woensdag 4 juni 2008

Het einde van de Eerste Wereldoorlog


(Op 17 februari riep Kosovo de onafhankelijkheid uit.)

Meer dan zes miljoen Franse mannen hadden net als hij gevochten op de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog. En het lot had uitgerekend hem, Lazare Ponticelli, aangewezen om het licht te doven. Onder een statige grijze hemel werd de nagedachtenis van de laatste poilu geëerd rond de exercitievelden op de Parijse linkeroever. Die maandagochtend 16 maart was er eerst een misviering in de kathedraal Saint-Louis des Invalides. De volledige top van de Franse republiek stond paraat. Iedereen was zeer opgetogen even de aandacht af te kunnen wenden van de politiek. De centrumrechtse regering en president Sarkozy hadden immers een dag eerder een smadelijke nederlaag geleden bij de lokale verkiezingen. Ongetwijfeld hebben de aanwezigen meermaals zuchtend naar het plafond van de kathedraal gekeken, alwaar tientallen bataljonsbanieren herinneren aan de schermutselingen en slachtpartijen die het collectieve geheugen van de Republiek hebben gevormd. ‘L’armée c’est la nation’, zei Napoleon ooit.
Ook België heeft een staand leger dat de natie vertegenwoordigt. Met ruim veertigduizend werknemers en een jaarbudget van 2,7 miljard euro is Defensie een van de grootste bedrijven van het land. Ondanks herstructureringen, zoals het invoeren van een eenheidsstructuur, wordt de organisatie van het leger op de proef gesteld nu in de vier windstreken vredeshandhaving het parool is. In het kader van de mythische Europese defensie is het vormen van een kleinere en wendbaardere militaire organisatie essentieel. Maar die hervorming gaat moeizaam. Bovendien vormen de strijdkrachten een fremdkörper in een maatschappij die niet eerder in de moderne geschiedenis zo’n lange periode van vrede heeft gekend. Zeker na het abrupt afschaffen van de dienstplicht begin jaren negentig is het leger in het defensief gedrongen. Los van de maatschappelijke relevantie en de budgettaire last staat ook het bestaan van het leger zelf ter discussie.
Als dienstmaagd van de internationale verdragen en van de geopolitieke alchimisten heeft het Belgisch leger de afgelopen jaren een bescheiden deel van de veiligheidsrisico’s op zich genomen. Sinds 1992 zijn er negentwintig Belgische militairen omgekomen in het buitenland, met als dramatische dieptepunt de tien doden in Kigali. Niet meteen een voorbeeld van napoleontische zelfopoffering, maar de doden zijn wel degelijk te betreuren. Het aantal risicovolle opdrachten neemt echter toe, zoals in Afghanistan.
Na twee wereldoorlogen en een astronomisch toegenomen welvaart voelen weinig Europeanen de behoefte om zich vrijwillig aan flarden te laten schieten in een schimmig oorlogsgebied. Dit pacifisme van de koude grond won nog aan populariteit in de jaren negentig. Terwijl er op de hoek van onze straat voor het eerst in halve eeuw etnische slachtpartijen plaatsvonden, bleven we keurig in onze achtertuin schoffelen. We komen vandaag geen vrijwilligers tekort om het Europese federalisme te verzuipen in een plas van ranzige bekrompenheid. Maar de belangrijkste scène van het drama speelde zich af in ex-Joegoslavië waar de Europese Unie en haar lidstaten nu eens onwillig, dan weer impulsief en ondoordacht handelden. Het gebrek aan een doortastende en eensgezinde buitenlandstrategie is ons zuur opgebroken.
In verspreide slagorde, maar onder een gedeeld commando, hebben Britten, Fransen, Duitsers, Italianen en Belgen de orde bewaard in en rond Bosnië. Amerikaanse hulp was echter onontbeerlijk om de operatie rond te krijgen. Om die afhankelijkheid af te zwakken moeten Europese landen significant meer geld pompen in Defensie, moeten ze hun militaire organisaties doen samensmelten en moeten ze streven naar een Europese defensiemacht die niet volledig samenvalt met de NAVO. Tien jaar na Bosnië zijn we nog niet al te ver gevorderd op dat pad. De omstandigheden daarentegen zijn radicaal veranderd. Amerika kan zijn rol als militaire en financiële wereldleider nauwelijks aan. De naschokken van 9/11 hebben gezorgd voor nieuwe breuklijnen, zinloze militaire campagnes, tienduizenden doden en een astronomisch hoog Amerikaans oorlogsbudget. Tegelijkertijd is Europa minder dan ooit geneigd geld te investeren in Defensie. Ook hier past een napoleontische gemeenplaats: ‘On gouverne mieux les hommes par leurs vices que par leurs vertus.’
Op 17 februari riep Kosovo de onafhankelijkheid uit. Aangezien er geen miraculeuze oplossing voor de stammenoorlog in de Balkan bestaat, zal door die onafhankelijkheid het conflict in een nieuwe dimensie terechtkomen. Kosovo is een van die plekken waar het Westen onder meer op morele gronden militair heeft ingegrepen. De voormalige Servische provincie is omgebouwd tot een protectoraat zonder noemenswaardige economie. Ter herinnering: in 1999 werd het gebied gepacificeerd door ruim veertigduizend westerse soldaten van de KFOR-troepenmacht, onder wie zevenduizend Amerikanen. Afgesloten van de Middellandse Zee en van de rest van Europa leidt Kosovo een quasi-vegetatief bestaan. Het lijkt een Europese kopie van de Gazastrook. De economische indicatoren geven een rampzalig beeld. De rechtstaat wordt bedreigd door georganiseerde misdaad, chronische armoede en bestuurlijke chaos. Bovendien is het twijfelachtig of in die lamentabele omstandigheden de minderheden zullen worden gerespecteerd. Zelfs het onafhankelijke Kosovo, hoe klein ook, is een verzameling van ongelijke delen. Van meet af aan had de Kosovaarse overheid geen grip op het overwegend Servische Noorden, waar het gros van het honderdnegentig man sterke contingent Belgische militairen zich bevindt. ‘Deze onafhankelijkheidsverklaring is een stap in de reeds lang aanslepende discussie over de statuskwestie van Kosovo’, verklaarde minister van Buitenlandse Zaken Karel De Gucht. De discussie gaat immers door. Kosovo zal zich, net als zovele andere landen, zo snel mogelijk willen aansluiten bij de Europese Unie, wat de relaties met Rusland niet meteen zal verbeteren. Europa heeft haar vredesdividend node geïnvesteerd in de versnelde toetreding van de lidstaten van het voormalige Oostblok. Ook voor Kosovo zal de Europese Unie in de toekomst de hefboom vormen om vrede en een zekere welvarendheid te bereiken, voorspellen optimisten. Eind februari deelden actievoerders van Jong N-VA alvast suikerbonen en geboortekaartjes uit aan het gebouw van de Europese Commissie, als symbool van de geboorte van Europa’s nieuwste staat.
De onafhankelijkheid van Kosovo vormt voor nationalisten van diverse pluimage het bewijs dat het zelfbeschikkingsrecht der volkeren altijd zegeviert, aangezien dat nu eenmaal het belangrijkste ordenende principe in een nationalistische maatschappijvisie is. Er bestaat geen verschil tussen Kosovo, Zuid-Ossetië, Tsjetsjenië, Tibet, Baskenland, Catalonië, Schotland of Vlaanderen. Natievorming is natievorming. Björk riep begin maart tijdens een optreden in Shanghai de onafhankelijkheid van Tibet uit, maar ze had dat evengoed tijdens de komende IJzerbedevaart kunnen doen. Een geste die perfect zou passen in de aanhoudende hysterie rond de staatshervorming. Op de site van Gazet van Antwerpen liet de enthousiaste lezer D.F. op 25 februari althans deze hartenkreet achter: ‘Was ik maar in Kosovo geboren, daar hebben ze tenminste ballen aan hun lijf’. Wellicht moeten we, zoals Paul Eluard ooit beweerde, onze wereld aandachtiger bekijken om de diepere werkelijkheid te zien: ‘La terre est bleue comme une orange’. De kop boven het grote interview in La Libre Belgique (15 maart) met N-VA-voorzitter Bart De Wever luidde dan ook: ‘La Belgique n’existe plus.’
