maandag 8 december 2008

"Zwaanst na nie!"

(De illustere Jan Schodts met de dames van de VTM-nieuwsdienst. Circa 1989, bij het prille begin van VTM. De zender werd van meet af aan verantwoordelijk gesteld voor de ondergang van het Avondland, afdeling Vlaanderen.)
Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious
Over 'De Seefhoek' in Panorama (BRT) van 17 november 1988.

Dit is een artikel voor wie zich arm maar proper voelt. Naar verluidt ging dat in de late jaren tachtig heel vlot. De kleine man was nog geen domme rechtse klootzak en socialisten deden nog aan klassenstrijd. Marx noemde de club der kleine mannen de Lazaruslaag van de samenleving. Zij waren geknecht, maar zouden hun rechten bevechten en heropstaan. Bij ons kregen de kleine mannen respect en vakantiegeld dankzij vakverenigingen, het sociaal pact en de preken van Jozef Cardijn. En toen kwam Paul Jambers. Hij doste zich uit in Pierre Cardin maar dacht aan Jozef. Jambers was de ongekroonde koning van het programma Panorama. De BRT leed aan duiding (zelfbevlekking die tot hoger bewustzijn leidt) en had geen ervaring met kijkcijfers (zelfbevlekking die het beendermerg wegvreet). Ja, dan Jambers! Hij laafde zich aan rauw realisme en schuwde de controverse niet. Journalistieke ingrepen bleven beperkt tot off-screen inleidingen. De camera liep ook op gênante momenten. En omdat het Vlaamse geweten nooit overuren maakt, kon Jambers de middelmaat in al haar pracht en praal tonen. Hij manipuleerde de kijkers zoals eertijds de landelijk aalmoezenier het gemoed van zijn kajotters bespeelde. Met mededogen en strengheid. Toen Jambers voor zichzelf begon, kerstende zijn camera jan en alleman. Jambers Productions zou in die apostolische ijver zelfs klopjachten houden op de laatste in het wild levende kleine mannen. Gezocht: dokwerkers met een borstvergroting. Het was makkelijk opvallen omdat journalisten nog rammel van de minister kregen bij een te scherpe vraag. Toen Mobutu weer eens enkele dozijnen studenten had laten afknallen op de campus van de universiteit van Lubumbashi, kwam Leo Tindemans in het achtuurjournaal van de BRT ongestoord oreren dat "wij pas kunnen interveniëren zodra de situatie gedecrispeerd is". Een ander berucht Tindemans-in-Congo-citaat vat deze periode krachtig samen: "Lakke lakke bomma patatten met saucissen!" De BRT wekte een doffe, uitgebluste, hopeloze indruk. Bovendien werd de berichtgeving van de openbare omroep algemeen te links bevonden. "BRT weg ermee!", luidde het opschrift van een populaire VNJ-zelfklever uit die jaren. Wanhopige journalisten spraken van het laatste stalinistische bolwerk. Te links of te rechts, te dik of te dun, het liep niet aan de Reyerslaan. Alleen TikTak slaagde erin nieuwe kijkers te ronselen. Onder dit omineuze gesternte begon Jambers aan zijn zegetocht, met als typevoorbeeld zijn Panorama-reportage over de in Millet-jassen gehulde losers op de speelplaats. Iedereen had het gezien (wat moest een mens anders op donderdagavond) en iedereen sprak er schande van. In tegenstelling tot wat velen denken is de meest beruchte Panorama-reportage uit de jaren tachtig echter niet van Paul Jambers, wel van de sigarenrokende Paul Muys. Panorama toonde op 17 november 1988 om 21 uur een reportage van Paul Muys "over de Seefhoek, waar veel Blokkers en migranten wonen". Tijdens dezelfde aflevering liet Jambers vier geslaagde migrantenvrouwen aan het woord. De vermaledijde duiding in optima forma: zowel de cowboys als de indianen in beeld brengen.

Opschudding alom toen een tooghanger uit de Seefhoek de Vlaamse gezinnen schuimbekkend toeriep dat Hitler nog niet zo dom was geweest. Het moest volgens de stem van de Seefhoek maar eens over en uit zijn met de makakse medemens. Vooral het besluit van de tirade bleef de kijkers bij: "Zwaanst na nie!" Bij benadering zou je de kreet kunnen vertalen als 'doe nu niet onnozel'. Dit pleidooi voor gezond verstand verspreidde een ranzige stank, alsof de gore Seefhoekmens een portie in afgekeurde reuzel gebakken friet met mayonaise tegen het scherm had gekwakt. Van Kortrijk tot Wuustwezel had de Vlaming een vuile smaak in de mond. De kreet werd een symbool. Langs de spoorlijn tussen Antwerpen en Breda stond het jarenlang op een paardenhok geschilderd. "Zwaanst na nie!" Vettig Vlaanderen toonde zijn middenvinger.

