijverheid. Net zoals er een verdrag is ter bescherming van het cultureel erfgoed onder water, moet er een regeling worden verzonnen om het rijke verleden van de fijne vleeswaren te beschermen, te valoriseren, te ontsluiten.

De bewuste vleessnijmachine is een groot en lomp ding dat op het eerste zicht doet denken aan een installatie van een woeste beeldhouwer, genre Roel D’Haese. Maar als je die metalen snijplank echt van een citaat uit de kunstgeschiedenis wil voorzien, haal je er best popartpaus Andy Warhol of Marcel Duchamp bij. In plaats van de artistieke conventies te lijf te gaan met een pissijn of een fietswiel had die laatste vrolijke Frans met evenveel succes voor de fijne vleeswaren kunnen kiezen. Die techniek van Duchamps readymade, een alledaags voorwerp als een kunstobject voorstellen, vormt een van de bedrijfsgeheimen van de firma NV Lanoye.

Van Marcel Duchamp naar Urbain Vandeurzen is slechts een kleine stap. Vandeurzen heeft dit jaar als voorzitter van het VOKA (Vlaams Netwerk van Ondernemingen) een succesformule voor innovatie gelanceerd: E = ti2. Excellent zijn is, volgens Vandeurzen, aandacht hebben voor Talentontwikkeling, Internationaal ondernemen en Innovatie. Het maakt helemaal niet uit wat je doet of wat je verkoopt, zolang het resultaat maar past in de formule. Kortom, E = ti2 is een wat overspannen versie van het edele worstprincipe en van de revolutie van Duchamp. Daar kan niemand tegen zijn, toch? En zeker geen Vlaamse schrijver die als succesvol literair ondernemer grossiert in bestsellers, en theaterteksten levert voor de grote schouwburgen van Europa?

De flandrocratie die zo welluidend wordt vertolkt door het VOKA en andere ondernemingslievende verenigingen is al zeer lang een van Lanoyes geliefde thema’s. Enerzijds kruipt Lanoye telkenmale met volle overgave in zijn rol van kleine middenstander. Anderzijds is er geen groter criticus van de naar autarkie en zelfoverschatting neigende kruideniersmentaliteit. Die dubbelheid maakt hem als debater onweerstaanbaar. De teksten waarin hij hedendaagse vermommingen van bekrompenheid heeft beschreven, vormen een hoogtepunt in de Vlaamse literatuur.

Het schaduwgevecht in de coulissen van de Wetstraat heeft de afgelopen maanden haast iedereen op een hellend vlak gezet. Niet zelden werd tijdens die glijpartij de befaamde radicalisering van de publieke opinie ingeroepen als excuus voor scheldpartijen en afrekeningen. Ook Lanoye is enkele keren over de hekel gehaald als een toonbeeld van literaire wereldvreemdheid. Tijdens de hysterische dieptepunten van het formatiecircus was de archetypische ‘niet-separatistische linkse intellectueel’ even verwerpelijk als de PS-afdeling van Charleroi. Met hernieuwde ijver werd er geschoten op de linkse intellectueel die in zijn verdwazing de gerechtvaardigde vooruitgang van zijn volk zou verhinderen. Net op het moment dat Khieu Samphan, de ‘broeder nr.3’ van de Rode Khmer, voor het Cambodjaanse gerecht wordt gebracht, lijkt de erfenis van Pol Pot bezig aan een opmerkelijke remonte. Die terugkeer van het maoïsme in Vlaanderen wordt gek genoeg vooral gepredikt door onze lokale neocons.

Volgend jaar is het alweer tien jaar geleden dat Lanoye met zijn meesterlijke monoloog Gespleten en bescheten volle zalen trok tot in de uithoeken van onze deelstaat. Tijdens dat decennium is de wereld gekanteld. Maar Lanoye heeft zijn trouw aan het edele worstprincipe gestand gedaan. Oké, Lanoye viert graag zijn gulzigheid bot door bijzonder uiteenlopende dingen te doen, maar hij zal nooit zichzelf verloochenen. Kwatongen beweren dan dat Lanoye worsten draait en zich bekwaamt in het braderen. Dat is en blijft een zeer kwaadaardige interpretatie van Lanoyes streven om net als in The Factory van Warhol een artistiek perpetuum mobile op gang te brengen, een totaaloffensief in beeld, klank en druk. Ook dat is de geest in de worst. Maken en verkopen. In Vendu! Apologie van een handelsreiziger (1989) schreef Lanoye: ‘Ik ben dat [een verkoper] door mijn temperament, en, gezien mijn afkomst uit de kleine middenstand, ook uit voorbestemdheid.’

Heeft Lanoye eigenlijk ooit een slechte tekst geschreven? Elk oeuvre bevat wel enkele opzichtige rotzinnen en uitschuivers, bastaardpersonages en vermaledijde schrijfopdrachten, maar bij Lanoye krijgt de wisselvalligheid weinig kans. Zijn essays leveren het strafste bewijs van die prestatie. Als je vandaag Doen! leest, een bundeling columns en essays uit 1992, dan kan je struikelen over enkele gedateerde thema’s, maar niet over de stijl en de vorm. Lanoye laat geen enkel verhaal, performance, optreden of mening aan het toeval over. Het is een schrijver met een enorme discipline en een eerder uitzonderlijke actieradius. Dat valt het meest op in zijn korte stukken, waar het lijkt alsof hij alles aankan, elk onderwerp, elk tijdvak, elke grap. Die wendbaarheid heeft Lanoye in de loop der jaren tot de perfectie gevoerd. Zo staat er vooraan in Schermutseling, zijn nieuwe bundel, een zeer genuanceerd doch treffend portret van Theo van Gogh, een man die ook aan dwarsigheid leed, wat hem niet altijd tot eer strekte. Lanoye kan dat zeggen. Hij overtuigt je er eenvoudigweg van. Met dank aan de geest in de worst.

Harold Polis

(Verschenen in De Morgen van 28 november 2007.)

Het ministerie van Intellectuele Zakken (Over André Malraux)




Helaas zal het federale ministerie van Intellectuele Zakken nooit bestaan. Het is nochtans een noodzakelijke uitbreiding van de uitvoerende macht. De kabinetsmedewerkers zullen meer belang hechten aan de idee achter een beleid dan aan het beleid zelf. Ze zullen genadeloos jacht maken op populisten en zich niet laten leiden door het sektarische gelul over persoonsgebonden materies. Als voorbeeld zal het ministerie van Intellectuele Zakken het fictieve Musée d’Art Moderne van Marcel Broodthaers nemen. In dit museum heeft Broodthaers begin jaren zeventig het beroemde Département des Aigles ondergebracht, een willekeurig samengestelde collectie afbeeldingen van adelaars. De grap verborg een zware boodschap: een aanklacht tegen het door geld gecorrumpeerde machtsdenken en tegen de economische waarde van de signatuur van de kunstenaar. Je kan de mensen stront in pakjes verkopen, zolang het maar stront is van een merk dat vertrouwen inboezemt.

Het ministerie van Intellectuele Zakken zou de bevolking aansporen tot democratische waakzaamheid, permanente dialoog en een ruimhartige appreciatie van kunst, literatuur en muziek. Er is voor ons, aangeklede mensapen, geen enkele reden om niet in opstand te komen tegen het Gesundes Volksemfinden. De terreur van de collectivistische platvloersheid kan wel degelijk worden bestreden, desnoods met de vlammenwerper. En ja, we kunnen ons bevrijden van het juk van meervoudig gediplomeerde Farizeeën die, niet zelden op kosten van de gemeenschap, ons klein houden door domheid te prediken. Om zo’n strijd te winnen, moeten we moed tonen en hebben we nood aan intellectuele zakken: vrijwilligers die geen risico’s meer hoeven te nemen, maar toch hun leven of reputatie op het spel zetten voor een ideaal. Zoals de beschrijving doet vermoeden is het intellectuele zakkendom niet weggelegd voor tweeverdieners met kinderen, alleenstaande moeders of medeburgers die toiletten kuisen langs de E17. Historisch onderzoek wijst uit dat het zeer vaak schrijvers zijn die doorstoten tot het intellectuele zakkendom. Voltaire is de bekendste oerzak. Op latere leeftijd voert de succesvolle schrijver actie om Jean Calas, een ter dood veroordeelde protestant, in ere te laten herstellen. Calas wordt postuum onschuldig verklaard en Voltaire begint een carrière als militant van de rechtvaardigheid.