Nog steeds wordt de Belgische politiek met argusogen gevolgd in het buitenland. Vaak gaat het om ramptoerisme waarvan de focus een etmaal later op een willekeurige overstroming is gericht. Maar het valt evenmin uit te sluiten dat niet elke Europeaan te vinden is voor een subregionaal ingedeeld Europa of voor een staatsrechterlijke big bang op continentaal niveau; een ontwikkeling waar het in buitenlandse media gretig aangekondigde uiteenvallen van België op vooruit zou lopen. Hoe langer de crisis echter duurt, hoe hardnekkiger de clichés en vooroordelen worden. Alle betrokken partijen zitten gevangen in een negatieve spiraal van verbaal geweld en slopende tactische spelletjes die elk gesprek bemoeilijken en voor de hand liggende hervormingen tegenhouden. Een belangrijk deel van het regeerakkoord van Leterme I lag al maanden vast. Achteraf bekeken hebben de meeste onderhandelaars na de verkiezingen van juni 2007 vooral winst proberen te boeken door een politieke oplossing onmogelijk te maken. De verwijzing naar de finale implosie van de Belgische staat dient hierbij als een rookgordijn dat een aantal essentiële veranderingen verborgen houdt. Een van de belangrijkste is dat de Europese Unie een steeds grotere ,rol speelt in ons dagelijkse leven. Als de Belgische politiek de komende maanden geplaagd wordt door een chronische verkiezingskoorts, dan zal die kwaal veeleer psychosomatisch zijn. Uiteraard kunnen de gewestverkiezingen van 2009 ook de federale krachtverhoudingen grondig verstoren, maar het soortelijk gewicht van de Europese verkiezingen is groter.
De federatie voert uit wat Europa beslist. De prijs- en muntstabiliteit is hiervan het pijnlijkste en meest zaligmakende voorbeeld. De eurozone, de euro en het rentebeleid van de Europese Centrale Bank (ECB) hebben een monetaire politiek op nationaal of regionaal niveau overbodig gemaakt. Dollargerichte bedrijven uit de BEL20, zoals Delhaize of UCB, kunnen hun wisselkoersrisico wel gedeeltelijk afdekken, maar richten hun kompas op Frankfurt, niet op overbodige nationale banken of regeringen die veroordeeld zijn tot het vaststellen van economische feiten. Meer dan welke Europese regering ook beïnvloedt Jean-Claude Trichet de concurrentiekracht van de ondernemingen. Als Trichet waarschuwt tegen de automatische indexering van de lonen, geeft hij voor gans de unie de marsrichting aan. Het is dankzij de supervisie van de ECB in het bijzonder en Europa in het algemeen dat de geledingen van de Belgische politiek zich op een haast evangelische manier kunnen vastbijten in de communautaire achterhoedegevechten. De prijs van slecht bestuur is veel lager dan vroeger. Devaluaties zijn niet meer mogelijk. De dalende koopkracht kan makkelijk toegeschreven worden aan internationale rampen, zoals de subprimecrisis en de bijhorende creditcrunch.
Dat het behoud van de solidariteit en van de welvaart zeer moedige politieke beslissingen vergt, tonen de bijdragen in de congresbundel Gedachten over sociaal federalisme. Leterme I heeft die moed nog niet getoond. Maar als het er echt om spant, regelt de samenleving zichzelf. De drie regionale werkgeversorganisaties – Voka (Vlaams netwerk van ondernemingen), UWE (Union Wallonne des Entreprises) en BECI (Brussels Entreprises Commerce and Industry) – ondertekenden op 10 maart een Solidariteitspact. Zo’n geste was niet eerder vertoond. De Belgische werkgevers verbinden zich ertoe om koste wat het kost vijfhonderdduizend nieuwe jobs te scheppen tegen 2020, en willen sociaaleconomische en ecologische beleidskeuzes op maat van de ‘gedifferentieerde noden van de ondernemingen in de regio’s en wat Wallonië betreft ook rekening [houdend] met subregionale verschillen’. Ook de christelijke en socialistische vakbonden ACV en ABVV, en de respectieve ziekenfondsen, plegen een historisch feit. Ze hielden voor het eerst in de geschiedenis een gezamenlijke 1 meiviering en ondertekenden tijdens een colloquium op 28 april een verklaring ter verdediging van het Belgische sociale model.
Onze welvaart is niet eeuwigdurend. Het kapitaal en de energiebronnen bevinden zich niet meer op de Louizalaan of in Marcinelle, maar in het Midden-Oosten, Rusland en Azië. Daar zijn ook de massale generaties hardwerkende nieuwe consumenten die zich liefst gisteren nog hadden bekeerd tot onze materialistische heilsfilosofie. De Europese economie staat onder druk, wat de gevolgen van de vergrijzing nog versterkt. De werkelijke politieke agenda draait dan ook om netelige onderwerpen als het verhogen van de pensioenleeftijd en van de werkzaamheidsgraad, het ter discussie stellen van verworven rechten, de omslag naar werkzekerheid, de keuze voor arbeidsmigratie, en het beheren en financieren van de fors toenemende zorgvraag en van de ecologische problemen. En dit alles tegen de achtergrond van een tot in de fundamenten veranderde samenleving die een schat aan ervaringen en kennis biedt, maar die genadelozer is geworden voor wie de verandering niet kan of wil volgen.
Niet zo lang geleden zouden we bij die toestand van overdruk heel makkelijk naar de wapens grijpen. Vandaag hebben we die conflicten geëxporteerd naar exotische oorden en sussen we ons geweten met een herinneringsgeloof in de twee wereldoorlogen. ‘Can we preserve a European past that is now fading from memory into history?’ vraagt historicus Tony Judt zich af. Het herinneringsgeloof met zijn slagveldrondleidingen en zijn bunkerromantiek ervaart Judt als een manier om penitentie te doen en het verleden af te sluiten. Ook dat is de banaliteit van het kwaad waar Hannah Arendt zo treffend over heeft geschreven. Toch lijkt de toestand op het eerste gezicht minder erg dan Judt doet uitschijnen. De Europese Unie werd gebouwd op het puin van de Tweede Wereldoorlog. Aan de verbindende kracht van de euro komt nog lang geen eind. Of dat volstaat om nog eens zestig jaar lang relatieve vrede te kennen, is een andere vraag.
Na de begrafenismis werd er voor het stoffelijk overschot van Lazare Ponticelli een parade gehouden op het binnenplein van Les Invalides. Ook de rest van de dag zou worden gevuld met toespraken, plechtige bijzettingen en onthullingen van plaquettes. Geen enkel detail van de republikeinse orgie ontging de camera’s. Het eerbetoon aan Ponticelli moest en zou uitgroeien tot een nationale hulde aan alle Franse oud-strijders en slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog. Tot vlak voor zijn dood heeft Ponticelli die feesten en stoeten radicaal geweigerd. Maar de laatste Franse overlevende van de Groote Oorlog is uiteindelijk het slachtoffer geworden van een geruststellend herdenkingsbombardement.

Harold Polis


Literatuur

Het Solidariteitspact is te downloaden op www.voka.be.
Tony Judt, ‘The problem of evil in Postwar Europe’, The New York Review of Books, 14 februari 2008.
Bea Cantillon en Veerle De Maesschalck (red.), Gedachten over sociaal federalisme, Acco, Leuven, 2008.

(Dit artikel verscheen eerder in Streven van mei 2008.)

zondag 18 mei 2008

Requiem voor de literaire gek


(Friedrich Nietzsche, omstreeks juni-augustus 1899, gefotografeerd door Hans Olde. Terwijl de twintigste eeuw moet nog beginnen, is de grootste filosoof van de moderne tijd onherroepelijk opgeslokt door de waanzin.)

Ooit aanbeden en geprezen. Maar sinds Nietzsche toch niet meer wat hij geweest is: de literaire gek.

Cultuurpessimisten opgelet! De onttovering van de wereld is oud nieuws. Toen God bovenaan stond en de doortocht van een komeet op het einde der tijden wees, had je tenminste nog verrassingen en bedreigingen die niet te voorzien waren. Al heel lang leven we echter in een berekend universum dat ontdaan is van magie en verbazing. Volgens socioloog Max Weber belaagt die onttovering de menselijke vrijheid. Het is alsof we gevangen zitten in een ijzeren kooi. En dus zoekt iedereen enthousiast naar de nooduitgang.

In de negentiende eeuw leek het alsof de onpeilbare menselijke geest een uitweg bood. Heel wat kunstenaars zochten hun heil in roesverwekkers en romantisch escapisme. Maar de grote ontdekking van de moderne tijd was de hysterie. Neuroloog Jean-Martin Charcot bouwde het Parijse Hôpital de la Salpêtrière uit tot een van de belangrijkste psychiatrische centra in Europa. Charcot bracht patiënten onder hypnose, hield talloze demonstraties en voedde de illusie dat het onderbewuste een magisch geheim bevatte.

Surrealisten namen psychoanalyse bijzonder ernstig. André Breton verkondigde in het Manifeste du Surréalisme dat vooral de gedachte belangrijk was, los van alle controle die door de rede wordt uitgeoefend, los van elke esthetische of morele vooringenomenheid. Geen wonder dat nogal wat (ex-)surrealisten een voorliefde voor gekken ontwikkelden. De gek was immers de waarheid op het spoor. Raymond Queneau zat drie jaar in de Bibliothèque Nationale ter voorbereiding van het essay Aux confins des ténèbres. Les fous littéraires. Hierin beschrijft Queneau de literaire gek als iemand zonder leraars of leerlingen die de ultieme buitenissigheden bedenkt. De archipoëet Paulin Gagne bedacht in 1866 de filantropofagie: mensen die zich broederlijk laten opeten door de slachtoffers van de honger die de wereld geselt. Dat was een groot succes.

De Franstalige Belgische schrijver André Blavier, bibliothecaris in Verviers, stak zijn goede vriend en collega-patafysicus Raymond Queneau naar de kroon. Blavier publiceerde in 1982 het encyclopedische meesterwerk Les fous littéraires: een beschrijving van ruim 3.000 wanhopige uitvinders, duvelstoejagers, ontwerpers van universele talen en dies meer. Amateurs vergeleken bij de allergrootste propagandist van amorele, grensoverschrijdende kennis: Friedrich Nietzsche.

Op de ochtend van 3 januari 1889 werd Nietzsche in Turijn opgepakt door twee agenten. We zullen nooit weten wat er toen echt is gebeurd. De mythe wil dat Nietzsche zich op de Piazza Carlo Alberto bevond, zag hoe een paard werd mishandeld en het dier ter hulp snelde. Hij omhelsde het paard en stortte in. Als verpleger aan het front van de Frans-Pruisische oorlog van 1870 had Nietzsche difterie, dysenterie en syfilis opgelopen. Die laatste infectie zou hem waanzinnig hebben gemaakt. Meteen na de noodlottige januaridag schreef en verstuurde Nietzsche een aantal krankzinnige brieven, de 'Wahnbriefe' genoemd, waarvan hij er enkele tekende als 'Nietzsche Caesar'. En zo eindigde de belangrijkste Europese denker uit de moderne tijd als een menselijk wrak dat wegzonk in betekenisloze diepten.

Het is onmogelijk om een eenduidige interpretatie te geven van Nietzsches zeer uiteenlopende oeuvre. De filosoof met de hamer hanteerde een provocatieve en emotionele stijl, grossierde in loodzware metaforen en was op zijn best in zijn onnavolgbare aforismen. Hoe fel hij de consistentie van zijn teksten ook op de proef stelde, alles paste in een ruimer geheel. Nietzsche heeft geen klassiek en netjes ingedeeld filosofisch bouwsel achtergelaten, maar een totaaltekst waarin de vertelstijl even belangrijk is als wat er wordt verteld. Zijn luidruchtigheid doet vermoeden dat hij voor een planetair miljoenenpubliek schreef. Maar het was vooral oorverdovend stil in zijn werkkamer.

Twee vrouwen dragen een grote verantwoordelijkheid voor Nietzsches immense faam: zijn aanbidster Lou Andreas-Salomé en zijn zuster Elisabeth Förster-Nietzsche. De laatste publiceerde in 1901 Der Wille zur Macht, het zogezegde magnum opus van haar broer. Dit boek werd enorm populair, tot in de Duitse loopgraven van de Eerste Wereldoorlog toe. In de jaren zestig werd Der Wille zur Macht ontmaskerd als een vervalsing. De zuster had de broer naar hartenlust herschreven, geïnterpreteerd en bedacht met het antisemitisme dat haar zo dierbaar was. De schaamteloos romantische mythe van de onbegrepen denker Friedrich Nietzsche werd echter als eerste gemunt door de professionele muze Lou Andreas-Salomé in haar autobiofictie Friedrich Nietzsche in seinen Werke.

Al wie de originele teksten van Nietzsche voor het eerst onder ogen krijgt, hapt naar adem. Weinig schrijvers zijn zo makkelijk verkeerd te interpreteren. Zijn beroemdste uitspraak, "God is dood", volgt uit de vaststelling dat wetenschap en secularisering de christelijke schepper overbodig hebben gemaakt als bron van betekenis en moraal. In Gods plaats komt de wisselende, nooit definitieve, altijd onaffe en partijdige waarheid. Nietzsche is eigenlijk de geestelijke vader van YouTube waar het onderscheid tussen gekte, idiotie en ernst van geen enkel belang meer is.

(Deze tekst verscheen eerder in De Morgen van 7 mei 2008.)

maandag 28 april 2008

De toekomst van het boek


Bij het overlijden van Angèle Manteau (1911-2008)

Wat betekent dat eigenlijk, boeken uitgeven? Telkens die vraag me midscheeps raakt, geef ik het klassieke antwoord van wijlen Thomas Bernhard: een uitgever geeft uit. Wie de glaciale misantropie van die Oostenrijkse schrijver kent, weet dat dit geen flatterende definitie is. Bernhard achtte een uitgever nog lager dan een Weens theaterregisseur, wat tot nederigheid inspireert. Meestal bestaat een uitgever bij gratie van zijn auteurs. Het tegendeel doet alarmlichten flikkeren. Die opgelegde nederigheid komt echter alleen tot haar recht als ze gepaard gaat met een bovenmenselijk radde koopmansgeest, culot, een homerische belezenheid, een internationaal geprezen smaak, glimmende schoenen, snelheid van uitvoering en een slecht karakter. Geen wonder dat uitgevers als penitentie graag uitgeversbiografieën en –geschiedenissen lezen. Want daarin staan ook de slechte dagen beschreven, de zeperds, de hubris, de slaande ruzies, de koude koffie om twee uur ‘s nachts.

Mijn echte vakopleiding was de tijd dat ik als editeur de brieveneditie van Gerard Walschap voorbereidde. Ik heb enorm veel geleerd door oude zakelijke correspondentie te ontcijferen. Die gaat meestal om problemen en hoe ze op te lossen. En als je wat dieper doordringt in het verleden van een uitgeverij, blijkt dat altijd dezelfde thema’s op tafel komen: hoe bouw je een duurzame relatie op met schrijvers, hoe verkoop je veel boeken en hoe vermijdt je dode voorraad? Bij de NV Uitgeverij A. Manteau ging het niet anders. Het boek Kwaliteit als credo. Een geschiedenis van uitgeverij Manteau 1938-1953 van Ernst Bruinsma geeft een scherp beeld van de inspanningen die Manteau zich heeft getroost om succesvol te zijn én de uitgeverij een smoel te geven. Ook in het door Kevin Absillis geschreven vervolg van die uitgeverijgeschiedenis, dat dit najaar zal verschijnen, lees je hoe Manteau tussen alle ups and downs een lijn tracht te volgen. De pragmatiek die ze daarbij huldigt, is een minimale voorwaarde om de continuïteit van een uitgeefbedrijf te verzekeren. Een uitgever geeft uit. Ook als, zoals Manteau heeft meegemaakt in de magere jaren na de Tweede Wereldoorlog, de bodem onder het bedrijf wordt weggeslagen door overmacht.

Alvast in dat opzicht is er geen enkel verschil met vandaag. Om voor applaus in aanmerking te komen, moeten uitgevers nog steeds vele borden in de lucht houden. En het blijft wachten op de magische formule om woorden in goudklompjes te veranderen. In de roman Nooit meer slapen van Willem Frederik Hermans ontwaakt de jonge geoloog Alfred Issendorf uit de illusie dat hij beroemdheid moet bereiken. Pas nadat hij voorgoed wakker is geworden, lukt het hem de werkelijkheid onder ogen te zien. Zo gaat het met uitgeven ook. Je mag dromen dat je een succes ontdekt waarbij alle andere successen verbleken. Maar je moet toch vooral vroeg opstaan en naarstig zoeken.

Wellicht behoorde Angèle Manteau tot de laatste generatie uitgevers die een volledige loopbaan met bedrukt papier konden vullen. Ikzelf, bouwjaar 1970, heb me er node mee verzoend dat papier niet meer zal volstaan. Lange tijd heeft het boekenvak de illusie gecultiveerd te ontsnappen aan de digitale transformatie. Intussen is het hele vak gedigitaliseerd, behalve het eindresultaat: het boek. Maar waarom zou de analoge wereld totaal op de schop gaan en het boek niet? Uit morele superioriteit? Waarom zou ook de literatuur niet het mikpunt worden van de revolutie van de shuffle-toets? Omdat de literaire tekst sacraal is? Waarom zou je een roman niet evengoed op een beeldscherm kunnen lezen? Omdat de hemel dan op je hoofd valt? Mijn geloof in de toekomst van het gedrukte boek en van de literatuur is onvoorwaardelijk en steeds militanter. Toch moet het boekenvak volgens mij vooral niet vergeten op tijd wakker te worden. Miljoenen enthousiaste downloaders hebben de muziekbranche laten imploderen. Als je merkt hoe razendsnel de iPod even alledaags is geworden als een polshorloge, dan zou het met een populaire en strak geprijsde e-reader wel eens even snel kunnen gaan. Of we akkoord gaan met die ontwikkeling is niet relevant. Het zal ooit gebeuren, heel eenvoudig om het technisch mogelijk is.

In het aprilnummer van Lire geeft Frédéric Beigbeder schoorvoetend toe dat het elektronische boek geen fictie meer is: ‘Honnêtement je n'arrive encore pas à décider si ce sera le sommet du ridicule, ou un luxe extraordinaire, ou la fin du monde.’ Taco Morelisse, CEO van Kluwer Nederland, voorspelt in Boekblad : ‘Ik verwacht niet dat over tien jaar papier nog de primaire drager zal zijn.’ Het aantal boude uitspraken is niet meer te tellen. Socioloog Zygmunt Baumann noemt dit ‘vloeibare moderniteit’: een situatie waarin heden en verleden zo door elkaar heen lopen dat ijkpunten moeilijk te bepalen zijn. De klassieke boekencultuur die een aristocratische dominantie heeft uitgestraald en waar Angèle Manteau haar stempel op heeft gedrukt, behoort tot het verleden. Literatuur moet het opnemen tegen een haast eindeloos (digitaal) ontspanningsaanbod. Wie opgroeit in de algoritmische wereldorde van Google en de rommelbak van YouTube heeft een fundamenteel andere kijk op informatie en entertainment, al was het maar omdat de digitale gehaktmolen alle oude tegenstellingen en culturele paradigma’s fijnmaalt. Alleen analoge bejaarden begrijpen het verschil tussen hoge en lage cultuur nog. En wie weet zijn zij straks nog de enige die gedrukte media en literatuur lezen. En kranten.

Als je de dimensies van de digitale revolutie in ogenschouw neemt, is het duidelijk dat we aan een race tegen de klok zijn begonnen om te voorkomen dat de literatuur een volstrekt marginale keuzemogelijkheid in de entertainmentsupermarkt wordt. Koppigheid en moed strekken tot aanbeveling in de boeiende, maar woelige periode die het boekenvak te wachten staat. Het zijn net die eigenschappen waarvan Angèle Manteau in haar tijd het goede voorbeeld gegeven.

(Deze tekst verscheen eerder in De Standaard van 25 april 2008.)

woensdag 16 april 2008

De verrijzenis van Guy Verhofstadt

('Marchienne-au-Pont, janvier 2006', een overdonderend beeld van Pierre-Yves Dallenogare.)

‘Ik trek nu geregeld naar China. Iedere keer als ik terugkom, heb ik de indruk in een bejaardentehuis terecht te komen.’
Jean-Luc Dehaene in De Tijd van 22 december 2007

Het kost tegenwoordig twee euro om rond te wandelen in de Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwekathedraal. Voor wie van het christendom alleen een echo overhoudt, als van een rollende donder in de verte, is twee euro uiteraard een spotprijs. Bovendien zorgt de kathedraal voor een brandhaard van toerisme. Horde na horde staan de toeristen laaiend enthousiast De kruisafneming van Rubens te interpreteren. In die hol klinkende tempel van het voorbije geloof werd eind december het voormalige CVP-boegbeeld Frank Swaelen begraven. Swaelen kreeg een klassieke staatsbegrafenis, incluis de Belgische driekleur op zijn lijkkist. Sommige commentatoren vergrootten het verscheiden van Swaelen uit tot het einde van een generatie.
De kathedraal is ook een verraderlijke plek. Hier werd de plechtige begrafenismis opgedragen voor de notoir vrijzinnige Marnix Gijsen. Even verrassend was de dienst bij het overlijden van Hugo Schiltz. En het afscheid van Swaelen bracht zeer verschillende generaties christendemocraten samen in wat niet-katholieken vaak ervaren als de natuurlijke habitat van deze politici: de kerk. Niets is minder waar. Een katholieke overtuiging is niet bepaald het opvallendste gemeenschappelijke kenmerk van Vlaams minister-president Kris Peeters en de federale aspirant-eerste minister Yves Leterme. Vooral Peeters trachtte in het voorjaar van 2007, tijdens zijn kennismakingsinterviews als minister-president, te allen prijze duidelijk te maken dat hij een overtuigd randkatholiek was, met de nadruk op rand. Ook bij Leterme is het geloof een rollende donder in de verte. Het is de strijd om de macht die beide mannen bindt.

De christendemocratie was tot aan de carrière van mensen als Jean-Luc Dehaene en Herman Van Rompuy gebaseerd op machtsbehoud. De samenleving zat in de greep van de levensbeschouwelijke tegenstellingen. De katholieke zuil oefende macht uit op alle niveaus. Al heel lang is het katholieke geloof echter een minderheidsgeloof waarvan zelfs de herinnering aan (en de kennis van) voorbije glorie sterk taant. De meeste mensen die links of rechts nog bij een zuilgebonden organisatie zijn aangesloten geven aan dat lidmaatschap geen ideologische dimensie meer. Het was geen verrassing dat de schijnbare almacht van de CVP bij de federale verkiezingen van 1999 werd gebroken. Niet zonder moeite bouwde voormalig voorzitter Stefaan De Clercq de christelijke volkspartij in 2001 om tot de huidige CD&V, Christen-Democratisch en Vlaams. Het klassieke personalisme was intussen zo verdund dat de betekenis van de C in vaagheid gehuld ging.

Politiek is het verzamelen van massa en het gebruiken van macht. Omdat de traditionele machtsbasis van de CD&V niet groot genoeg is, heeft Yves Leterme het kartel met de NV-A mogelijk gemaakt. Die combinatie bracht Leterme het minister-presidentschap in 2004 en de overwinning bij de federale verkiezingen in 2007. Toen liep het fout. In La tragedie du président. Scènes de la vie politique beschrijft Franz-Olivier Giesbert het syndroom waaraan de voormalige Franse president Jacques Chirac leed: het niet kunnen gebruiken van de macht. Als geen ander slaagde Chirac erin succesvol campagne te voeren en mensen te mobiliseren, niet vanuit het mondaine Parijs, maar vanuit het landelijke departement Corrèze. Eens Chirac op zijn troon zat, werd hij het slachtoffer van immobilisme. Het drama van Yves Leterme is dat hij zijn niet te stuiten overwinning bij de federale verkiezingen zelfs niet heeft kunnen bekronen met een geslaagd formatieberaad. Eind december werd hij minister in het overgangskabinet Verhofstadt III – waaruit hij met Pasen als leider zou moeten verrijzen.

In normale omstandigheden heet zo’n situatie een smadelijke nederlaag. Sinds juni 2007 zijn er echter geen normale omstandigheden. De politieke wereld waarin Frank Swaelen carrière maakte en zijn verantwoordelijkheid nam, bestaat niet meer. Swaelens generatie heeft een federale Belgische staatsstructuur gebouwd die overleeft bij de gratie van voortschrijdend inzicht en compromissen tussen de gewesten en gemeenschappen. De CVP stelde zich garant voor een zorgvuldig beheer van die federale structuur. De opvolgers van Swaelen hebben echter gekozen voor een confederalisme sui generis waarvan de contouren niet volledig scherp zijn. De verkiezingsoverwinning van het kartel CD&V/NV-A is in belangrijke mate te danken aan het meesterlijke gebruik van die flou artistique.

Het consumptiefederalisme heeft zijn bruikbaarheid verloren op het moment dat de bodem van de federale kas is bereikt, na de Lambermontakkoorden van 2001. Politieke deals kunnen niet meer worden afgekocht door rijkelijk middelen over te hevelen naar de regio’s. De nadruk tijdens het federale overleg ligt daardoor als vanzelf op efficiënt bestuur en op een sanering van politieke loodgieterij uit vorige fases van de staatshervorming. Het onderhandelen van efficiënt beheer weegt zwaarder dan het verdelen van geld (dat er niet is). Als vanzelf heeft die nieuwe spelregel de regeringsformatie maandenlang geblokkeerd.

In een interview met De Morgen (29 december 2007) noemde Karel De Gucht de campagne van CD&V/NV-A populistisch. Zelfs als je de politieke ontgoocheling van de VLD’er verrekent, blijft zijn vaststelling pijnlijk waar. Enige tijd vóór de verkiezingen beschreef De Gucht de populistische techniek in het essay Pluche. Over de banalisering van extreemrechts. De vorm is voor De Gucht ondergeschikt aan de inhoud. Non multa, sed multum. Alleen op die manier kan een democratie haar vrijheden niet laten misbruiken in de naam van onvrijheid. In nogal wat passages lijkt de chaos van het mislukte formatieberaad te worden beschreven, hoewel Pluche ruim een maand vóór de verkiezingen verscheen. ‘De grootste vijand van een democratie’, stelt De Gucht, ‘is de oververhitting die ze zelf voortbrengt in tijden van onzekerheid. Populisme komt het sterkst uit de verf als er, in een wervelstorm van onbegrijpelijke maatschappelijke evoluties, geen andere keuze lijkt te zijn dan of het status-quo of de grote sprong voorwaarts.’ Eerder dan een hedendaagse haruspex is De Gucht hier een koele observator van de onmogelijke en vage beloftes van het kartel. Voor de aangekondigde grote staatshervorming was er tijdens de formatie noch een tweederdemeerderheid, noch een plan, noch een gesprekspartner. Dat zowat iedereen na twee mislukte formatierondes overtuigd was van de wenselijkheid van een hervorming, werd door CD&V als een overwinning verkocht.

Tijdens de maandenlange formatie hing de politieke chaos als een mistbank over het land. Er zijn geen winnaars uit naar voren gekomen. In de eerste plaats hebben de politiek en de democratie averij opgelopen. Het georganiseerde misverstand leidde niet tot een eerbaar compromis, maar tot een parade van beginselvaste cynici en calculerende idealisten die met elkaar onderhandelden via de pers. In separatistische kringen werd de chaos op gejuich onthaald. Belangrijker is dat iedereen al volop aan de gewestverkiezingen van 2009 werkt. Zeker in de Franstalige politiek, waar er een zelden geziene vuile oorlog om het marktleiderschap woedt, bemoeilijkt de verkiezingscarrousel moedige beslissingen. Een vooroorlogs stroef communicerende Yves Leterme claimde bij herhaling de morele overwinning omdat hij woord had gehouden. Ook bij deze bewering bleef het onduidelijk wat de ex-formateur echt had bereikt. Toen Leterme ten tweede male zijn formatieopdracht moest teruggeven aan de koning, kreeg hij bij het betreden van het CD&V-hoofdkwartier een staande ovatie. Het was een van de dieptepunten in de naoorlogse Belgische politiek.

Het moeilijke politieke speelveld van de Belgische federatie maakt in tijden van crisis simplistische argumenten bijzonder aantrekkelijk. Meestal gaan die voorstellen gehuld in een waas van gezond verstand en moralisme. Rechts van het centrum is er een libertaire tendens die de afkeer van de overheid verbergt achter het afwijzen van de Belgische federatie. In tegenstelling tot Margaret Thatcher zal Jean-Marie Dedecker niet met The Constitution of Liberty van Friedrich Hayek op tafel slaan, hoewel Hayek een duidelijke invloed heeft op de teneur van het LDD-programma, en op LDD-satellieten zoals de Vlaamse liberale politieke club Nova Civitas en de onlangs opgerichte ‘denktank’ Cassandra. Dat zogezegde diepblauwe gedachtegoed vervult bij de liberale broederstrijd dezelfde rol die priester Adolf Daens enkele jaren geleden postuum kreeg toebedeeld. Eind jaren negentig legde het toenmalige Vlaams Blok een claim op de geestelijke nalatenschap van Adolf Daens door 1 meivieringen aan hem op te dragen. De partij had een significant deel van het traditionele arbeiderselectoraat overgenomen, maar werd bestreden door de vakbonden.

De Belgische politiek leek na de zomer van 2007 op een lekkend vat chemisch afval. De problemen waren gekend (en niet zelden de oplossingen ook), maar niemand waagde te saneren. Eigenlijk hebben alle betrokkenen zich vroeg of laat verstopt achter een symbooldossier om niet te hoeven handelen. Een aantal van die symbooldossiers zou voorgoed gesloten moeten worden. De Franse filosoof Jean-Marc Ferry (ULB) voert in dit opzicht een lovenswaardig pleidooi voor een herstelgerichte dialoog tussen Vlamingen en Franstaligen. De vroegere discriminatie van het Nederlands en de sociale gevolgen ervan moeten ten volle erkend. Het is een bepalende episode in de Belgische geschiedenis. Kinderen zijn nooit verantwoordelijk voor de daden van hun ouders, maar de geschiedenis hoeft zich niet herhalen, eerst als een tragedie, dan als een komedie. Ook moeten we moedig en nieuwsgierig de Vlaamse pijnlijke episodes erkennen. Het is niet omdat we pas in de jaren tachtig een grondige kennis van de Wereldoorlogen beginnen op te bouwen, dat dit onderzoek vandaag minder belangrijk is geworden. Het beste bewijs wordt geleverd door het door de Belgische senaat bestelde rapport Gewillig België. Overheid en jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog. Een groot deel van het totaal onvoorbereide overheidsapparaat ging na mei 1940 verrassend snel moreel failliet. Dat feit kan alleen tot nederigheid inspireren.

In de Belgische communautaire verhoudingen krijgt de dialectiek van de koude grond een veel te grote rol toebedeeld, met pathos en stilstand tot gevolg. Die politique politicienne wordt nog versterkt door de fors toegenomen fragmentering van het politieke landschap, die zowel links als rechts ronduit ridicule proporties aanneemt. Zonder afbreuk te doen aan de complexiteit van onze instellingen lijkt het de moeite waard om na te gaan of er niet moet worden gestreefd naar een meerderheidsstelsel. We moeten af van de illusie dat wie het algemeen belang wil dienen door politiek te bedrijven zich moet gedragen alsof hij vrijblijvend lid is van de zoveelste pressiegroep.

De democratie en haar instellingen zijn ook te kwetsbaar om te worden overgeleverd aan dogma’s en verstarring. Daarom is de politieke drang tot vernieuwing geen holle marketing, maar de essentie zelf van een gezonde democratie. Op zoek naar uitwegen uit het moeras van de formatie is meermaals verwezen naar het beruchte artikel 35 van de Belgische grondwet: ‘De federale overheid is slechts bevoegd voor de aangelegenheden die de Grondwet en de wetten, krachtens de Grondwet zelf uitgevaardigd, haar uitdrukkelijk toekennen.’ Artikel 35 is bij de Sint-Michielsakkoorden met opzet niet geconcretiseerd. Het voeren van een federaal kerntakendebat en het opstellen van een definitieve lijst met federale verantwoordelijkheden, zou een heleboel symbooldossiers afsluiten en zou de staatshervormingcarrousel afremmen, zoniet stoppen. De vraag is niet of dit politiek haalbaar zou zijn, maar of dit wenselijk is.

Het definitieve einde van het proces van de staatshervorming is zoiets als Fukuyama’s einde van de geschiedenis. Het klinkt goed, maar dan vooral in de beslotenheid van een studeerkamer. De politiek en haar dienaars kwijten zich beter van hun taak naarmate ze zich bewust zijn van hun werkelijke statuur en zich nooit de illusie eigen maken in de plaats van de samenleving en de burgers te denken. Dat bevlogen realisme vormt in hoge mate de kern van de nota Verhofstadt, de visietekst waarmee Guy Verhofstadt op 8 januari vriend en vijand verraste. De liberale voorman heeft vaak het niet onterechte verwijt gekregen dat er tijdens de twee regeringen Verhofstadt een communautair status-quo is nagestreefd. En de onder zijn supervisie afgesloten Lambermontakkoorden hebben de financiering van de federale staat lek geslagen, vandaar Letermes oude verwijt ‘maxigeld voor minibevoegdheden’. De volgende fase van de Belgische staatshervorming is onvermijdelijk, al was het maar omdat bij een ongewijzigd beleid de federale staat niet meer aan zijn financiële verantwoordelijkheden zal kunnen voldoen. Elke voorspelling van de gevolgen van de vergrijzing toont hoe immens de uitdaging is. De federatie moet zich schrap zetten om die klap op te vangen.



Een staatshervorming zal ook Wallonië ten goede komen. Wie Le second declin de la Wallonie van Jean-Yves Huwart heeft gelezen, weet op welk een dramatische manier het bestuur van het Waalse gewest en de Franstalige gemeenschap tijdens de jaren negentig is tekortgeschoten. Er wordt steeds verwezen naar de ondergang van de delfstoffenindustrie om de economische achterstand van Wallonie te verklaren. In januari nog was er de emotionele sluiting van een cokesfabriek in Marchienne-au-Pont, als tastbare getuigenis van die nog steeds aan de gang zijnde aderlating van de Waalse industrie. Een populaire bestemming voor ramptoeristen zijn de industriële spooksteden van Arcelor langs de spoorlijn Namen-Charleroi. Tijdens de voorspoedige jaren negentig echter, toen de budgettaire magerzucht van Jean-Luc Dehaene België de monetaire unie binnenleidde en de welvaart veiligstelde, heeft een groot deel van de politieke klasse in Wallonië het verzuimd te handelen naar wat er zich onder hun ogen afspeelde. Van de vele pijnlijke vaststellingen die je hieraan kunt koppelen is zeker een van de ergste dat de overheid zich hier boven de burger heeft geplaatst. Ook in Vlaanderen is, ondanks het klatergoud van het goede bestuur, het overheidsbeslag indrukwekkend. In Wallonië is het echter vele malen te groot. Amerikaanse politici die elkaar big government verwijten, kennen Wallonië niet. Het immobilisme heeft er de innovatie van de economie fors belemmerd. Bovendien waren vele plannen, acties en oproepen tot aan het Marshallplan slecht georganiseerd, versplinterd, niet voldoende ernstig. De acute terughoudendheid van sommige Franstalige politici tegenover de nieuwe stappen in de staatshervorming heeft dan ook meer te maken met een geconditioneerde reflex dan met een gehechtheid aan België of aan de federale verworvenheden.

Wat Verhofstadt in de achttien pagina’s van zijn nota zet, is een toonbeeld van conventionele wijsheid. Onder dat begrip verstond wijlen John Kenneth Galbraith het tastbaar maken van aanvaardbare maatschappelijke en politieke feiten: de consensus. Het doorgeven van meer verantwoordelijkheden aan de regio’s koppelen aan het versterken van de federatie is, zowel op een ideëel niveau als in de door Verhofstadt geschetste details, de best mogelijke basis voor een hernieuwd federaal pact. Galbraith schrijft echter: ‘The enemy of conventional wisdom is not ideas but the march of events.’ De deadline van het octopusoverleg (Pasen) is nog ver weg.

Harold Polis

Karel De Gucht, Pluche. Over de banalisering van extreemrechts, Houtekiet, Antwerpen, 2007.
Jean-Yves Huwart, Le second declin de la Wallonie. En sortir, Racine, Brussel, 2007.

(Dit stuk verscheen eerder in Streven van februari 2008.)

Leven en dood van Romain Gary

(Simone Signoret schittert als Madame Rosa in de verfilming van La vie devant soi. Dat was in het gezegende jaar 1977.)

Op latere leeftijd besliste de Franse schrijver Romain Gary dat het nooit iets zou worden met de twintigste eeuw. Hij nam zijn Smith & Wesson en schoot zich voor het hoofd op 2 december 1980, twee maanden na de zelfmoord van schilder Jan Cox. Net als Cox leefde en werkte Gary jarenlang in de Verenigde Staten, waar hij getuige was van de grote schermutselingen van zijn tijd. Oud-diplomaat Gary was het gewend champagne te drinken met de groten der aarde. Toen zijn filmcarrière een hoge vlucht nam, werd hij een societyfiguur. De dolle jaren zestig bracht hij door aan de zijde van Jean Seberg. Het was haar Ionische schoonheid die Jean-Luc Goddards stilistische meesterwerk A bout de souffle zo onvergetelijk maakte. Even onweerstaanbaar bleek haar talent voor zelfdestructie. Seberg engageerde zich op een volstrekt naïeve manier in de Black Panther Party en werd heel snel een doelwit van de FBI. Drank, valium en psychoses deden de rest. De FBI lekte begin 1970 dat Seberg zwanger was van een vooraanstaande Black Panther, de rioolpers haalde haar door de mangel en ze had een miskraam. Tot aan haar zelfmoord in 1979 ging het steil bergaf.

Einde van een rechtse zak

Zelfs nadat hij van zijn maanzieke vrouw was gescheiden, bleef Gary haar financieel steunen. Als zelfverklaarde dandy en voltijds homme à femmes leefde hij hoe dan ook al op grote voet. Het gevolg van die toenemende recurrente kosten was een levendig publicatieritme. De vele boeken en scripts die Gary schreef, brachten echter niet de roem die hij als jongeman had behaald met zijn romans Education européenne en Les racines du ciel. Voor die laatste roman kreeg hij in 1956 de prix Goncourt. Vijftien jaar later lustte de kritiek hem niet meer. Hij leek een fossiel uit het Precambrium. Te weinig serieus voor de steile intellectuele droogkloterij van de nouveau roman, te amoreel voor de dromen van de studentenrevolte. Kortom, Gary werd opzijgezet als een rechtse zak.

Deze joodse jongen uit Vilnius was heel Europa doorgetrokken en was samen met zijn moeder gestrand in Nice. Hoewel Gary ermee pochte dat er geen druppel Frans bloed door zijn aderen stroomde, onderscheidde hij zich als een gedreven patriot. Bij het begin van WOII was hij in dienst bij de Franse luchtmacht. Gary sloot zich meteen aan bij la France libre, het leger van Charles de Gaulle. Na de oorlog werd hij onderscheiden als Compagnon de la Libération, een zeldzaam ereteken dat ook aan André Malraux werd toegekend. Toen de Parijse meirevolte met een sisser afliep, stond ook Gary klaar om zijn trouw aan De Gaulle te tonen. Zijn voormalige strijdmakkers riepen hem op om mee te komen betogen. Gary hees zich in zijn oude legeruniform en wandelde naar de Champs-Élysées. De avond van de 30ste mei kwamen er echter 800.000 mensen op straat. Gary zag de kolkende massa en maakte pas op de plaats. Van een dwarse egotist moet je niet verwachten dat hij met de stroom meegaat.

Dan maar een pseudoniem

Gary hoefde van niemand lessen te krijgen in verbeelding. Alleen al over zijn afkomst fabuleerde hij tientallen varianten bij elkaar. En ook zijn oorlogservaringen werden groter of kleiner naargelang de omstandigheden. De werkelijkheid was voor Gary vloeibare materie die om het even welke vorm kon aannemen, ten goede of ten kwade. Nu hij zelf bij het huisvuil van de geschiedenis was gezet, besloot hij iedereen stevig bij de neus te nemen. Deels uit diepe rancune, deels uit mythomanie bedacht hij het pseudoniem Émile Ajar. Die ‘debuteerde’ met Gros-câlin, een roman over de ongeneeslijke eenzaamheid van de mens. Het succes was zo groot dat Gary een nieuwe dimensie toevoegde aan zijn pseudoniem. Hij sloot een contract af met zijn neef om Émile Ajar te spelen. Ajars tweede roman, La vie devant soi, werd een vette bestseller. Het is wellicht ook het beste boek dat Gary ooit heeft geschreven.

De mystificatie liep volledig uit de hand. Gary was al een chronische angstpatiënt toen hij Ajar bedacht. Maar toen zijn pseudoniem een eigen leven begon te leiden, vreesde hij dat de hemel op zijn hoofd zou vallen. Uiteindelijk zou de waarheid pas na zijn dood aan het licht komen, tijdens een historische uitzending van Apostrophes, het toenmalige boekenprogramma van Bernard Pivot op Antenne 2. Op de vraag waarom Gary zover was gegaan, had zij zelf geantwoord in Gros-câlin: ‘J'ai parfois l'impression que l'on vit dans un film doublé et que tout le monde remue les lèvres mais ça ne correspond pas aux paroles. Parfois c'est très bien fait, on croit que c'est naturel.’ Gary had iedereen, zichzelf incluis, op het verkeerde been gezet.

Harold Polis

(Deze tekst verscheen eerder in De Morgen van 9 april 2008.)

woensdag 19 maart 2008

Lof van het e-book

(Ziehier de schrik van orthodox-analoge inboorlingen: de iLiad Reader.)

‘Ik wil gaan spreken van gedaanten die in nieuwe werden veranderd.’ Zo beginnen de Metamorphosen van Ovidius, een epos dat de Romeinse poeta laureata Ovidius schreef als jonge veertiger. Onlangs herlas ik fragmenten van de Engelse vertaling van de Metamorphosen op een exemplaar van de iLiad Reader, een van de bekendste boekenreaders van het moment. De vertaling was dan weer gedownload op de site Internet Archive (www.archive.org), een kolossale vergaarbak van tekst en beeld. Alleen al via het Open-Access tekstarchief van die site heb je gratis toegang tot ruim 361.000 bestanden. Een peulschil in vergelijking met de Borgesiaanse wereldbibliotheek die momenteel wordt opgebouwd via Google Book Search. Vorig jaar nog maakte Sylvia van Peteghem van de Universiteitsbibliotheek Gent een afspraak met Google om 300.000 rechtenvrije Frans- en Nederlandstalige boeken tegen 2010 online te zetten.

Een dichtbundel van 642 euro

We zitten midden in een duizelingwekkende culturele omwenteling vol paradoxen. Niet eerder in de geschiedenis kon je zo makkelijk zoveel informatie vergaren. Met één klik tover je de Metamorphosen op je scherm. Maar als gebruiker van massamedia word je steeds enthousiaster behandeld als een twaalfjarige randdebiel die net zijn eerste
lobotomie achter de rug heeft. De digitalisering zelf raast sinds de jaren negentig als een permanente revolutie de wereld rond. Hoewel de dotcombubbel miljarden euro’s kapitaal heeft vernietigd, is de digitale zendingsdrang onverkort heftig. Maar zolang een toestel als de iLiad Reader 642 euro kost, blijft de digitale revolutie een bron van nieuwe sociale ongelijkheden. Boekhandelaar Selexyz Donner in Rotterdam had er eind 2007 ruim 150 verkocht. 150 stuks. Het lijkt wel een dichtbundel.

Ten tijde van Ovidius hadden de Metamorphosen een omvang van vijftien perkamentrollen. Er was slechts een gering aantal exemplaren in omloop. Het epos werd meer voorgedragen dan gelezen. Bovendien bezat het publiek voldoende parate kennis om de talloze literaire verwijzingen te begrijpen. De iLiad Reader is in alles de tegenpool van de perkamentrol. Het ebook is onstoffelijk, oneindig vermenigvuldigbaar en ultiem vergankelijk. Nog niet zo lang geleden inspireerde de verzuring en desintegratie van de boeken uit de periode 1850-1950 ons tot een planetaire angstpsychose. Dat is allang passé. Halsoverkop worden archieven en bibliotheken integraal gescand. De vergetelheid heeft een andere vorm aangenomen, Ovidius achterna.

Het einde van de oude taalcultuur

Het niet-gedigitaliseerde deel van onze geschiedenis lijkt voorgoed verloren. De omgangsvormen, de smaak en de ambitie van de renaissance kun je niet downloaden. Terwijl net die culturele ijkpunten ruim vier eeuwen lang ons beeld van de wereld hebben bepaald. ‘We staan op het punt om afscheid te nemen van de oude taalcultuur’, schrijft de Leuvense hoogleraar Nederlandse taalkunde Joop van de Horst in De toekomst van het Nederlands, een boek dat onlangs verscheen ter gelegenheid van het 75-jarig jubileum van het Genootschap Onze Taal. Wellicht vormen wij de laatste generatie die zo sterk de nadruk legt op geschreven taal, op een eenduidig spellingbeleid, op het onovertroffen belang van lezen en schrijven als culturele waarden, op de bescherming van onze taal tegen ‘vreemde invloeden’. Dat laatste zou ons alvast verlossen van de Vlaams-nationale taalkramp die nog steeds door zovelen vol overgave wordt beleefd.

Nog heel even is het e-book een vreemde vogel in het reservaat van de letteren. Nog heel even. Is het eerste deel van het deeg geheiligd, dan ook de rest, schreef de apostel Paulus. En zo zal het ook met het e-book gaan. Uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep bracht bij haar veertigjarig bestaan in 2002 een uitzonderlijk mooi verzorgde jubileumeditie van de Metamorphosen uit. Steunkleur in het binnenwerk. Zilver op snee. Met linnen beklede cassette. Niemand kan dit object weerstaan. Maar ik wil Ovidius ook op het scherm lezen. Meer nog, ik wil het volledige corpus klassieke Griekse en Romeinse teksten permanent kunnen raadplegen, zelfs in vertaling. En de onlineversies van dertig of wat binnen- en buitenlandse kranten. De droom van een voor iedereen toegankelijke en betaalbare totaalbibliotheek is te aantrekkelijk om niet na te streven.

De menselijke kennis is haast volledig geoutsourcet. Moet je nog wel iets kennen? Bij voorkeur wel, maar je moet vooral kunnen zoeken. Elke mens heeft in 2007 gemiddeld 45 gigabyte aan digitale informatie gegenereerd. De informatieberg is eenvoudigweg niet meer beheersbaar. Laat staan dat je nog in staat zou zijn de rozen op de mestvaalt op te merken. Zo ontstaat er informatiestress en organiseert de domheid zichzelf. Vooruitgangsutopisme is een slechte raadgever. Net als de papieren bibliotheek is het e-book een welkom verlengstuk van onszelf. Maar vergeet niet te lezen.