In het collectieve televisiegeheugen vormt de reportage van Paul Muys een grens. Het Romeinse rijk hield met haar limes woestelingen tegen die de Sabijnse maagdenroof wilden overdoen. De afbrokkeling van de grens luidde het verval van de beschaving in. En zo liep het ogenschijnlijk ook aan het eind van de jaren tachtig. De spectaculaire groei van het Vlaams Blok viel samen met de verkruimelende almacht van de staatszender. Terwijl VTM onze dag begon te kleuren leek het einde van weldenkende televisie nabij (men sprak over het 'verjambersen' van de nieuwsgaring). De barbaren stonden volgens cultuurpessimisten als het ware in de Romeinse fonteinen te pissen. Met enige duiding hadden zij zich wis en zeker op de bril gezet. De ondergang van het avondland werd vaker afgekondigd dan Dallas werd heruitgezonden. Maar zoals de prostaat van François Mitterrand ooit heeft gezegd: "Un con qui avance va toujours plus loin qu'un intellectuel qui reste assis." De duiding legde het af tegen de terreur der knallende champagnekurken. Sindsdien kijkt Vlaanderen verdeeld, zijn de kleine mannen verdacht, hebben ze leiding nodig of moeten ze worden beschermd tegen laagvliegende intellectuelen. De booswicht uit de reportage van Paul Muys bleek achteraf lid van de communistische partij. Hij verpersoonlijkte in zijn eentje de politieke en maatschappelijke ommezwaai aan het eind van de jaren tachtig. Oude zekerheden stonden bij het grof huisvuil. Oude kameraden verlieten de rode stoet en balden de vuisten in dienst van een aangebrand ideaal. "Zwaanst na nie!" kwam als een schok van herkenning en bracht ook geruststelling. Ach, racisme bestond, maar zat verborgen in de riolen van vervallen volksbuurten. Het volstond tandenloze steuntrekkers respect voor andere culturen bij te brengen. En weet je wat, we geven die sukkelaars ook een nieuw straatinterieur. De klap op de vuurpijl was het systeem-Cools. Bob Cools zat in het Antwerpse stadhuis driftig krantenknipsels over criminele 'Zuid-Afrikaanse jongeren' te hamsteren. Hij stuurde ze op naar migrantenverenigingen met de boodschap: doe daar iets aan! Opgeruimd staat netjes. De weg naar de Wetstraat leidt nu eenmaal niet langs de Seefhoek. Anderhalve maand eerder hadden de gemeenteraadsverkiezingen van 9 oktober 1988 een fors aantal proteststemmen opgeleverd. Het Vlaams Blok haalde een landelijke score van 5,3 procent. In de Seefhoek koos zelfs 28,5 procent van de malcontente kleine mannen voor extreem-rechts. Dat was ongezien en vooral onbegrijpelijk. 'Dwarskijker' Willy Courteaux schreef in Humo over de ontluisterende Panorama-reportage: "Geef de laagste sociale klasse iemand op wie zij op hun beurt kunnen neerkijken en ze grijpen de kans met beide handen. Racisme als klassenstrijd van de onderontwikkelden." De geschiedenis heeft ons geleerd hoe afgrondelijk diep de breuklijn is die eind jaren tachtig aan het licht kwam. De gapende kloof heeft alles en iedereen opgeslokt, van Cardijn tot Cools. Zelfs de kleine mannen-epiek van Jambers is vandaag een relict uit vervlogen tijden. Media en politici gedroegen zich toen als zoutpilaren. Ze ondernamen wanhopige pogingen om het kwaad te bezweren. De vaststellingen klopten, maar de oplossingen werden onthaald op een welgemeend "Zwaanst na nie!" Sindsdien hebben we ons bekwaamd in het elkaar signalen geven naar de burger en de politiek toe. De Vlaming is een wandelende gevarendriehoek geworden.

(Deze tekst verscheen eerder in De Morgen van 16 juli 2003.)

Nog steeds gejaagd door de wind


Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious
(Clark Gable en Vivian Leigh. Het is niet duidelijk of ze nu allebei een snor hebben, maar de fantastische kleuren van de kodachrome-opname laten geen ruimte voor twijfel. Dood aan de digitale camera!)

'Frankly, my dear, I don't give a damn'

Clark Gable, alias Rhett Butler, in Gone with the wind (1939)

Ooit had cinema Rubens te Antwerpen het grootste scherm van West-Europa en omstreken. Wie de pech had vooraan te moeten zitten, kwam krankzinnig buiten, verstikt door een beelden- en klankenbrij die alleen met de oersoep te vergelijken was. Spijtig genoeg is de zaal zelf al jaren gone with the wind, gehuurd door katholiek geïnspireerde gekken die hun heil niet in pellicule zoeken, wel bij Jezus. Toen er nog gerechtigheid bestond, draaide wijlen baron Heylen op doodse middagen klassiekers in cinema Rubens. Gone with the wind, met entr'acte en versnapering, want het is een film in twee delen. Sinds de eerste keer dat ik de bizarre klassieker Gone with the wind heb gezien, in cinema Rubens, ben ik eraan verknocht geraakt. Alles wijst erop dat het een opgeblazen kostuumdrama over de Amerikaanse burgeroorlog is en toch verbergt de weldadige kitsch flarden van aan genialiteit grenzende pathos. Zo bevat Gone with the wind de ultieme liefdesscène uit de filmgeschiedenis. Scarlett O'Hara (Vivian Leigh) heeft ten langen leste begrepen dat zij hartstochtelijk van Rhett Butler (Clark Gable) houdt. De laatste heeft zijn bekomst van Scarletts grillen en met de hand aan de deurklink maakt hij een einde aan haar wanhopige liefdesverklaring: "Frankly, my dear, I don't give a damn." Gone with the wind kreeg negen oscars en voor die ene 'damn' ontving producer David O. Selznick een technische boete van 5.000 dollar. De infame Hays-code hield Hollywood in een morele wurggreep. Kussen en vloeken mocht niet. Impliciet racisme en seksisme vormden daarentegen de harde kern van het wereldbeeld dat de Amerikaanse overheidscensuur trachtte veilig te stellen - alleen domme, onderdanige negers waren toegelaten. In Gone with the wind viert het heimwee naar segregatie en zuiverheid hoogtij. Dit epos over de ondergang van een oude wereld, het diepe Zuiden, is een grote lofzang op de verknochtheid aan Blut und Boden. Niets ligt Scarlett O'Hara zo na aan het hart als het bezit van haar Ierse voorvaderen, Tara, een landgoed dat bloeit door blank doorzettingsvermogen, katoenpluk en negerzweet - Johnny Cash noemt het 'elbowgrease'. De schaduw van het verleden geeft er de toekomst vorm. Geen morzel gronds wordt prijsgegeven. Te midden van een ijzingwekkende burgeroorlog en tal van amoureuze stormen blijft er één zekerheid overeind: de majestueuze landerijen van Tara.

