zondag 25 oktober 2009

Brieven aan een jonge socialist

Vergeet de vergrijzing. Vooraleer Canada Dry redding brengt, slaat de midlifecrisis genadeloos toe. Ouder wordende notabelen, meestal mannen, kondigen dan trots aan dat ze eens goed hun gedacht zullen zeggen. Ze klinken als de terdoodveroordeelde die hardop van zijn ontsnapping droomt. Nog erger zijn de ouder wordende notabelen die hun bekering tot de parler vrai aangrijpen om in de politiek stappen. Ook Rik Torfs is er niet in geslaagd aan zijn noodlot te ontsnappen. ‘Ik zou elke politieke partij willen vragen: formuleer eens drie ideeën’, zei hij bij de bekendmaking van zijn politieke ambitie. ‘Of zelfs maar één.’ Een strikvraag.


In de goede oude tijd kregen politici een midlifecrisis als ze de negentig voorbij waren. Zoals Kamiel Huysmans die in 1965 als nukkige negentigjarige met een scheurlijst opkwam voor de parlementsverkiezingen. De BSP vond dat Huysmans’ politieke houdbaarheidsdatum overschreden was, maar de krasse knar weigerde enthousiast. In de biografie die Jan Hunin aan Huysmans wijdde, Het enfant terrible, staat beschreven hoe een lange stoet vooraanstaande socialisten op bedevaart trok naar diens appartement aan de Antwerpse Belgiëlei. Een voor een vingen ze bot. Huysmans volhardde in de boosheid en nam aan de verkiezingen deel onder de naam ‘De socialist’. Zijn ruim vijftig jaar jongere vrouw Ida duwde de lijst.

Gelukkig raakte Huysmans niet verkozen. Maar de mensen hadden wel smakelijk gelachen. En bij zijn dood in 1968 kwam iedereen weer adem te kort om Huysmans de hemel in te prijzen – waar hij liever niet terecht wilde komen. Als volbloed pragmaticus voegde hij liever de daad bij het woord en was hij niet zo te vinden voor verlossing. ‘Niemand mag beweren dat hij de waarheid in pacht heeft. Hoogstens mogen wij onze eerlijke bedoelingen vooropzetten,’ schreef Huysmans in 1939 in een artikelenreeks die door Volksgazet werd gepubliceerd. Europa zat in een diepe crisis die het pad effende voor oorlog. Nuchter detecteerde Huysmans de economische gevolgen van de broze vrede en de morele oorzaken van het verval. Hij richtte het woord tot een denkbeeldige 23-jarige die zich afvraagt wat socialisme betekent. Echt ingewikkeld maakt Huysmans het niet. Moed, trouw en volharding. Daarmee kom je al een heel eind. En veel Molière lezen. ‘Het is niet zeer moeilijk zich van zwartzienerij te genezen. Op één voorwaarde. Niet alleen Vlaamse of Hollandse boeken te lezen. Want wij hebben heel weinig echt plezierige auteurs.’

Huysmans’ goeie raad wordt in 1945 samengebracht in Brieven aan een jonge socialist. Een staaltje van openhartige propaganda. ‘Het is soms moeilijker te leven met zijn partijgenoten dan met zijn tegenstrevers’, schrijft Huysmans. Of nog: ‘Het is nutteloos dat de politieke man zich vermindere. De vrienden zullen het wel doen.’ Je zou haast denken dat Huysmans notities maakt bij Handorakel en kunst van de voorzichtigheid van de Spaanse Jezuïet Baltasar Graciàn. Als zo’n politieke indiscreties vandaag worden gelekt, begint de goegemeente te piepen dat er koppen moeten rollen, worden er bittere tranen geweend en zijn er therapeutische sessies.

Maar bestaan er eigenlijk nog wel politieke ideeën aan de linkerzijde? Of zijn ze domweg op, gerecupereerd door rechtse pragmatici? De fundamentele maatschappelijke keuze is nog steeds die tussen behoud en vooruitgang. Klassieke negentiende-eeuwse ideologische stromingen zijn symbolen geworden van een roemrijk en geïdealiseerd verleden, maar bieden geen garantie op succes. De acute crisis van de Franse socialistische partij is een pijnlijk voorbeeld. Nadat Bernard-Henry Lévy in 2007 de neergang van het naoorlogse socialisme beschreef in Le grand cadavre à la renverse, stelde hij deze zomer in een interview de dood van de patiënt vast. Hij verklaarde dat de Franse socialistische partij moest verdwijnen omdat ze niet meer in staat is om de hoop op een betere toekomst te incarneren. Die onmacht is niet conjunctureel maar structureel. Hoewel de feiten Lévy gelijk geven, blijft zijn tegenvoorstel te abstract om de tendens te keren. Lévy stelt voor om aan te knopen bij het antifascisme, het antikolonialisme en het antitotalitarisme van weleer. Een herbronning die er eigenlijk geen is.

Als Torfs twijfelt, dan is er nog Een vis in het water van Mario Vargas Llosa, de autobiografie van een politieke neofiet. Llosa gaat in 1990 voor het presidentschap van Peru. ‘De politiek in de praktijk van alledag heeft weinig te maken met ideeën, waarden en verbeelding, met teleologische hersenspinsels - de ideale samenleving die we zouden willen opbouwen - en, om het ronduit te zeggen, met edelmoedigheid, solidariteit en idealisme.’

Eigenlijk is de partij van Torfs bijna klaar. Nu alleen nog een vrouw zoeken om de lijst te duwen.

Harold Polis

(Dit stuk verscheen in De Standaard der Letteren van 23 oktober 2009.)

Geen opmerkingen: