dinsdag 10 februari 2009

Een dubbellezing over e-books en ambachtelijke boeken

Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious
22 februari 2009 / 11 uur
Harold Polis en Rein Ergo
Een dubbellezing over e-books en ambachtelijke boeken

Kunnen het papieren en digitale boek samen bestaan? Is het e-book een hype van voorbijgaande aard of staan we werkelijk op een keerpunt? Wat is de plaats van het ambachtelijk vervaardigde kunstenaarsboek in dat nieuwe tijdperk? Welke relevantie heeft een boek dat zich bewust buiten zijn tijd plaatst?

Harold Polis, een overtuigd uitgever van papieren meesterwerken, durft in de toekomst kijken en heeft de mond vol van e-books en e-bookreaders. Hij toont hoe het digitale boek een perfecte (en zelfs welkome) aanvulling is op de gedrukte cultuur.

Rein Ergo sluit met de uitgave van kunstenaarsboeken aan bij de ambachtelijke traditie van le livre de peintre. Hij vertelt een verhaal over begeestering en passie, over behoedzaam benaderde schoonheid.

Harold Polis (º1970) is uitgever bij Meulenhoff/Manteau, verzorgde edities van werk van Louis Paul Boon, Marnix Gijsen en Jef Geeraerts en schrijft onder meer voor De Morgen en Streven.

Rein Ergo (°1960) is de drijvende kracht achter Ergo Pers, een uitgeverij van kunstenaarsboeken waarin schrijvers en beeldende kunstenaars, zoals Claus en Alechinsky, Kouwenaar en Constant, elkaar ontmoeten.

De lezing vindt plaats in de Nottebohmzaal van de
Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience

Hendrik Conscienceplein 4
2000 Antwerpen

Toegang 5 euro
Gelieve te reserveren
Reserveren kan op het telefoonnummer 03 206 87 10 of via mail op consciencebibliotheek@stad.antwerpen.be

Het verlangen naar een gemeenschap


Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious
(Helmut Kohl en François Mitterand houden elkaars hand vast aan de voet van het grote knekelkasteel Douaumont, nabij Verdun, op 22 september 1984.)


‘Neen, ik durf geen uitspraken meer te doen. Dit ging mijn begripsvermogen te boven. Had iemand me een paar maanden geleden gezegd wat er met sommige banken zou gebeuren, ik had gezegd: laat u verzorgen.’
André Bergen (CEO van KBC) in Trends, 23 oktober 2008

Het aantal Cassandra’s dat het rampjaar 2008 heeft voorspeld, neemt nog elke dag toe. Als de geschiedenis toeslaat, wil iedereen daar nu eenmaal bij zijn. In een verschroeiend tempo ontaardde de Amerikaanse kredietcrisis tot een globale implosie van de financiële markten. Grote delen van de westerse wereld zitten volop in een recessie. De meest dramatische scenario’s kondigen niet alleen het failliet aan van hele bedrijfstakken en industrieën die tot op heden ‘too big to fail’ leken, maar beloven ook de ondergang van staten. IJsland vormt de bevestiging van die trieste profetie. Hongarije, Wit-Rusland en Oekraïne bereiden zich voor om ten onder te gaan. Het Internationaal Monetair Fonds (IMF) gaf IJsland een lening van ruim 2 miljard dollar.
Hetzelfde IMF veroorzaakte in de jaren negentig wereldwijd drama’s door leningen te verstrekken in ruil voor een orthodoxe deregulering van de lokale economie: Mexico (1998), Argentinië (2001), Brazilië (1998), Rusland (1998) of Thailand (1997). De lijst is indrukwekkend pijnlijk en krijgt dramatische proporties in het revelerende Globalization and Its Discontents van Nobelprijswinnaar economie Joseph Stiglitz. In plaats van landen in ontwikkeling of in nood bij te staan met financiële middelen en expertise, heeft het IMF zich lange tijd gedragen als een blinde zeloot van de doctrine van de onzichtbare hand. Het was Adam Smith die dat klassieke begrip muntte: ‘de onzichtbare hand’ in het economische systeem zorgt ervoor dat er een zo groot mogelijke welvaart voor iedereen tot stand komt. De werkt niet altijd, zo stelt Stiglitz, zeker niet in een eerder onduidelijke economische omgeving waar de markt onvoldoende sterk is uitgebouwd. En toch legde het IMF haar doctrine op zonder rekening te houden de lokale context. Toen de Thaise baht in 1997 in elkaar stortte, duurde het niet lang eer ook de reële economie onderuitging. Intussen hadden heel wat Aziatische economieën, munten en beurzen slagzij gemaakt. IMF of geen IMF.

Destijds zat ook Singapore in het oog van de storm. Ongetwijfeld is dit voor Singaporees Kishore Mahbubani, die op dat moment een hoge diplomatieke post bekleedde, een bepalend moment geweest. Het verklaart zijn virulente kritiek op het IMF, een organisatie die aan legitimiteit inboet omdat ze onder meer geen rekening houdt met de werkelijke economische machtsverhoudingen. Het zijn de Verenigde Staten en Europa die in het IMF tot op heden de lakens uitdelen, terwijl de BRIC-landen Brazilië, Rusland, India en China volgens de cijfers recht hebben op meer invloed. Dat conservatisme noemt Mahbubani haast suïcidaal en surrealistisch. In De eeuw van Azië beschrijft hij hoe op wereldniveau de macht verdwijnt uit het Westen en naar het Oosten verhuist: ‘Het is ook duidelijk dat de grote denkers van dit moment, vooral die uit het Westen, klemzitten in het verleden en niet bereid of in staat zijn onder ogen te zien dat ze hun wereldbeeld moeten bijstellen. Als ze dat niet doen, zullen ze strategische fouten maken, mogelijk met rampzalige gevolgen.’
Azië, daar zit nog muziek in de handel en zijn de mensen hongerig naar vooruitgang. De stringente morele bezwaren die westerse landen opperen bij de autarkie en de dictatoriale demarches van de Chinese staat zijn achterhaald, zegt Mahbubani. Het argument dat ‘de internationale gemeenschap’ gelijkstaat met het Westen is betekenisloos, want het houdt geen rekening met de 5,6 miljard mensen die niet in het Westen wonen. De beschaving beperken tot het Rijnlandmodel houdt geen steek. Het is namelijk ook een feit dat door de communistische maakbaarheid honderden miljoenen mensen omhoog zijn gestuwd, gevoed en onderwezen. Dat Aziatische nationalisme is geen novum. Lang voor de desastreuze geldcrisis verkondigden allerhande despoten reeds dat de westerse superioriteit op los zand berustte en dat de democratie niet toepasbaar was op de Aziatische wereld. De voormalige Singaporese premier Lee Kuan Yew was een van de herauten van de zogeheten Aziatische waarden. Volgens hem zijn Aziaten meer geïnteresseerd in stabiel leiderschap dan in democratie. De rol van de overheid mocht aanzienlijk zijn. Bovendien speelden westerse dogma’s als persvrijheid, mensenrechten en individualisme geen zaligmakende rol. Mahbubani gaf die inzichten vlijtig weer in het controversiële Can Asians Think?
Afrika is een acuut voorbeeld van de toegenomen Aziatische macht. Zo pompt China massale hoeveelheden geld in Congo, in ruil voor grondstoffen. Er zijn geen morele voorwaarden verbonden aan de Chinese investeringen, in tegenstelling tot de hulp en samenwerking die België biedt. Het corrupte regime van president Kabila lijkt eerder een objectief voordeel te bieden. Mahbubani omschrijft die tendens als een ontwestersing, als de delegitimatie van het westerse gezag. Vele feiten geven hem gelijk. Na de zoveelste escalatie in Noord-Kivu opperde minister van Buitenlandse Zaken De Gucht in november het plan om Europese, en dus ook Belgische, troepen toe te voegen aan de Monuc-vredesmacht. Dat ging niet door. Het militaire contingent bestaat momenteel voor het grootste deel uit Bangladeshi, Indiërs, Pakistani en Uruguayanen, Nepalezen en Zuid-Afrikanen.
Europa levert geen kanonnenvlees, en beperkt zich in hoofdzaak tot oekazen, verontwaardiging en diplomatie. De rol van België lijkt af te stevenen op een symbolisch minimum, dat bovendien grotendeels uit vervagende herinneringen bestaat. Die ontwikkeling wordt nog kracht bijgezet door de Belgische communautaire crisis. In een niet onverdienstelijke poging aansluiting te vinden bij de cynische manipulaties van wijlen Joseph-Désiré Mobutu, die dankbaar gebruikmaakte van de tegenstellingen in de Wetstraat, gaf Joseph Kabila aan premier Yves Leterme de raad om leiderschap te tonen. Bij de eedaflegging als eerste verkozen Congolese president, op 6 december 2006, had Kabila al een voorschot op de ondergang genomen door ‘la fin de la récréation’ af te kondigen. Intussen staat zijn land alweer op de rand van een majeure regionale oorlog. België is bij het drama aanwezig als een notulant, net op het moment dat de honderdste verjaardag van het ontstaan van de voormalige kolonie wordt gevierd. Kongo-Vrijstaat ging op 15 november 1908 over in de handen van de Belgische staat. De Congolese historicus Isidore Ndaywel è Nziem, auteur van het naslagwerk Histoire générale du Congo, bestempelde in La Libre Belgique (15 november 2008) zeer zuinig de nationale grenzen en identiteit als de belangrijkste erfenis uit het koloniale tijdperk. Honderd jaar na Leopold II worden er carrières gemaakt door de Belgische grenzen te ontrafelen. De ironie van de geschiedenis in volle actie.