De roman Gone with the wind van Margaret Mitchell, een pil van ruim duizend pagina's, verscheen in 1936 en verpulverde de verkooprecords. Vergeleken met de filmbewerking is het boek rauwer. Mitchell getroostte zich veel moeite om de Amerikaanse Secessieoorlog zo nauwkeurig mogelijk weer te geven, gastoptredens van de Ku Klux Klan incluis. Hitler was al met zijn blitz bezig toen de film op 15 december 1939 te Atlanta in première ging. De wreedheden van de oorlog spelen een bijrol in Gone with the wind, wellicht de reden waarom de firma Metro-Goldwyn-Mayer er klauwen vol geld aan verdiende. Want is het een oorlogsfilm of een liefdesfilm? De vraag geldt ook voor een andere klassieker uit die jaren, Everybody comes to Rick's, in januari 1943 uitgebracht als Casablanca. De gelijknamige stad was in de loop van november 1942 ingenomen door de geallieerden, wat voor een wekenlange gratis reclamecampagne zorgde. Door het geile huwelijk tussen marketing en vrouwe geschiedenis moest de firma Warner Brothers extra personeel aannemen om de winst uit te tellen. Een andere gelijkenis tussen beide films zijn de nadrukkelijke clichés. In Casablanca draagt Victor Laszlo (gespeeld door Paul Henreid) het archetypische 'Duitse litteken' op zijn gezicht en meet man aller mannen Humphrey Bogart zich de houding van de laconieke Amerikaan aan. Gone with the wind gaat nog verder en is geheel en al samengesteld uit tics en suikerzoete gemeenplaatsen. Het draagt ertoe bij dat de grote brokken dialoog uit beide films, Casablanca nog iets meer dan Gone with the wind, een plaats hebben gekregen in het collectieve geheugen. Deze twee sentimentele bombardementen in tijden van oorlog hebben hun doel niet gemist. Het grote verschil zit in de esthetiek. Gone with the wind had net zo goed een product van de UFA-studio's kunnen zijn, waar gezonde Arische regisseurs de dienst uitmaakten.

Leni Riefenstahl bijvoorbeeld heeft haar Triumph des Willens altijd verdedigd met strikt esthetische argumenten, waarbij de artistieke benadering losstond van het politieke onderwerp. De documentaire van het grote nazi-congres in 1934 te Neurenberg is meer dan een handboek propaganda. Triumph des Willens bevat nog steeds de bewijzen tot wat een camera in staat is, alles namelijk. Riefenstahl baseerde zich op de traditie van de stomme film, die geen mensen toonde, maar maskers en gezichtsuitdrukkingen vastlegde als waren ze in steen gehouwen. Apollinisch ogende acteurs, letterlijk bewegende beelden, deden met een welgemikte blik het publiek flauwvallen van angst of bedwelming. Triumph des Willens voegt daar de kracht van camerastandpunt en montage aan toe. Het resultaat is een zeldzaam coherente verbeelding van een politiek programma. Riefenstahls documentaire werkelijkheid (staalharde, zuivere nazi's) wijkt niet veel af van de geromantiseerde geschiedenis in Gone with the wind (nationalisme en blanke superioriteit aangelengd met passionele liefde). De sublieme verstandhouding van vorm en inhoud doet ook in Gone with the wind een essentiële fascinatie ontstaan. Hoewel het vijf regisseurs heeft gekost om de film af te maken, is er geen sprake van stijlbreuken. Goede cinema zuigt het merg uit sterfelijke acteurs, tot er alleen schimmen resten die aan ons blijven kleven, en de illusie in de plaats van de werkelijkheid komt. "Het was of ik alle oorlogsfilms die ik ooit had gezien tegelijkertijd beleefde", verklaarde vorige week nog een Britse soldaat na een raid op Basrah. Zoiets. "Frankly, my dear, I don't give a damn." Amerikaanse soldaten schreven het tijdens de Vietnamoorlog op hun vliegtuigbommen.

De acteerprestaties in Gone with the wind zijn afwisselend houterig, smachtend en stom. En dat 222 minuten lang. Clark Gable gaat gebukt onder de nagedachtenis van Rudolf Valentino en de hooghartige oogopslag van Vivian Leigh doet vermoeden dat zij zeer intens Greta Garbo heeft bestudeerd. Maar dat doet het hem nu net, in combinatie met de weidse travelshots, de immense scènes, de vale pasteltinten, de ruisende rokken, de burgerlijke deftigheid, de potsierlijke rechtse moraal en de Hollywood-grandeur, die zelfs de kleinste details besmet. Gone with the wind is het soort film waarin doden netjes doodgaan, niemand naar het toilet gaat of zich van zijn lelijkste kant laat zien. De personages zijn ideeën, eerder dan verschijningen of gebeurtenissen. Ze dwalen rond in een gesloten universum waar iedereen zijn plaats kent en er steeds iemand met een paard klaar staat.

(Deze tekst verscheen eerder in De Morgen van 2 april 2003.)

De Volksunie - 5 en 50 jaar geleden


Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious
(Familieportret van Geert Lambert, Els Van Weert en Bert Anciaux, de voormalige top van de splinterpartij SPIRIT. Steeds op zoek naar een nieuw 'project'.)

'Gezien de verhevenheid van de belangen die bedreigd worden verklaren wij dat stemmen voor de Volksunie in de huidige omstandigheden zwaar zondig is'

Herderlijke brief van bisschop De Smedt (22 mei 1958)

Na ons, de zondvloed - pardon de Volksunie. Er is over wijlen de partij zo veel gezegd dat woorden tekortschieten. Waarom moest die toffe bretellenclub kapot? Waarom toch, Bert? Moeten wij niet lief zijn voor elkaar? Wenen noch vendelzwaaien helpen om het verlies te verwerken en zelfs een voorstelling van poppentheater Bracke brengt geen soelaas. Uit pure wanhoop zoekt een mens dan antwoorden in, onder meer, De gewapende vrede. Politiek in België na 1945, de evergreen van Luc Huyse, een intellectuele potverteerder en dus zeker geen socialist. Huyse maakt op synthetische wijze duidelijk wat voor een ingewikkeld en broos bouwsel België is: "In onze politiek kost koken (marchanderen en arrangeren, koppelen en compenseren) zeer veel geld. Een consensusdemocratie gedijt niet in een zero-sum society." Van grote overschotten is vandaag geen sprake, zodat er evenmin aan de consensus een vette rand zal zitten. Eind jaren vijftig ontstond er een vergelijkbare situatie. De economie deed het niet schitterend en de politiek rolde vechtend over de kasseien, met de ziel van het kind als inzet. Het schoolpact uit 1958 regelde de subsidiëring van het vrije onderwijs en de staatsscholen, maar stelde ook de levensbeschouwelijke tegenstellingen scherp. Bovendien forceerde de socialist Léo Collard een meerderheidsbeslissing, een politieke houdgreep die de zwakke botten van het Belgische bestel deed kraken. De katholieken waren ziedend en trachtten bij de wetgevende verkiezingen van 1 juni 1958 hun gram te halen. Stemmen op de socialisten was voor een christen mens sowieso erger dan sympathie voor Pontius Pilatus - dat zat dus wel goed. Het uitschakelen van de Volksunie was andere koek. De Vlaamsnationale partij knabbelde aan het electoraat van de CVP en die heiligschennis vormde voor bisschop Emiel de Smedt van Brugge een aanleiding om de grote middelen in te zetten. De hemel brak open en God toonde zijn middelvinger. Naar verluidt schaamde De Smedt zich achteraf voor zijn herderlijke brief. Enkele maanden later wijdde hij deemoedig de nieuwe kapel van de IJzertoren in. Zijn brief blijft een van de sterkste getuigenissen van de verstikkende macht die de Vlaamse clerus tot diep in de twintigste eeuw uitoefende. "Wie de genade van het christelijk geloof bezit, weet dat alleen de Paus en de Bisschoppen door God aangesteld zijn om een uitspraak te doen over hetgeen het geweten van de christenen bindt. [...] Daarom verklaren wij dat het in de huidige omstandigheden een zware gewetensplicht is te stemmen voor de CVP." Een geestelijke die vandaag de woorden van De Smedt herhaalt, krijgt geheid een telefonisch aanbod van Karel De Gucht of wordt verdacht van banden met Al-Qaeda. En als Stefaan De Clerck kon klonen, had hij met het DNA van De Smedt een hele kamerlijst gevuld.

De Smedt schoot met een wel erg zwaar kaliber. In 1958 was de Volksunie slecht georganiseerd en verwaarloosbaar. Het duurde tot de winterstakingen tegen de eenheidswet eind 1960 eer de partij uitzicht kreeg op een forse achterban. Het protest tegen de eenheidswet maakte duidelijk hoe sterk Vlaanderen en Wallonië van elkaar verschilden. Automatisch nam het conflict tussen de gemeenschappen vaste vorm aan. Volksunie, Mouvement Populaire Wallon en FDF brachten aardbevingen teweeg in het politieke landschap. De klassieke partijen wilden de angel uit de communautaire problemen halen door ze te 'encommissioneren', maar het systeem sputterde en de consensusdemocratie kreeg nieuwe spelregels. Het unitaire België maakte plaats voor een federale staat waarin gewesten en gemeenschappen elkaar in evenwicht moesten houden.

Tijdens de beeldenstorm van de jaren zestig speelde Emiel de Smedt de rol van enerzijds-anderzijds-katholiek. De tergend dubbelzinnige houding van bisschoppen als De Smedt werkte het tumult rond de Leuvense universiteit in de hand en bracht mee het massale gezagsverlies van de kerk op gang. Nochtans was de bisschop in Vlaams opzicht geen kwade peer. De tijd dat de Franstalige clerus het Vlaamsnationalisme verketterde, lag ver achter hem. Goede Vlamingen moesten gewoon op de CVP stemmen en de rest kwam wel vanzelf. Intussen werd de pluralistische Volksunie de zweeppartij bij uitstek. Her en der staan de leuzen uit die tijd nog op blinde muren gekalkt, net als Mariabeelden stille getuigen van een uitgedoofd geloof. Mijn favoriete exemplaar bevindt zich op de achterkant van het militair hospitaal aan de Antwerpse Boomgaardstraat. VOLKSUNIE. Het staat er in grote, wankele letters. De militant van dienst was zat of zag een combi naderen. Witgekalkt erfgoed. Bescherming is nodig.

Generaties architecten hebben de Belgische bouwput gevuld met opzienbarende bouwsels. Middelpuntvliedende krachten zorgen ervoor dat de bouwsels uit elkaar worden gerukt, tot er alleen nog een kelder rest met archieven en herinneringen - Vlaamse beweging en Volksunie incluis. Dertig jaar staatshervormingen leren dat het proces onomkeerbaar en onstuitbaar is. We hebben hoogstens vat op het tempo en de argumentatie die we aanhouden bij de afbraak van onze deconstructivistische federale consensusdemocratie met constitutionele monarchie. Niemand kon zich in 1958 voorstellen welk een hoge vlucht de federalistische gedachte zou nemen. Het is de historische verdienste van de Volksunie en zijn medestichter Frans van der Elst dat ze de democratie kozen om het confederale nationalisme te promoten. Deze inzet heeft ontzagwekkend meer opgeleverd dan het Vlaamse fascisme dat nog steeds kritiekloos wordt omarmd door de Nelson Mandela's van het Vlaams Blok, degenen die strijden voor ons recht om flauwekul en demagogie als waarheid te verkopen. Hun verdienste is de wind die, één en ondeelbaar, door de bomen waait. En ze zijn niet eens katholiek. Flatulentie heeft navolging gekregen bij democratische politici voor wie het allemaal liefst niet te moeilijk wordt, uit schrik dat de burger het niet meer begrijpt. Het woord 'Europa' bijvoorbeeld is tijdens de kiescampagne alleen gevallen wanneer Ter Zake vroeger moest stoppen vanwege de Champion's league. Het woord 'café' daarentegen ("gaan jullie samen nog op café?") is dankzij de poujadistische drummer Ben Crabbé met stip gestegen. Vooruitgang betekent niet alleen dat wij elektronisch kunnen stemmen, maar ook dat er bij steeds meer gestelde hoofden een druktoets is ingebouwd waarmee op eenvoudig verzoek een hersenlob naar keuze kan worden uitgeschakeld.