Harold Polis

(Deze tekst verscheen eerder in De Morgen van 19 maart 2008.)

zondag 9 maart 2008

Ernst Jünger - Parijs Dagboek 1941-1942


(Ernst Jünger vluchtte als tiener uit het ouderlijke Heidelberg en nam dienst in het Franse vreemdelingenlegioen. Op de foto hiernaast staat hij geportretteerd in zijn uniform van légionnaire. Beide wereldoorlogen maakte hij mee als Duits militair.)

Slecht taalgebruik leidt tot fascisme, heeft Karl Kraus ooit beweerd. Klinkt goed, maar slaat nergens op. Zo is het Vlaams Blok Magazine hopeloos tendentieus, maar zeker niet erbarmelijk geschreven. Het antidemocratische Vlaams-nationalisme telde heel wat afgestudeerde germanisten, August Borms op kop, die in correct Nederlands over de schreef gingen. En van een poujadist als Pim Fortuyn kon je veel zeggen, behalve dat hij zijn taal niet kende. Vormelijke argumenten volstaan niet om greep te krijgen op extremisme. Als slecht taalgebruik ergens toe leidt, dan wel tot verwarring, ergernis en wansmaak. Dient een palliatieve filter om tabaksrook moreel verantwoord te maken, het geweten van moraalridders te sussen of ondraaglijk zieke mensen bij te staan? Gelukkig is er nog de literatuur, die schitterende vrijplaats waar kromspraak nog iets betekent. Vermaarde kromspraakkundigen als Céline of Pound hebben zich echter bezoedeld door een onsportieve houding aan te nemen tegenover de medemens en de democratie. Ook Ernst Jünger is zo iemand geweest. Schrijven fascistische literatoren literatuur? Of doen ze aan politiek? En volstaat de overtuiging van een schrijver om zijn werk op ethische gronden af te keuren? Als u drie keer ja antwoordt, ga naar de beursberichten. Als u twijfelt, lees verder. Ernst Jünger bezat de gave om veel te zeggen met weinig woorden. Met zakelijke beknoptheid had dit weinig te maken. Eerder dan het leven zoals het leven is te beschrijven, benaderde hij de innerlijke werkelijkheid van mensen en dingen als iets dat op zichzelf stond. Veel zeggen met weinig woorden betekende in Jüngers geval het belijden van zijn particuliere theologie. Hij verkocht graag wind. Vooral zijn dagboeken over de Tweede Wereldoorlog tonen het overdreven belang dat Jünger hecht aan zijn statische wereldbeeld. Terwijl de wereld ten onder gaat, kiest Jünger voor een strategische terugtocht naar zijn mythische innerlijke werkelijkheid. Hij beschouwt. Op 18 november 1941 noteert hij: "Wat ons het diepst bezighoudt, onttrekt zich aan communicatie, en zelfs aan de eigen waarneming." Volgens Jünger bestaat er een dimensie van de werkelijkheid waar de mens geen vat op heeft. Die irrationaliteit is de grond van het bestaan. Hoe nauwkeuriger een schrijver de tastbare werkelijkheid hiermee contrasteert, hoe dichter hij tot de kern van de waarheid doordringt. 25 oktober 1941: "De woorden zouden net als de atomen een kern kunnen bevatten waar ze omheen wentelen, een kern die men niet mag aanraken, wil men geen naamloze krachten vrijmaken."

Jünger is op zijn sterkst als leerling-tovenaar die ziet wat wij niet zien, diepzinnige commentaar leverend bij het pittoreske panorama van Parijs. Zijn aandacht gaat uit naar architectuur, monumenten, historische steenhopen, het roemrijke verleden. Onschuldige toeristische bespiegelingen, ware het niet dat Jünger deel uitmaakt van de Duitse bezettingsmacht en werkt bij het kabinet van het militaire oppercommando. Dit detail zorgt voor vervelende situaties, bijvoorbeeld wanneer Jünger assistentie moet verlenen bij de executie van een door de krijgsraad berechte Duitse soldaat. Jünger brengt die scène vrij klinisch in beeld. Hij is wel aanwezig, maar is vooral met zichzelf bezig en gaat volledig op in zijn "innere Emigration". Van het moment dat de doodsbange jonge soldaat moet aantreden voor het vuurpeloton, onthoudt Jünger het vliegje dat de veroordeelde van zich af tracht te schudden. Dezelfde lichtzinnige afstandelijkheid kenmerkt Jüngers beeld van bezet Parijs. Hem valt vooral de Duitse bewegwijzering op die het grondplan van de stad een nieuwe indeling lijkt te geven. En wanneer Jünger in het gezelschap van een andere Duitse officier de Franse sterren Arletty en Sacha Guitry ontmoet, noteert hij haast kinderlijk naïef: "Naar aanleiding van deze lunch waren zo'n twintig politieagenten in de buurt geposteerd." Kuifje in bezet Frankrijk.

Wie het voeren van oorlog ervaart als een contemplatieve bezigheid, kan het zich uiteraard niet permitteren de feiten onder ogen te zien. Als Jünger tracht te verklaren wat er zich rondom hem afspeelt, weidt hij uit over de natuurwetten en de diepere drijfveren van de menselijke soort. De combinatie van loodzware Duitse ernst, hoogdravende flauwekul en verstilde beschrijvingen heeft tragikomische effecten. Zou hij die onzin nu echt geloven, of houdt hij ons voor de gek? 23 november 1941: "Wanneer men omsingeld wordt en er geen uitweg is, hoort men zich bekend te maken als een oorlogsschip dat zijn vlag hijst." Zie ginds komt de stoomboot uit Duitsland weer aan. Gaandeweg wordt duidelijk dat Jünger zich in zeer weinig onderscheidde van de Duitse officieren uit de legendarische tv-serie Allo allo. Het Parijs dagboek van Ernst Jünger doet nog het meest denken aan The Damned van Luchino Visconti, een film die geheel en al bestaat uit hyperesthetische waanbeelden. Visconti's gewild decadente portret van de opkomst van het Duitse fascisme verzinkt in impressionisme, iets waar ook Jünger zich niet uit kan losmaken. Parijs dagboek ademt de sfeer van de ondergang van de burgerij, met al haar normen en waarden. Te midden van de puinhopen tracht Jünger de aristocratische chic te handhaven, in het volle besef dat het fascisme ook de aristocratie naar het leven staat. Jünger keurde het nazi-regime af, niet uit pacifisme, maar vooral omdat het geen nette heren waren. Het ideaal van de nieuwe fascistische mens had weinig te maken met het Pruisische chauvinisme dat Jünger zo graag etaleerde. Zijn ervaringen als luitenant van het 73e regiment Hanoverse fuseliers op het slachtveld van de Eerste Wereldoorlog vormden een bron van schoonheid. Jüngers dagboek In Stahlgewittern (1920) is een rapsodie van zuiverheid en wapengekletter. Voor Jünger werd de Eerste Wereldoorlog gevoerd door mannen met eergevoel, mannen die loutering zochten in de dood. De strijd bracht Darwins evolutieleer in de praktijk. In het essay Der Kampf als inneres Erlebnis (1922) vergelijkt Jünger de oorlog met de geslachtsdaad en noemt hij haar "ein Naturgesetz". De aristocraat Jünger liep niet hoog weg met de populistische manipulaties van het nazi-regime, hoewel hij altijd gefascineerd bleef door de mythologische leidersfiguur. Het oeuvre van de rechtse, conservatieve Ernst Jünger is getekend door een dubbelzinnige code die nauwelijks te kraken valt. Zijn morele verantwoordelijkheid heeft altijd ter discussie gestaan. Jüngers antwoord was even hardnekkig als aannemelijk: "Nach dem Erdbeben schlägt man auf die Seismographen ein. Man kann jedoch die Barometer nicht für die Taifune büssen lassen, wenn man nicht zu den Primitiven zählen will." Schiet niet op de pianist.

Harold Polis

(Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van 29 mei 2002.)

'Dode bladeren' verschijnt op 6 oktober

  Op 6 oktober verschijnt bij uitgeverij Tristan   Dode bladeren , een boek waaraan ik de afgelopen jaren heb gewerkt. Op het omslag staat ...