Vandaag zouden we Voltaire rekenen tot la gauche caviar, gegoede burgers die zich aan de kant van het plebs scharen en een edel doel nastreven dat indruist tegen de eigen kleinburgerlijke belangen. In het zeer onderhoudende Histoire de la gauche caviar (2006) beschrijft de Franse journalist Laurent Joffrin hoe groot de invloed is geweest van al die aristocratische filantropen, van Voltaire tot John F. Kennedy. De geëngageerde kaviaareters vormen overigens een internationaal fenomeen. In Duitsland noemen ze hen de Toskaner Fraktion (omdat sociaal bewogen mensen vaak hun vakantie in een Toscaanse villa doorbrengen). In Groot-Brittannië heten ze de Champagne Left. En in Amerika is er sprake van de 5th Avenue Liberals, omdat deze straat die langs Central Park leidt alle rijkdom, elegantie en creativiteit van de stad samenbrengt. Over een Vlaams synoniem beschikken we niet echt, maar voel je vrij om een willekeurig scheldwoord te verbinden met Sint-Martens-Latem, Dansaertstraat of Zurenborg. Intellectuele zak kan ook. Daarmee kom je al een heel eind. Voor de volledigheid: de rechtse antipode van la gauche caviar is la droite boudin (bloedworstrechts).

Een intellectuele zak als John Maynard Keynes heeft met zijn economische theorie over staatsinterventies en het stimuleren van de economische vraag een stempel op de vorige eeuw gedrukt. Samen met onder meer Virginia Woolf en Bertrand Russell maakte Keynes deel uit van de mythische Bloomsburygroep, een Britse avant-garde van kunstenaars en intellectuelen. Voor Laurent Joffrin is Keynes een voorbeeld van de manier waarop la gauche caviar in het verleden belangrijke sociaal-democratische veranderingen mogelijk heeft gemaakt. Verleden tijd dus. De huidige generatie linkse kaviaareters staat echter zo ver af van de werkelijke maatschappelijke problemen, dat ze niet meer in staat is om in dienst van het volk te treden. De interpretatie van Joffrin heeft vooral betrekking op Frankrijk, waar de PS sinds het verkiezingsdebacle van Lionel Jospin in 2002 rondzwalkt. De recente nederlaag van Ségolène Royal kwam er ook niet meteen ondanks de ideologische overtuigingskracht van haar verhaal. In vergelijking met de megalomane campagne voor de Franse presidentsverkiezingen vestigen de Belgische federale verkiezingen een nationaal record in nietszeggendheid. Om die wraakroepende stilte te verantwoorden wordt de Franse campagne afgedaan als een mediaspektakel. Toch kunnen les présidentielles ook de bevestiging vormen van een tendens die voor heel West-Europa en dus ook voor België geldt: linkse partijen zijn idealistisch geworden en claimen het morele gelijk dat ooit het privilege van rechts was. Marcel Gauchet, hoofdredacteur van het Franse tijdschrift Le Débat, ging in Le nouvel Observateur nog een stap verder: ‘In cultureel opzicht heeft links allang gewonnen. Tegelijkertijd biedt links geen alternatief meer voor de liberale en kapitalistische oplossingen. Die confrontatie doet ons allen voelen dat we zowel links als rechts denken. We willen allemaal dat het goed draait, maar dan wel zonder brutaliteit en onmenselijkheid.’ Nu is datzelfde blad, Le nouvel Observateur, zowat het postadres van la gauche caviar. Overigens wordt de redactie ervan geleid door een zekere Laurent Joffrin.

Omdat la gauche caviar vergrijst en geen rol van betekenis meer speelt, tenzij als doelgroep van Louis Vuitton en Dela Uitvaartverzekeringen, zal het ministerie van Intellectuele Zakken onderdak bieden aan zowel linkse als rechtse intellectuelen. Bovendien is het een imaginair ministerie en mogen we ook dode schrijvers aanstellen. De enige ernstige kandidaat-minister is uiteraard André Malraux, romancier, fantast, humanist, ex-oplichter, ex-communist, ex-Gaullist, acht keer minister in Franse naoorlogse regeringen, uitvinder van het concept ‘minister van cultuur’. Hij is een compromisfiguur, mede omdat hij Vlaamse roots heeft – in zijn Antimémoires beschrijft Malraux zijn grootvader Alphonse, een half verfranste Franse Vlaming. Malraux, zijn piekfijne pakken, zijn eeuwige sigaret, zijn diepe blik. De man die in 1932 uitriep ‘s’il y la guerre, notre place est dans les rangs de l’Armée Rouge’, die met La condition humaine de eerste communistische misdaadroman schreef (opgedragen aan zijn vriend Du Perron), en die voldoende morele wendbaarheid bezat om zijn extreemlinkse overtuiging even heftig af te zweren. Kortom, een intellectuele zak zoals ze niet meer worden gemaakt. Dit wordt ongetwijfeld een breekpunt tijdens de regeringsonderhandelingen.

Harold Polis

(Dit stuk verscheen eerder in De Morgen.)

maandag 26 november 2007

De mythe van de naakte vrouw (Louis Paul Boon)





Het klopt wat de christendemocratische ideoloog Wouter Beke afgelopen week in deze krant schreef: mensen ontlenen hun betekenis aan de groep waartoe ze behoren. Gepensioneerden steunen op elkaars roestige schouders omdat het gemiddelde pensioen zelfs niet volstaat om een deftige rollator te kopen. Marokkanen/Walen (schrappen wat niet past) zijn dieven. Vlamingen zijn zo intens op elkaar gesteld dat ze gedeelde genen verzinnen: blauwe ogen, een verpletterend arbeidsethos, een hyperpositief zelfvertrouwen, innovatieve en competitieve overkill, en een alom geroemde volgzaamheid. Met de vrouwen gaat het niet anders. Ze putten hun eer uit het lidmaatschap van de roedel, de orde van de kousenband en de samenzwering van de pashokjes. Het is een groot raadsel waarom Beke zich in zijn boek De mythe van het vrije ik niet beroept op de Fenomenale Feminateek van Louis Paul Boon. Met zijn Feminateek, ‘een haast wetenschappelijk werk’, stelde Boon een typologie van de vrouw op met als doel het eeuwig vrouwelijke te openbaren. De vrouw midden de vrouwen dus. Misschien was Boontje in het diepst van zijn gedachten wel een tjeef. Misschien was niet het samenstellen van de Fenomenale Feminateek, maar wel het schrijven van Het Geuzenboek een daad van subordinerende humor. Misschien verdient Boontje het wel om een tweede keer postuum op een verkiezingslijst te staan, dit keer die van CD&V.

De Fenomenale Feminateek blijft het allergrootste fetisjistische meesterwerk uit de Nederlandstalige literatuur. Ja, je hebt Multatuli (het pak van Sjaalman), Jacob van Maerlant (Der Naturen Bloeme) en J.J. Voskuil (Het bureau). Maar alleen Boon heeft zo’n grondige taxonomie aangelegd: 144 delen met in totaal ruim 22.000 foto’s en knipsels, op papier gekleefd en voorzien van commentaar. In de jaren vijftig begon Boon, op dat moment redacteur van Vooruit, een verzameling naaktportretten, pin-ups en starlets aan te leggen. Het was de periode van de heropbouw. De in wetten vastgelegde economische expansie moest ervoor zorgen dat iedereen brave volgelingen van het taylorisme werd. Het maatschappelijke en economische leven werd in gelijke delen gehakt die elk een andere efficiënte bestemming en inrichting kregen. Een op de noden van de moderne tijd toegespitste strategie die iedereen in staat stelde om zich een ijskast, auto, tv-toestel en ingebouwde keuken aan te schaffen. De productielijnen van het geluk draaiden op volle toeren. Het ontbolsterende verlangen van de hardwerkende burger was niet te stillen. Als professioneel seismograaf registreerde Boon hoe zijn tijdgenoten de race naar het geluk aanvatten en als mascotte een beeldschone vrouw van al dan niet bedenkelijke zeden namen. De begeerte naar beelden van diep uitgesneden décolletés, wijkende bikinilijnen, Medusakapsels, naakte achterwerken en borsten, extatische gelaatsuitdrukkingen en uitnodigende poses bereikte een zeldzaam hoogtepunt. Boon moest steeds sneller knippen om al dat moois bij te houden.

Het Bruto Nationaal Geluk was een eerder nieuw fenomeen dat weinig impact had toen mensen het moesten stellen met ajuinsaus. Eens de overvloed toesloeg, werden arbeiders en bedienden echter aangespoord om te dromen van het verloren paradijs. ‘Stilaan, en elk jaar wat méér, veroverde het naakt de straat. Men zag het op het toneel, in de film, in kabarets, in de stripteasebars… Waarom zou het dan niet gewoon op straat mogen?’ schrijft Boon in de Feminateek. De cultus van de schoonheid gaf mannen de illusie dat ze via de afgebeelde vrouw het paradijs konden bereiken. In tegenstelling tot de zoon van God beloofde Marilyn Monroe een verlossing die snel en bij herhaling kon worden bereikt. En Boon, die knipte driftig door en zocht al verzamelend de betekenis van zijn verzameling.

‘De waarheden die we zo ver weg gaan zoeken, zijn alleen van waarde als we er het slijk afspoelen,’ schreef Boons tijdgenoot Claude Lévi-Strauss in Tristes tropiques – nog steeds een ontregelend boek. Diep in de Braziliaanse wouden onderzocht etnoloog Lévi-Strauss de handel en wandel van stammen als de Caduveo, de Bororo, de Nambikwara en de Tupi-Karahib. De beschrijving van al die bizarre rituelen, overgangsrites, peniskokers en door het neusbeen geprikte bamboescheuten gaf Lévi-Strauss een scherper besef van wat beschaving is: een evenwichtsoefening tussen aanbidding en destructie. Het in 1955 verschenen Tristes tropiques staat niet zo ver af van wat Boon deed in Europese Koninginnen met Kronen van Karton (een onderdeel van de Fenomenale Feminateek). Ook Boon schetst de contouren van een verloren gegane beschaving: ‘Uit 28 Europese landen zijn ze hier, in woord en beeld. Ze streken ontzaglijk veel dollars op, maar met eerst het stijgen en daarna het zakken hunner tieten, steeg en daalde daarna ook hun roem. De tijd dezer koninginnen is voorbij. Ze worden een massaproduct, net als al het andere in onze zogenaamde welvaart- en wegwerpmaatschappij, reeds ingeblikt of in diepvries verkrijgbaar is.’

Wat Boon de ‘kutterele revolutie’ noemde, bleek niet meer dan een tijdelijke opstoot in de productie van starlets. Mei ’68 en het massale ontbloten der tieten leverden het bewijs dat moraal niet eeuwig, universeel en van God gegeven is, maar een sociale constructie die door individuen wordt gevormd. In de roman De meisjes van Jesses reconstrueerde Boon de omstandigheden waarin Charles Manson en zijn hippieaanhangers door het lint gingen. Manson, die als een nieuwe heiland een waanzinnige openbaring predikte, staat in De meisjes van Jesses symbool voor de inwisselbaarheid van de moraal. Het is uiteraard geruststellender om naar prentjes van blote vrouwen te loeren.

Van de Tupi-Karahib in het regenwoud tot de afdeling Perzische vrouwen in de Fenomenale Feminateek is een kleine stap. De Perzische vrouwen zijn zelfs, volgens meneerke Boîn (het alter ego van Boon dat Europese Koninginnen met Kronen van Karton schreef), nog schaarser bedekt dan hun zusters in de jungle. Of ze dezelfde normen en waarden delen, is echter een andere vraag, die in de mythe van de naakte vrouw geen rol speelt. De vrouwen uit de Feminateek zijn ontdaan van al hun attributen, behalve van hun weelderige vormen. De mythe leeft verder. Nadat de borsten van Scarlett Johansson door het Amerikaanse roddelblad Touch Magazine werden bekroond als de mooiste ter wereld, viel de actrice ook met haar achterwerk in de prijzen. Esquire riep haar uit tot ‘the sexiest woman alive’. ‘Er zijn meisjes met een veel mooiere kont dan de mijne,’ zei Johansson. ‘Waarom bekronen ze mijn hersenen niet? Of mijn nieren? Of neen, waarom niet mijn galblaas.’ Als Boontje vandaag nog zou knippen, zou Johansson meteen een prominente plaats krijgen in de afdeling ‘Wat vind je van mijn kont?’ En als ze heel lief naar Wouter Beke lacht, krijgt ze vast een gratis CD&V-lidkaart.

Harold Polis

(Deze tekst verscheen eerder begin 2007 in de krant De Morgen. Afbeelding uit de Feminateek, copyright Meulenhoff/Manteau en erven Boon.)

Brief aan Pascal Chabot

Beste Pascal Chabot , Met veel plezier heb ik uw nieuwe boek Avoir le temps. Essai de chronosophie (Puf) gelezen. Ik raad het iedereen aa...