Straks, wanneer het geweeklaag en de zegezangen luid weerklinken, zullen we bisschop De Smedt gedenken. Op 18 mei staat ieder van u voor een zeer zware verantwoordelijkheid. De Heilige Geest helpe u bij het vervullen van uw plicht.

(Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van 14 mei 2003.)

donderdag 27 november 2008

Optreden in Brussel: 2 december in boekhandel Passaporta

Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious
Aanstaande dinsdagavond 2 december is Meulenhoff | Manteau te gast bij deBuren, in de reeks 'Uitgever op bezoek'. We praten die avond over de manier waarop het fonds Meulenhoff | Manteau tot stand komt. Het wordt een gesprek over de liefde voor het boek, het geloof in het geschreven woord en de kracht van een goed verhaal, al dan niet verzonnen of naar waarheid verteld. Omdat bij Meulenhoff | Manteau schrijvers belangrijker zijn dan het genre dat ze beoefenen, heb ik Jeroen Theunissen en Pascal Verbeken uitgenodigd om mee aan te schuiven. Jeroen heeft net een nieuwe roman uit, Een vorm van vermoeidheid. Pascal publiceerde vorig jaar Arm Wallonië. Een reis door het beloofde land. Karl van den Broeck, hoofdredacteur van Knack, leidt het gesprek in goede banen. Iedereen is van harte welkom.

Uitgever op bezoek: Meulenhoff | Manteau

Karl van den Broeck in gesprek met Harold Polis, Jeroen Theunissen en Pascal Verbeken

DI 02.12.08 | 20.00 > 21.30
Passa Porta, A. Dansaertstraat 46, 1000 Brussel

€5 - €4 | reserveren
aanbevolen:
T +32(0)2 226 04 54
info@passaporta.be

In samenwerking met Het beschrijf.

zondag 16 november 2008

Kameraad Casanova


Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious
(Portret van Casanova als oude man.)

Staatsgarantie voor de banken? Ach, waarom ook niet. Maar de seksindustrie nationaliseren, daar waagt zelfs de wanhopigste socialist zich niet aan. Nochtans zijn er precedenten. In het Europa van de achttiende eeuw was seks een zaak van staatsraison. De betere klassen beleefden een subcultuur van concubinaat en prostitutie. In een tijd van verstandshuwelijken had het weinig zin om naar romantiek te zoeken. Dus rommelde iedereen vrolijk aan. Sociale mobiliteit dwong je af tussen de lakens. Van Moskou tot Londen strekte zich een netwerk uit van boudoirs en bedgeheimen. Voor een slaapkameratleet als Casanova was het hard werken.

Op het eind van zijn sportieve loopbaan trok Casanova zich terug in het kasteel van een bewonderaar in Noord-Bohemen (het huidige Tsjechië). Daar schreef hij zijn fameuze memoires. Het ongecensureerde manuscript van Histoire de ma vie zou uiteindelijk 12 delen feestplezier opleveren. Casanova’s postume roem was gebaseerd op de vele ingekorte en gemanipuleerde roofdrukken die meer dan een eeuw lang werden verkocht als authentiek document. Na heel wat omzwervingen kwam het manuscript van Histoire de ma vie in handen van de firma Brockhaus, de uitgever van de gelijknamige encyclopedie. Het werk aan de ongecensureerde editie zou pas na de Tweede Wereldoorlog beginnen, nadat het manuscript de geallieerde bombardementen op Leipzig had overleefd.

Casanova lijkt een Don Juan met moreel besef. Die legendarische verleider steelt vrouwenharten op industriële schaal, zonder enig teken van wroeging. Dat was zeker niet de stijl van Casanova, hoewel de vrouwelijke prooien in Histoire de ma vie niet zelden labiel zijn. Dus ja, het Venetiaanse wonderkind maakte wel degelijk misbruik van andermans zwakheden. Maar hij had lief, maakte vervolgens dat hij weg kwam en betaalde (meestal) de rekening. Echte schurkenstreken bewaarde hij voor speciale gelegenheden.

Het oplichten van idioten was volgens Casanova een teken van intelligentie. Een van de meer groteske slachtoffers uit Histoire de ma vie is een excentrieke en goedgelovige Parijse weduwe, madame d'Urfé genaamd. Mevrouw de markiezin wordt een van de minnaressen van Casanova. Zijn verbluffende kennis van occulte onzin en kabbalistiek zal haar ondergang betekenen. Ze draagt Casanova op om uit te vissen hoe ze herboren kan worden in een nieuw lichaam. Uiteindelijk stelt hij madame d'Urfé voor om magisch ceremonieel uit te voeren, zodat ze zichzelf kan bezwangeren en een jongen kan baren die bij de geboorte haar ziel zal overnemen. Dat kwam uiteraard niet goed, maar intussen had Casanova toch enkele keren op haar kosten heen en weer gereisd door Europa.

Casanova was fundamenteel onderweg. Hij kwam overal, kende iedereen, van Voltaire tot Mozart, en stelde al die ervaringen op schrift. Bronnenonderzoek wijst uit dat de Casanova zeer waarheidsgetrouw te werk ging. Zijn blik op de wereld was indrukwekkend ruim, een kwaliteit die hij deelde met de meeste collega’s uit de betere kringen. Het maakt van hem een van de eerste werkelijk Europese schrijvers. Histoire de ma vie, in het Nederlands vertaald door Theo Kars, is een monument van mateloze vrijpostigheid. En dat voor een christelijke vrijmetselaar die zelfbeheersing als de grootste deugd bestempelde.

Harold Polis

(Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van 12 november 2008.)

Achilles en de schildpad


Furl this page

Digg!

(Kasteel Cantecroy in Mortsel. Vruchteloos belegerd tijdens de beeldenstorm, maar nu geknecht door de vergrijzing. Het complex wordt omgebouwd tot luxeserviceflats.)