Nee, we weten het niet meer. We zijn ook niet meer wie we geweest zijn. Migratie, en dan vooral de illegale migratie, confronteert ons genadeloos met de zwakke punten van het systeem. Die illegale subculturen hebben een eigen netwerk met dienstverlening. Dit schimmige systeem laat het de illegalen toe om te overleven. Maar hun echte droom is een normaal leven te leiden en te integreren in de Belgische samenleving. Zolang ze echter geen verblijfsvergunning hebben is een volwaardige opname in die reguliere samenleving onmogelijk. Ze zijn gebonden aan een samenleving die hun verblijf niet erkent en dus hun rechten ter discussie stelt. Dit zogenoemde koppelingsprincipe (de volledige toegang tot de verzorgingsstaat blijft beperkt tot mensen met een legale status) vormt de kern van elke beleidsdiscussie over mensen zonder papieren.
Het is opvallend dat we beschikken over onvoldoende cijfermateriaal over de diverse aspecten van illegale immigratie. Alle auteurs van de onlangs verschenen essaybundel Grenzeloze solidariteit? pleiten voor meer onderzoek, maar ook voor een snelle en correcte asielprocedure die gebaseerd is op duidelijke criteria. Telkens weer worden er nieuwe juridische achterpoortjes gezocht om de legale status af te dwingen. Het bestaande beleid leidt tot overlevingsstrategieën, stellen Petra Heyse en Inge van Nieuwenhuyze in hun besluit bij het boek: ‘Wellicht zal elk nieuw beleid tot nieuwe strategieën leiden die hierop afgestemd zijn.’
Ook de reguliere samenleving zoekt naar overlevingsstrategieën. Het oude België, dat van het koloniale rubber en de inlandse delfstoffenindustrie, is opgehouden te bestaan. Het oude Vlaanderen, dat van de massale assemblage en productie van halfafgewerkte producten, is aan een zwanenzang bezig. Tegelijk zijn de negentiende-eeuwse demonen en illusies verdwenen. In een tijdvak dat zulke vernuftige hindernissen opwerpt voor iedereen die vooruit wil, zijn de communautaire disputen holle rituelen zonder publiek. De nationalistische drogredenen lijken elke dag meer op een incantatie van de duisternis die de vorige generaties hebben willen verjagen. Er rust een zware schuld op hen die de afgelopen twee jaar het compromis hebben weggehoond en een etnisch geïnspireerd discours hebben toegelaten.
De toekomst van de Belgische samenleving wordt, zeker in de centrumsteden, in sterke mate bepaald door burgers die niet noodzakelijk of niet in dezelfde mate behoren tot een ‘historisch gegroeide etnoculturele identiteit die mag gelden als primordiale autochtonie’. De schier wetenschappelijke definitie komt van N-VA boegbeeld Bart De Wever. Net zoals het geloof in de heropstanding van Jezus Christus voor een meerderheid van de bevolking een herinnering is geworden, heeft het nationalisme in Vlaanderen eigenlijk geen inhoud meer. Na de paarse jaren werd ook bij ons ‘la fin de la récréation’ afgekondigd, met een grote, voor sommigen finale, communautaire armworsteling als hoogtepunt. De Vlaamse instellingen bestaan echter al en werken goed, zodat de inzet van de discussie eerder administratief en logistiek gekleurd is. Als dat nationalisme is, dan een denkbeeldige variant, geen ideologie, maar een mythologie. Een herdenkingscultus van het aangedane leed, van de gebroeders Van Raemdonck tot de veroordeling van het Vlaams Blok door het Gentse Hof van Beroep. Een stichtelijk stripverhaal getekend in de weeë stijl van Joe English, met veel Keltische heldenkruisen en arrogante Franstalige officieren die Vlaamse boerenzonen, allemaal pacifisten en dichters in spe uiteraard, de dood injagen. Bij de recente 11 novemberviering aan de voet van de necropolis Douaumont greep de Franse president Nicolas Sarkozy de gelegenheid aan om alle gesneuvelden te herdenken. Na de entente van François Mitterand en Helmut Kohl in Verdun in 1984 is het uiteraard ingewikkeld geworden om nog origineel te gedenken. Maar dat is toch wat Sarkozy deed.
Sarkozy nam de talloze gefusilleerde soldaten van 1917 op in de eervolle herinnering. Een verzoening van dat gehalte is in Vlaanderen ondenkbaar, omdat we de geschiedenis van de afgelopen twee eeuwen zeer selectief beleven. Nog steeds wordt door velen de Eerste Wereldoorlog misbruikt om de haat tegen de Belgische staat te legitimeren. Uit de studie van het werk van de nationalistische propagandist Clemens De Landtsheer komt zeer scherp naar voren hoe belangrijk het was na de Eerste Wereldoorlog om de cultus rond de IJzerbedevaart zo strak mogelijk te leiden. Het is mede dankzij zijn film Met Onze Jongens aan den IJzer dat de clichés zo hardnekkig zijn. Maar goed, voor De Landtsheer en zijn gelijkgestemde generatiegenoten had die manipulatie nog een betekenis.
De nationalistische mythologie is vandaag een excuus geworden van mensen die het ook niet meer weten. Want wacht, hoe zat het nu weer? Nee, dan Wallonië. Daar wordt de Eerste Wereldoorlog veeleer vergeten, een opgraving niet te na gesproken. Deze zomer nog werden in het fort van Loncin de resten van soldaten De Bruycker, Desamore, Noé, Halain en 21 niet geïdentificeerde collega’s bijgezet in de crypte. Ze waren vorig jaar ontdekt tijdens de ontmijning van het fort. Die Belgische gesneuvelden passen uiteraard ook niet bij het Vlaamse slagveldtoerisme met weekendarrangement en streekgastronomie, dat door de Vlaamse regering als vervulling van de historische plicht wordt ervaren.

Misschien is er ook een positieve kant aan de vergeetachtigheid van onze samenleving. Als we dan toch per se de verzetstrijders, de weggevoerden, de gefusilleerden, de burgerslachtoffers, de dwangarbeiders, en de Franstalige en Brusselse militairen willen vergeten, dan kunnen we misschien meteen de hele oorlog vergeten. Doe maar meteen beide oorlogen. Dan beantwoorden we misschien aan wat Mabubhani een modern continent zou noemen, een plek waar mensen de blik op de toekomst gericht houden. De enige manier om dat in Europa te bewerkstelligen is door het politieke Europa meer uitvoerende macht te geven, zodat er een daadkrachtig en gezamenlijk economisch en sociaal beleid kan worden gevoerd. Net dat kunnen we pas doen als we ons onder meer bewust blijven van de oorzaken waarom de Europese Unie is ontstaan: oorlog. En zo belanden we door een wrede speling van het lot weer bij Douaumont, de gebroeders Van Raemdonck, Aimé Fiévez en al die andere ongelukkigen. Er is in onze tijd nog steeds geen andere optie dan de wreedheden en raadsels van de twintigste eeuw zo goed mogelijk te begrijpen.
Drie dagen voor het begin van die Eerste Wereldoorlog werd de socialistische voorman Jean Jaurès vermoord in een Parijs café, omdat hij een pacifist was, een internationalist en dus een verrader van het volk. Ruim honderd jaar later lopen in heel Europa de socialistische partijen voorop in de populistische haatmars tegen de Europese Unie, die al bezig is sinds het desastreuze Franse en Nederlandse referendum in 2005. En waar socialisten nog regeren, zoals in Nederland of in Wallonië, daar nemen ze de rol op van conservatieve patriotten die de kiezer de belofte van soevereine zelfbeschikking voorhouden. Ook hier dreigt Mahbubani weer gelijk te krijgen, omdat hij het Westen, ook economisch, ziet mislukken ten gevolge van isolationisme en kortzichtigheid.
Mahbubani predikt principes, partnerschappen en pragmatisme, drie eigenschappen die bijvoorbeeld niet werden getoond tijdens de zwartste dagen van de kredietcrisis. Op enkele tijd weken ging een aanzienlijk deel van de spaarquote die de westerse vergrijzing mee moet betalen in rook op. Een dieptepunt was de afwezigheid van Europa en de dolksteek van de nationalist Wouter Bos bij de ondergang van Fortis, die in wezen een Europese bank in wording was. Het verraad van Bos, dat eigenlijk ook het einde van de Benelux betekent, is wellicht het allersterkste symbool van een Europa in nood. Straks moeten we misschien nog blij zijn dat het IMF bestaat.

Bronnen

Christiane Timmerman, Ina Lodewyckx en Yves Bocklandt (red.), Grenzeloze solidariteit? Over migratie en mensen zonder papieren, Acco, Leuven, 2008.
Kishore Mahbubani, Can Asians Think? Understanding the Divide Between East and West, Random House, New York, 2001
Kishore Mahbubani, De eeuw van Azië. Een onafwendbare mondiale machtsverschuiving, Nieuw Amsterdam, Amsterdam, 2008.
Joseph E. Stiglitz, Globalization and Its Discontents, Norton, New York, 2003.
Roel Vande Winkel en Daniël Biltereyst, Filmen voor Vlaanderen, Roularta Books, Roeselare, 2008.

(Dit stuk verscheen eerder in Streven, januari 2009).

En dan nu een streepje romantiek


Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious
Julio Cortazar in een nis op de Pont Neuf, jaren vijftig. Toen kon een mens nog schaamteloos romantisch zijn. Cortazar kijkt even wezenloos voor zich uit als de gemartelde Chinees op die ene gruwelijke foto die Georges Bataille altijd bij zich droeg.

maandag 8 december 2008

"Zwaanst na nie!"

(De illustere Jan Schodts met de dames van de VTM-nieuwsdienst. Circa 1989, bij het prille begin van VTM. De zender werd van meet af aan verantwoordelijk gesteld voor de ondergang van het Avondland, afdeling Vlaanderen.)
Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious
Over 'De Seefhoek' in Panorama (BRT) van 17 november 1988.

Dit is een artikel voor wie zich arm maar proper voelt. Naar verluidt ging dat in de late jaren tachtig heel vlot. De kleine man was nog geen domme rechtse klootzak en socialisten deden nog aan klassenstrijd. Marx noemde de club der kleine mannen de Lazaruslaag van de samenleving. Zij waren geknecht, maar zouden hun rechten bevechten en heropstaan. Bij ons kregen de kleine mannen respect en vakantiegeld dankzij vakverenigingen, het sociaal pact en de preken van Jozef Cardijn. En toen kwam Paul Jambers. Hij doste zich uit in Pierre Cardin maar dacht aan Jozef. Jambers was de ongekroonde koning van het programma Panorama. De BRT leed aan duiding (zelfbevlekking die tot hoger bewustzijn leidt) en had geen ervaring met kijkcijfers (zelfbevlekking die het beendermerg wegvreet). Ja, dan Jambers! Hij laafde zich aan rauw realisme en schuwde de controverse niet. Journalistieke ingrepen bleven beperkt tot off-screen inleidingen. De camera liep ook op gênante momenten. En omdat het Vlaamse geweten nooit overuren maakt, kon Jambers de middelmaat in al haar pracht en praal tonen. Hij manipuleerde de kijkers zoals eertijds de landelijk aalmoezenier het gemoed van zijn kajotters bespeelde. Met mededogen en strengheid. Toen Jambers voor zichzelf begon, kerstende zijn camera jan en alleman. Jambers Productions zou in die apostolische ijver zelfs klopjachten houden op de laatste in het wild levende kleine mannen. Gezocht: dokwerkers met een borstvergroting. Het was makkelijk opvallen omdat journalisten nog rammel van de minister kregen bij een te scherpe vraag. Toen Mobutu weer eens enkele dozijnen studenten had laten afknallen op de campus van de universiteit van Lubumbashi, kwam Leo Tindemans in het achtuurjournaal van de BRT ongestoord oreren dat "wij pas kunnen interveniëren zodra de situatie gedecrispeerd is". Een ander berucht Tindemans-in-Congo-citaat vat deze periode krachtig samen: "Lakke lakke bomma patatten met saucissen!" De BRT wekte een doffe, uitgebluste, hopeloze indruk. Bovendien werd de berichtgeving van de openbare omroep algemeen te links bevonden. "BRT weg ermee!", luidde het opschrift van een populaire VNJ-zelfklever uit die jaren. Wanhopige journalisten spraken van het laatste stalinistische bolwerk. Te links of te rechts, te dik of te dun, het liep niet aan de Reyerslaan. Alleen TikTak slaagde erin nieuwe kijkers te ronselen. Onder dit omineuze gesternte begon Jambers aan zijn zegetocht, met als typevoorbeeld zijn Panorama-reportage over de in Millet-jassen gehulde losers op de speelplaats. Iedereen had het gezien (wat moest een mens anders op donderdagavond) en iedereen sprak er schande van. In tegenstelling tot wat velen denken is de meest beruchte Panorama-reportage uit de jaren tachtig echter niet van Paul Jambers, wel van de sigarenrokende Paul Muys. Panorama toonde op 17 november 1988 om 21 uur een reportage van Paul Muys "over de Seefhoek, waar veel Blokkers en migranten wonen". Tijdens dezelfde aflevering liet Jambers vier geslaagde migrantenvrouwen aan het woord. De vermaledijde duiding in optima forma: zowel de cowboys als de indianen in beeld brengen.

Opschudding alom toen een tooghanger uit de Seefhoek de Vlaamse gezinnen schuimbekkend toeriep dat Hitler nog niet zo dom was geweest. Het moest volgens de stem van de Seefhoek maar eens over en uit zijn met de makakse medemens. Vooral het besluit van de tirade bleef de kijkers bij: "Zwaanst na nie!" Bij benadering zou je de kreet kunnen vertalen als 'doe nu niet onnozel'. Dit pleidooi voor gezond verstand verspreidde een ranzige stank, alsof de gore Seefhoekmens een portie in afgekeurde reuzel gebakken friet met mayonaise tegen het scherm had gekwakt. Van Kortrijk tot Wuustwezel had de Vlaming een vuile smaak in de mond. De kreet werd een symbool. Langs de spoorlijn tussen Antwerpen en Breda stond het jarenlang op een paardenhok geschilderd. "Zwaanst na nie!" Vettig Vlaanderen toonde zijn middenvinger.

In het collectieve televisiegeheugen vormt de reportage van Paul Muys een grens. Het Romeinse rijk hield met haar limes woestelingen tegen die de Sabijnse maagdenroof wilden overdoen. De afbrokkeling van de grens luidde het verval van de beschaving in. En zo liep het ogenschijnlijk ook aan het eind van de jaren tachtig. De spectaculaire groei van het Vlaams Blok viel samen met de verkruimelende almacht van de staatszender. Terwijl VTM onze dag begon te kleuren leek het einde van weldenkende televisie nabij (men sprak over het 'verjambersen' van de nieuwsgaring). De barbaren stonden volgens cultuurpessimisten als het ware in de Romeinse fonteinen te pissen. Met enige duiding hadden zij zich wis en zeker op de bril gezet. De ondergang van het avondland werd vaker afgekondigd dan Dallas werd heruitgezonden. Maar zoals de prostaat van François Mitterrand ooit heeft gezegd: "Un con qui avance va toujours plus loin qu'un intellectuel qui reste assis." De duiding legde het af tegen de terreur der knallende champagnekurken. Sindsdien kijkt Vlaanderen verdeeld, zijn de kleine mannen verdacht, hebben ze leiding nodig of moeten ze worden beschermd tegen laagvliegende intellectuelen. De booswicht uit de reportage van Paul Muys bleek achteraf lid van de communistische partij. Hij verpersoonlijkte in zijn eentje de politieke en maatschappelijke ommezwaai aan het eind van de jaren tachtig. Oude zekerheden stonden bij het grof huisvuil. Oude kameraden verlieten de rode stoet en balden de vuisten in dienst van een aangebrand ideaal. "Zwaanst na nie!" kwam als een schok van herkenning en bracht ook geruststelling. Ach, racisme bestond, maar zat verborgen in de riolen van vervallen volksbuurten. Het volstond tandenloze steuntrekkers respect voor andere culturen bij te brengen. En weet je wat, we geven die sukkelaars ook een nieuw straatinterieur. De klap op de vuurpijl was het systeem-Cools. Bob Cools zat in het Antwerpse stadhuis driftig krantenknipsels over criminele 'Zuid-Afrikaanse jongeren' te hamsteren. Hij stuurde ze op naar migrantenverenigingen met de boodschap: doe daar iets aan! Opgeruimd staat netjes. De weg naar de Wetstraat leidt nu eenmaal niet langs de Seefhoek. Anderhalve maand eerder hadden de gemeenteraadsverkiezingen van 9 oktober 1988 een fors aantal proteststemmen opgeleverd. Het Vlaams Blok haalde een landelijke score van 5,3 procent. In de Seefhoek koos zelfs 28,5 procent van de malcontente kleine mannen voor extreem-rechts. Dat was ongezien en vooral onbegrijpelijk. 'Dwarskijker' Willy Courteaux schreef in Humo over de ontluisterende Panorama-reportage: "Geef de laagste sociale klasse iemand op wie zij op hun beurt kunnen neerkijken en ze grijpen de kans met beide handen. Racisme als klassenstrijd van de onderontwikkelden." De geschiedenis heeft ons geleerd hoe afgrondelijk diep de breuklijn is die eind jaren tachtig aan het licht kwam. De gapende kloof heeft alles en iedereen opgeslokt, van Cardijn tot Cools. Zelfs de kleine mannen-epiek van Jambers is vandaag een relict uit vervlogen tijden. Media en politici gedroegen zich toen als zoutpilaren. Ze ondernamen wanhopige pogingen om het kwaad te bezweren. De vaststellingen klopten, maar de oplossingen werden onthaald op een welgemeend "Zwaanst na nie!" Sindsdien hebben we ons bekwaamd in het elkaar signalen geven naar de burger en de politiek toe. De Vlaming is een wandelende gevarendriehoek geworden.

(Deze tekst verscheen eerder in De Morgen van 16 juli 2003.)

Nog steeds gejaagd door de wind


Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious
(Clark Gable en Vivian Leigh. Het is niet duidelijk of ze nu allebei een snor hebben, maar de fantastische kleuren van de kodachrome-opname laten geen ruimte voor twijfel. Dood aan de digitale camera!)