Over vergrijzing, pensioenen en het verraad van de arbeiders

Zelfs de afgelopen zomer kwamen er in het verstikkende debat over de toekomst van de Belgische federatie nog concrete onderwerpen aan bod. Een artikel van onderzoekers Bea Cantillon, Hendrik Larmuseau en Stijn Lefebure in het Belgisch Tijdschrift voor Sociale Zekerheid deed minister van Pensioenen Marie Arena (PS) in volle zomer naar de grote middelen grijpen. In feite had Cantillon niet meer gedaan dan herhalen wat ze zo vaak heeft gezegd: dat een groot deel van de gepensioneerde Belgen het in toenemende mate moeilijk krijgt. De minister kwam prompt met een vijfjarenplan aanzetten, dat op aloude wijze moest bewijzen hoe stevig de staat de teugels wel in handen had.
De vaststelling die Cantillon cum suis doet, op basis van haar diachroon en voorspellend onderzoek, is van een glasheldere onverzettelijkheid die naar adem doet happen. ‘Indien het beleid een adequate eerste pijlerpensioen ambieert is de tijd tot handelen beperkt.’ De meervoudige beleidsstrategie die ten tijde van het Generatiepact is ontworpen, volstaat niet meer om de fundamentele verschraling van het wettelijke pensioen te keren. Bovendien vallen de economische vooruitzichten tegen en gaat het met de noodzakelijke begrotingsoverschotten de verkeerde richting uit. Onder meer kamervoorzitter Herman Van Rompuy hamerde tijdens zijn oppositiejaren op het gevaar van een verzwakking van het fameuze primaire saldo (het begrotingssaldo zonder interestlast). De feiten, zoals ze bijvoorbeeld genoteerd zijn in het jaarrapport van de Studiecommissie voor de vergrijzing, tonen dat er tijd verloren is gegaan bij het voorfinancieren van toekomstige kosten. We zullen dus binnenkort wat krap zitten.
Ingrijpender is de keuze die wordt gemaakt door niet te handelen. Zelfs wie de paarse jaren het ergste vindt sinds de doortocht van de hertog van Alva, zal moeten bekennen dat anderhalf jaar steggelen aan de hand van synoptische tabellen niet meteen een helder plan heeft opgeleverd, laat staan tot daden heeft geleid. Cantillon wijst op de stilzwijgende aanvaarding van het universeel pensioen. Als het wettelijke pensioen niet voldoende welvaart garandeert en de tussentijdse beleidscorrecties vooral de pensioenen bevorderen van mensen die geen volle loopbaan hebben gehad, dan eindigen we straks allen met een eenheidspensioen. Dat leidt tot een absolute gelijkheid die de ongelijkheid vergroot en de solidariteit fundamenteel onder druk zet. ‘Als Achilles sneller loopt dan de schildpad, dan haalt Achilles op een gegeven moment de schildpad bij’, besluit Cantillon. De paradoxale benadering van de pensioenen wordt inderdaad ingehaald door de werkelijkheid. Maar er is nog een andere interpretatie van de paradoxen die toegeschreven zijn aan Zeno van Elea, met name dat het verdelen van een probleem in deelproblemen niet altijd zorgt voor een oplossing die getuigt van gezond verstand.
Uiteraard is er een aantal kanttekeningen te maken bij de herhaalde klacht van Cantillon. Het blijft heel moeilijk, zo niet onmogelijk, om nauwkeurig te bepalen wat het werkelijke vermogen van de gepensioneerde Belg is. Die hoeft niet uitsluitend te betrouwen op zijn deel van het repartitiestelsel of op de uitbetaling van zijn verzekering. Meestal is hij eigenaar van zijn huis, heeft hij nog andere onroerende bezittingen of houdt hij er beleggingen op na. En, niet te vergeten, hij heeft aan pensioensparen gedaan. Dat ‘grijze’ vermogen is velen een doorn in het oog. Nog niet zo lang geleden zat een behoorlijk deel van dat geld in Luxemburg, buiten bereik van de Belgische fiscus. Dankzij de fiscale amnestie zijn er aanzienlijke kapitalen gerepatrieerd. En bovendien is de couponnetjestrein een anachronisme geworden. Vanaf 1 januari van dit jaar morgen er geen papieren effecten meer worden geleverd. Eind 2013 moeten de laatste papieren effecten bij de bank worden gedeponeerd. Al dat spaargeld maakt mee onze welvaart mogelijk en houdt voor velen ook de oude dag betaalbaar. De pleidooien om die inkomsten uit kapitaal zwaarder te belasten, komen echter meestal van dezelfde politici die vinden dat de wettelijke pensioenen fundamenteel omhoog moeten of die ambtenarenpensioenen onaantastbaar achten. Naast het feit dat het beheer van ons pensioenstelsel en de financiering ervan een haast mystieke moeilijkheidsgraad bereiken, valt het op hoe schizofreen we wel niet over dat pensioen denken. Tot een volksopstand zal het gewis niet komen, maar de meeste mensen bereiden in stilte naarstig een oplossing voor.
Het is bovendien niet al goud dat blinkt. De aanwijsbare toename van het aantal verarmde gepensioneerden terugbrengen tot inkomensarmoede strookt niet met de werkelijkheid. Eenzaamheid, isolement en gezondheidsproblemen vormen een niet te onderschatten factor. Volgens de klassieke definitie van Jan Vranken is armoede een netwerk van sociale uitsluitingen dat meerdere aspecten van het individuele en collectieve bestaan behelst. Armen staan naast de samenleving en kunnen die kloof niet op eigen kracht overbruggen. Dat is helaas ook het lot van steeds meer ouderen.
Terwijl het communautaire schimmenspel in alle nutteloosheid voortwoedt, blijft de vergrijzing als politiek thema slechts een anekdote, een uit te werken doelstelling en de allocatie van wat bij elkaar geschraapte middelen. Nochtans is net die vergrijzing, als symbool van een kantelende maatschappij, essentiëler voor ons dan het confederalisme sui generis, de hervorming van de beruchte financieringswet of de worsteling met een op negentiende-eeuws idealisme gebaseerde nationalistische heilsdroom. De gevolgen van de vergrijzing laten zich niets gelegen aan rang, taal, afkomst of vermogen. Het is een geruisloze storm die bij zijn doortocht niets onberoerd laat, en die het uitzicht van onze samenleving fundamenteel verandert.