'Frankly, my dear, I don't give a damn'

Clark Gable, alias Rhett Butler, in Gone with the wind (1939)

Ooit had cinema Rubens te Antwerpen het grootste scherm van West-Europa en omstreken. Wie de pech had vooraan te moeten zitten, kwam krankzinnig buiten, verstikt door een beelden- en klankenbrij die alleen met de oersoep te vergelijken was. Spijtig genoeg is de zaal zelf al jaren gone with the wind, gehuurd door katholiek geïnspireerde gekken die hun heil niet in pellicule zoeken, wel bij Jezus. Toen er nog gerechtigheid bestond, draaide wijlen baron Heylen op doodse middagen klassiekers in cinema Rubens. Gone with the wind, met entr'acte en versnapering, want het is een film in twee delen. Sinds de eerste keer dat ik de bizarre klassieker Gone with the wind heb gezien, in cinema Rubens, ben ik eraan verknocht geraakt. Alles wijst erop dat het een opgeblazen kostuumdrama over de Amerikaanse burgeroorlog is en toch verbergt de weldadige kitsch flarden van aan genialiteit grenzende pathos. Zo bevat Gone with the wind de ultieme liefdesscène uit de filmgeschiedenis. Scarlett O'Hara (Vivian Leigh) heeft ten langen leste begrepen dat zij hartstochtelijk van Rhett Butler (Clark Gable) houdt. De laatste heeft zijn bekomst van Scarletts grillen en met de hand aan de deurklink maakt hij een einde aan haar wanhopige liefdesverklaring: "Frankly, my dear, I don't give a damn." Gone with the wind kreeg negen oscars en voor die ene 'damn' ontving producer David O. Selznick een technische boete van 5.000 dollar. De infame Hays-code hield Hollywood in een morele wurggreep. Kussen en vloeken mocht niet. Impliciet racisme en seksisme vormden daarentegen de harde kern van het wereldbeeld dat de Amerikaanse overheidscensuur trachtte veilig te stellen - alleen domme, onderdanige negers waren toegelaten. In Gone with the wind viert het heimwee naar segregatie en zuiverheid hoogtij. Dit epos over de ondergang van een oude wereld, het diepe Zuiden, is een grote lofzang op de verknochtheid aan Blut und Boden. Niets ligt Scarlett O'Hara zo na aan het hart als het bezit van haar Ierse voorvaderen, Tara, een landgoed dat bloeit door blank doorzettingsvermogen, katoenpluk en negerzweet - Johnny Cash noemt het 'elbowgrease'. De schaduw van het verleden geeft er de toekomst vorm. Geen morzel gronds wordt prijsgegeven. Te midden van een ijzingwekkende burgeroorlog en tal van amoureuze stormen blijft er één zekerheid overeind: de majestueuze landerijen van Tara.

De roman Gone with the wind van Margaret Mitchell, een pil van ruim duizend pagina's, verscheen in 1936 en verpulverde de verkooprecords. Vergeleken met de filmbewerking is het boek rauwer. Mitchell getroostte zich veel moeite om de Amerikaanse Secessieoorlog zo nauwkeurig mogelijk weer te geven, gastoptredens van de Ku Klux Klan incluis. Hitler was al met zijn blitz bezig toen de film op 15 december 1939 te Atlanta in première ging. De wreedheden van de oorlog spelen een bijrol in Gone with the wind, wellicht de reden waarom de firma Metro-Goldwyn-Mayer er klauwen vol geld aan verdiende. Want is het een oorlogsfilm of een liefdesfilm? De vraag geldt ook voor een andere klassieker uit die jaren, Everybody comes to Rick's, in januari 1943 uitgebracht als Casablanca. De gelijknamige stad was in de loop van november 1942 ingenomen door de geallieerden, wat voor een wekenlange gratis reclamecampagne zorgde. Door het geile huwelijk tussen marketing en vrouwe geschiedenis moest de firma Warner Brothers extra personeel aannemen om de winst uit te tellen. Een andere gelijkenis tussen beide films zijn de nadrukkelijke clichés. In Casablanca draagt Victor Laszlo (gespeeld door Paul Henreid) het archetypische 'Duitse litteken' op zijn gezicht en meet man aller mannen Humphrey Bogart zich de houding van de laconieke Amerikaan aan. Gone with the wind gaat nog verder en is geheel en al samengesteld uit tics en suikerzoete gemeenplaatsen. Het draagt ertoe bij dat de grote brokken dialoog uit beide films, Casablanca nog iets meer dan Gone with the wind, een plaats hebben gekregen in het collectieve geheugen. Deze twee sentimentele bombardementen in tijden van oorlog hebben hun doel niet gemist. Het grote verschil zit in de esthetiek. Gone with the wind had net zo goed een product van de UFA-studio's kunnen zijn, waar gezonde Arische regisseurs de dienst uitmaakten.

Leni Riefenstahl bijvoorbeeld heeft haar Triumph des Willens altijd verdedigd met strikt esthetische argumenten, waarbij de artistieke benadering losstond van het politieke onderwerp. De documentaire van het grote nazi-congres in 1934 te Neurenberg is meer dan een handboek propaganda. Triumph des Willens bevat nog steeds de bewijzen tot wat een camera in staat is, alles namelijk. Riefenstahl baseerde zich op de traditie van de stomme film, die geen mensen toonde, maar maskers en gezichtsuitdrukkingen vastlegde als waren ze in steen gehouwen. Apollinisch ogende acteurs, letterlijk bewegende beelden, deden met een welgemikte blik het publiek flauwvallen van angst of bedwelming. Triumph des Willens voegt daar de kracht van camerastandpunt en montage aan toe. Het resultaat is een zeldzaam coherente verbeelding van een politiek programma. Riefenstahls documentaire werkelijkheid (staalharde, zuivere nazi's) wijkt niet veel af van de geromantiseerde geschiedenis in Gone with the wind (nationalisme en blanke superioriteit aangelengd met passionele liefde). De sublieme verstandhouding van vorm en inhoud doet ook in Gone with the wind een essentiële fascinatie ontstaan. Hoewel het vijf regisseurs heeft gekost om de film af te maken, is er geen sprake van stijlbreuken. Goede cinema zuigt het merg uit sterfelijke acteurs, tot er alleen schimmen resten die aan ons blijven kleven, en de illusie in de plaats van de werkelijkheid komt. "Het was of ik alle oorlogsfilms die ik ooit had gezien tegelijkertijd beleefde", verklaarde vorige week nog een Britse soldaat na een raid op Basrah. Zoiets. "Frankly, my dear, I don't give a damn." Amerikaanse soldaten schreven het tijdens de Vietnamoorlog op hun vliegtuigbommen.