Rond 1900 had een Belgische man bij zijn geboorte een levensverwachting van 45 jaar. De Pensioenkassen functioneerden op primitieve wijze. Medische zorgen waren eerder rudimentair. De dood was alomtegenwoordig, niet het minst omdat de werkmens labeurde en zijn lichaam daar de tekenen van droeg. Aftakeling door arbeid was niet minder vanzelfsprekend dan het ultieme afscheid, en werd door velen ervaren als een onderscheiding. Bij gebrek aan bezittingen, kennis of uitzicht op een gesofisticeerder leven, probeerden mensen hun lot te aanvaarden. En voor wie zich weigerde neer te leggen bij de omstandigheden, was de sociale mobiliteit nog een echte droom – en één die het waard was om gekoesterd te worden.
Het verschil met vandaag kan niet groter zijn, althans in het Westen. In grote delen van de wereld, en vooral daar waar mensen zeer goed beseffen wat het leven op het scherp van het zwaard betekent, is de drang om vooruit te komen immens. De tijdelijke surseance van de Europese Unie heeft ook gedeeltelijk met dat verschil in ritmiek te maken, namelijk dat wij de toevloed van op ambitie en overlevingsdrang gerichte migranten niet aankunnen. Zij confronteren ons immers onder meer met onze eigen lusteloosheid (de nieuwste welvaartsziekte heet bore-out) en brengen ons in herinnering dat verworven rechten geen eeuwigheid meegaan. De sektarische vreemdelingenhaat die sinds de jaren tachtig politiek wordt uitgebuit, heeft in verschillende opzichten tot bewustzijnsvernauwing geleid.
De recente problemen naar aanleiding van de bouw van een grote moskee in Keulen vormen hiervan een prachtig voorbeeld. De anti-islamlobby had midden september verzamelen geblazen om de Keulse schande aan te klagen; onder meer Filip Dewinter zou de Keulse malcontenten toespreken. Prompt werd een aanzienlijke tegenbetoging georganiseerd, mede door extreem links, waarbij ideologisch gedrilde atheïsten dus voor de bouw van een tempel vochten, voornamelijk omdat die ene monotheïstische godsdienst, de islam, niet goed ligt bij blanke, christelijk geïnspireerde extremisten.
Dit soort conflicten is in de loop der jaren zowel folkloristischer geworden als platvloerser. We zijn bang voor wat ‘de vreemdeling’ ons zal ontnemen: een dochter, geld, onze job, onze cultuur. Maar nog meer schrik hebben we voor wat hij durft en kan: thuis weggaan, onder de prijs werken, zijn leven riskeren. Terwijl de autochtone samenleving zich verliest in ahistorisch hedonisme en er doelloos ‘voor wil gaan’, zijn het eerder de migranten die voeling met de geschiedenis hebben behouden en daar ook naar handelen. Iemand die tweeduizend kilometer ver rijdt om, gewapend met een toeristenvisum, drie maanden lang in het zwart muren te stuken, heeft een net iets scherper gevoel voor urgentie dan iemand die ertegenop ziet om (met een volledig terugbetaald treinabonnement) naar Brussel te pendelen. Ook in dit geval loopt Achilles sneller dan de schildpad.

Het is een hele opgave om een totaalaanpak van de vergrijzing te ontwikkelen. Dit komt onder meer omdat we nog volop bezig zijn met het opmeten van de omvang van het probleem. Stilaan komt er ook een stroom publicaties op gang die, niet altijd even sterk gedocumenteerd, dieper ingaan op de maatschappelijke consequenties van grijs. In Hoe de wereld verandert doordat wij steeds ouder worden van Hervé Juvin bijvoorbeeld wordt er een metafysica van de vergrijzing geschetst. Juvin, die bijwijlen toch wel heel sterk beïnvloed lijkt door de transcendente antropo-sociologische gedachten van zijn inspirator Marcel Gauchet, fixeert zijn boek rond de almacht die de westerse mens toedicht aan zijn lichaam, het momentane, het tactiele, het nu. Het komt er dan eigenlijk op neer dat het opschuiven van onze leeftijdsgrens ook een kentering heeft teweeggebracht in onze maatschappelijke, ethische en religieuze overtuigingen. Want ja, wat moet je in godsnaam met die 80 of meer jaren aanvangen? Een eeuw geleden had de gemiddelde man het wel even makkelijker. Eeuwige trouw zweren aan een vrouw was bijvoorbeeld niet zo moeilijk, omdat je doorgaans toch jong stierf. ‘De gemiddelde Fransman,’ zo schrijft Juvin, ‘heeft langer een relatie met zijn bank dan met zijn vrouw.’ Het is misschien sociologie van de koude grond, maar onwaar is het allerminst. Even scherp zijn Juvins notities bij de vernietiging van kapitaal door op welbehagen en luxe gerichte bejaarden. De cultus van het eeuwig jonge lichaam, de in te halen verloren tijd en de commerciële angst voor de dood doen erfenissen smelten als ijs voor de zon. Maar ook hier geeft de leeftijd de doorslag: ze worden zo oud, meneer!
Juvin gaat het verband tussen vergrijzing en politiek niet uit de weg. Het oude Europa is daardoor van nature behoudsgezind en inert, wat Juvin tot een cruciaal inzicht brengt: ‘Er is voor ons meer te bewaren dan op te bouwen, meer te beschermen dan te veroveren. […] Dat zou wel eens het einde van de democratie kunnen betekenen, omdat mensen het idee is afgenomen dat je als individu een stempel kunt drukken op collectieve vooruitgang, terwijl geen enkele vorm van vooruitgang meer mag ingrijpen in individuele levenskeuzen.’ Tja, vooruitgang en solidariteit, wie lust dat nog? Vorige eeuw waren die begrippen verpakt in ideologisch onderscheiden politieke bewegingen. Vandaag echter hebben die klassieke partijen hun mobiliserende kracht grotendeels verloren en verkoopt zowat iedereen hetzelfde politieke product.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat in heel Europa net die partijen afbrokkelen waarvan het programma het minst kameleontisch is. In het beste geval is die kameleontische politiek een pragmatisch en probleemoplossend antwoord op de versie van de ‘vloeibare moderniteit’ die Zygmunt Bauman heeft beschreven: de chaotische moderniteit, algehele ambivalentie, toegenomen onzekerheden. In het slechtste geval gaat het om kortzichtige machtspolitiek die even sterk op het behoud van de eigen posities is gericht als de intuïtieve vraag van de kiezer. Op dit moment in de geschiedenis hebben de linkse partijen in Europa zich het slechtst voorbereid om de ‘vloeibare moderniteit’ aan te pakken, terwijl thema’s als vergrijzing, solidariteit en sociale mobiliteit van oudsher tot hun kerntaken behoorden. Wellicht ervaren we eindelijk het definitieve afscheid van wat sinds de Franse Revolutie de klassieke links-rechtstegenstelling is geweest. De Franse president Sarkozy is het symbool van die omkering van de waarden. Hij gebruikt links sinds zijn aantreden als een reservoir van ideeën, mensen en gezagsargumenten waar hij vrijelijk uit put om zijn politieke doelstellingen te bereiken. In een bepalend artikel in Newsweek werd de huidige generatie socialistische politici dan ook niet onterecht omschreven als ‘the lame left’: ‘But the biggest dilemma is that most parties on the left have not figured out how to adapt their old welfare-statist ideologies to modern economic realities – while appealing to voters who see modern reform as a betrayal of their parties' traditional socialist ideals, and who often have more-extreme left-wing parties to turn to.’
Misschien is die fundamentele breuk veel vroeger opgetreden, in België op Zwarte Zondag 24 november 1991 bijvoorbeeld. In Farewell to the Leftist Working Class geven Dick Houtman, Peter Achterberg en Anton Derks de definitieve diagnose van een maatschappelijke trauma dat zo diep dat het al bijna twintig jaar de politiek verziekt. ‘De arbeider’ beseft dat zijn sociale rechten uitgehold worden en niet meer overeenkomen met zijn persoonlijke verdienste. Hoe universeler die rechten worden, zoals het pensioen, hoe meer mensen worden aangespoord om strenger te oordelen over ‘het profitariaat’: de mensen en structuren die oneerlijk gebruik lijken te maken van gemeenschapsgeld. En de arbeider, hij stemde rechts, omdat hij vond dat hij niet anders kon.