De acteerprestaties in Gone with the wind zijn afwisselend houterig, smachtend en stom. En dat 222 minuten lang. Clark Gable gaat gebukt onder de nagedachtenis van Rudolf Valentino en de hooghartige oogopslag van Vivian Leigh doet vermoeden dat zij zeer intens Greta Garbo heeft bestudeerd. Maar dat doet het hem nu net, in combinatie met de weidse travelshots, de immense scènes, de vale pasteltinten, de ruisende rokken, de burgerlijke deftigheid, de potsierlijke rechtse moraal en de Hollywood-grandeur, die zelfs de kleinste details besmet. Gone with the wind is het soort film waarin doden netjes doodgaan, niemand naar het toilet gaat of zich van zijn lelijkste kant laat zien. De personages zijn ideeën, eerder dan verschijningen of gebeurtenissen. Ze dwalen rond in een gesloten universum waar iedereen zijn plaats kent en er steeds iemand met een paard klaar staat.

(Deze tekst verscheen eerder in De Morgen van 2 april 2003.)

De Volksunie - 5 en 50 jaar geleden


Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious
(Familieportret van Geert Lambert, Els Van Weert en Bert Anciaux, de voormalige top van de splinterpartij SPIRIT. Steeds op zoek naar een nieuw 'project'.)

'Gezien de verhevenheid van de belangen die bedreigd worden verklaren wij dat stemmen voor de Volksunie in de huidige omstandigheden zwaar zondig is'

Herderlijke brief van bisschop De Smedt (22 mei 1958)

Na ons, de zondvloed - pardon de Volksunie. Er is over wijlen de partij zo veel gezegd dat woorden tekortschieten. Waarom moest die toffe bretellenclub kapot? Waarom toch, Bert? Moeten wij niet lief zijn voor elkaar? Wenen noch vendelzwaaien helpen om het verlies te verwerken en zelfs een voorstelling van poppentheater Bracke brengt geen soelaas. Uit pure wanhoop zoekt een mens dan antwoorden in, onder meer, De gewapende vrede. Politiek in België na 1945, de evergreen van Luc Huyse, een intellectuele potverteerder en dus zeker geen socialist. Huyse maakt op synthetische wijze duidelijk wat voor een ingewikkeld en broos bouwsel België is: "In onze politiek kost koken (marchanderen en arrangeren, koppelen en compenseren) zeer veel geld. Een consensusdemocratie gedijt niet in een zero-sum society." Van grote overschotten is vandaag geen sprake, zodat er evenmin aan de consensus een vette rand zal zitten. Eind jaren vijftig ontstond er een vergelijkbare situatie. De economie deed het niet schitterend en de politiek rolde vechtend over de kasseien, met de ziel van het kind als inzet. Het schoolpact uit 1958 regelde de subsidiëring van het vrije onderwijs en de staatsscholen, maar stelde ook de levensbeschouwelijke tegenstellingen scherp. Bovendien forceerde de socialist Léo Collard een meerderheidsbeslissing, een politieke houdgreep die de zwakke botten van het Belgische bestel deed kraken. De katholieken waren ziedend en trachtten bij de wetgevende verkiezingen van 1 juni 1958 hun gram te halen. Stemmen op de socialisten was voor een christen mens sowieso erger dan sympathie voor Pontius Pilatus - dat zat dus wel goed. Het uitschakelen van de Volksunie was andere koek. De Vlaamsnationale partij knabbelde aan het electoraat van de CVP en die heiligschennis vormde voor bisschop Emiel de Smedt van Brugge een aanleiding om de grote middelen in te zetten. De hemel brak open en God toonde zijn middelvinger. Naar verluidt schaamde De Smedt zich achteraf voor zijn herderlijke brief. Enkele maanden later wijdde hij deemoedig de nieuwe kapel van de IJzertoren in. Zijn brief blijft een van de sterkste getuigenissen van de verstikkende macht die de Vlaamse clerus tot diep in de twintigste eeuw uitoefende. "Wie de genade van het christelijk geloof bezit, weet dat alleen de Paus en de Bisschoppen door God aangesteld zijn om een uitspraak te doen over hetgeen het geweten van de christenen bindt. [...] Daarom verklaren wij dat het in de huidige omstandigheden een zware gewetensplicht is te stemmen voor de CVP." Een geestelijke die vandaag de woorden van De Smedt herhaalt, krijgt geheid een telefonisch aanbod van Karel De Gucht of wordt verdacht van banden met Al-Qaeda. En als Stefaan De Clerck kon klonen, had hij met het DNA van De Smedt een hele kamerlijst gevuld.

De Smedt schoot met een wel erg zwaar kaliber. In 1958 was de Volksunie slecht georganiseerd en verwaarloosbaar. Het duurde tot de winterstakingen tegen de eenheidswet eind 1960 eer de partij uitzicht kreeg op een forse achterban. Het protest tegen de eenheidswet maakte duidelijk hoe sterk Vlaanderen en Wallonië van elkaar verschilden. Automatisch nam het conflict tussen de gemeenschappen vaste vorm aan. Volksunie, Mouvement Populaire Wallon en FDF brachten aardbevingen teweeg in het politieke landschap. De klassieke partijen wilden de angel uit de communautaire problemen halen door ze te 'encommissioneren', maar het systeem sputterde en de consensusdemocratie kreeg nieuwe spelregels. Het unitaire België maakte plaats voor een federale staat waarin gewesten en gemeenschappen elkaar in evenwicht moesten houden.

Tijdens de beeldenstorm van de jaren zestig speelde Emiel de Smedt de rol van enerzijds-anderzijds-katholiek. De tergend dubbelzinnige houding van bisschoppen als De Smedt werkte het tumult rond de Leuvense universiteit in de hand en bracht mee het massale gezagsverlies van de kerk op gang. Nochtans was de bisschop in Vlaams opzicht geen kwade peer. De tijd dat de Franstalige clerus het Vlaamsnationalisme verketterde, lag ver achter hem. Goede Vlamingen moesten gewoon op de CVP stemmen en de rest kwam wel vanzelf. Intussen werd de pluralistische Volksunie de zweeppartij bij uitstek. Her en der staan de leuzen uit die tijd nog op blinde muren gekalkt, net als Mariabeelden stille getuigen van een uitgedoofd geloof. Mijn favoriete exemplaar bevindt zich op de achterkant van het militair hospitaal aan de Antwerpse Boomgaardstraat. VOLKSUNIE. Het staat er in grote, wankele letters. De militant van dienst was zat of zag een combi naderen. Witgekalkt erfgoed. Bescherming is nodig.

Generaties architecten hebben de Belgische bouwput gevuld met opzienbarende bouwsels. Middelpuntvliedende krachten zorgen ervoor dat de bouwsels uit elkaar worden gerukt, tot er alleen nog een kelder rest met archieven en herinneringen - Vlaamse beweging en Volksunie incluis. Dertig jaar staatshervormingen leren dat het proces onomkeerbaar en onstuitbaar is. We hebben hoogstens vat op het tempo en de argumentatie die we aanhouden bij de afbraak van onze deconstructivistische federale consensusdemocratie met constitutionele monarchie. Niemand kon zich in 1958 voorstellen welk een hoge vlucht de federalistische gedachte zou nemen. Het is de historische verdienste van de Volksunie en zijn medestichter Frans van der Elst dat ze de democratie kozen om het confederale nationalisme te promoten. Deze inzet heeft ontzagwekkend meer opgeleverd dan het Vlaamse fascisme dat nog steeds kritiekloos wordt omarmd door de Nelson Mandela's van het Vlaams Blok, degenen die strijden voor ons recht om flauwekul en demagogie als waarheid te verkopen. Hun verdienste is de wind die, één en ondeelbaar, door de bomen waait. En ze zijn niet eens katholiek. Flatulentie heeft navolging gekregen bij democratische politici voor wie het allemaal liefst niet te moeilijk wordt, uit schrik dat de burger het niet meer begrijpt. Het woord 'Europa' bijvoorbeeld is tijdens de kiescampagne alleen gevallen wanneer Ter Zake vroeger moest stoppen vanwege de Champion's league. Het woord 'café' daarentegen ("gaan jullie samen nog op café?") is dankzij de poujadistische drummer Ben Crabbé met stip gestegen. Vooruitgang betekent niet alleen dat wij elektronisch kunnen stemmen, maar ook dat er bij steeds meer gestelde hoofden een druktoets is ingebouwd waarmee op eenvoudig verzoek een hersenlob naar keuze kan worden uitgeschakeld.

Straks, wanneer het geweeklaag en de zegezangen luid weerklinken, zullen we bisschop De Smedt gedenken. Op 18 mei staat ieder van u voor een zeer zware verantwoordelijkheid. De Heilige Geest helpe u bij het vervullen van uw plicht.

(Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van 14 mei 2003.)

donderdag 27 november 2008

Optreden in Brussel: 2 december in boekhandel Passaporta

Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious
Aanstaande dinsdagavond 2 december is Meulenhoff | Manteau te gast bij deBuren, in de reeks 'Uitgever op bezoek'. We praten die avond over de manier waarop het fonds Meulenhoff | Manteau tot stand komt. Het wordt een gesprek over de liefde voor het boek, het geloof in het geschreven woord en de kracht van een goed verhaal, al dan niet verzonnen of naar waarheid verteld. Omdat bij Meulenhoff | Manteau schrijvers belangrijker zijn dan het genre dat ze beoefenen, heb ik Jeroen Theunissen en Pascal Verbeken uitgenodigd om mee aan te schuiven. Jeroen heeft net een nieuwe roman uit, Een vorm van vermoeidheid. Pascal publiceerde vorig jaar Arm Wallonië. Een reis door het beloofde land. Karl van den Broeck, hoofdredacteur van Knack, leidt het gesprek in goede banen. Iedereen is van harte welkom.

Uitgever op bezoek: Meulenhoff | Manteau

Karl van den Broeck in gesprek met Harold Polis, Jeroen Theunissen en Pascal Verbeken

DI 02.12.08 | 20.00 > 21.30
Passa Porta, A. Dansaertstraat 46, 1000 Brussel

€5 - €4 | reserveren
aanbevolen:
T +32(0)2 226 04 54
info@passaporta.be

In samenwerking met Het beschrijf.

'Dode bladeren' verschijnt op 6 oktober

  Op 6 oktober verschijnt bij uitgeverij Tristan   Dode bladeren , een boek waaraan ik de afgelopen jaren heb gewerkt. Op het omslag staat ...