Harold Polis

(Dit stuk verscheen eerder in Streven van november 2008.)


Bronnen

Bea Cantillon, Hendrik Larmuseau en Stijn Lefebure, ‘Armoede en welvaart bij Belgische ouderen: vooruitzichten bij het pensioenbeleid’, in Belgisch Tijdschrift voor Sociale Zekerheid, jrg. 49 (2007), nr. 4, p. 793-811.
Dick Houtman, Peter Achterberg en Anton Derks, Farewell to the Leftist Working Class, Transaction Publishers, Edison, 2008.
Hervé Juvin, Hoe de wereld verandert doordat wij steeds ouder worden, Meulenhoff, Amsterdam, 2008.
Stefan Theil, ‘The New Low Lights On The Left. Europe may have the weakest roster of social democratic leaders in a generation’, in Newsweek, 13 september 2008.

Demografische gegevens vind je terug op de site van het Nationaal Instituut voor de Statistiek: http://www.statbel.fgov.be/

vrijdag 31 oktober 2008

'Het literatuurloze universum' wint de CELT-prijs

Furl this page
De prijs voor het beste Vlaamse tijdschriftartikel van 2008 gaat naar 'Het literatuurloze universum', een tekst die ik dit jaar heb geschreven voor het tijdschrift Deux ex Machina.

Deze zeer eerbiedwaardige prijskamp wordt georganiseerd door het weekblad Knack en CeLT vzw, de vereniging van de Culturele en Literaire Tijdschriften uit Vlaanderen.

'Het literatuurloze universum' verschijnt in Boek 08 van Knack. Op vrijdag 7 november, tijdens de Knack-dag op de Boekenbeurs, wordt de prijs 'uitgereikt'.

Dit heuglijke nieuws zorgt alleszins voor dat ik voor het eerst op deze blog een bericht durf te posten dat uitdrukkelijk in de ik-persoon is geschreven, en niet als klassieke, autonome tekst is opgevat. Ik ben er de jury zeer dankbaar voor dat ze me geholpen hebben mijn schroom te overwinnen. Maar goed, omdat ik me morgen niet minder blauw zal ergeren aan het egotistische gezwets van web 2.0-gebruikers, zal ik die ik-persoon met mate blijven gebruiken.

Mijn grote dank ook aan Kris Lauwerys, redacteur van Deus ex Machina, aan wie ik exact een jaar geleden voorstelde om een tekst te schrijven op basis van een lezing van me over digitalisering en literatuur. Tot mijn grote verbazing zei Kris ja. De opdracht voor die lezing heb ik dan weer te danken aan Koen Broucke, de organisator van de Nottebohmlezingen in de Antwerpse Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience. En zeer zeker gaat mijn grote dank ook uit naar Bart van Loo die de lezing bijwoonde en me er achteraf van overtuigde de tekst voor te leggen aan zijn goede vriend Kris Lauwerys.

Het bewerken van die ene lezing is toen gruwelijk uit de hand gelopen. Enkele maanden lang heb ik capita selecta uit de immense bibliotheek over digitalisering bestudeerd, alle mogelijke blogs en sites bezocht, talloze boeken gekocht etc. Om die nuttige bijscholing af te ronden, heb ik toen besloten te doen wat ik, als analoge angsthaas, tot dan had geweigerd: een blog maken, Motoronderhoud genaamd.

Ik had het niet voor mogelijk gehouden dat er in de loop van dat ene jaar zoveel zou veranderen in de analoge boekenwereld. En toch is het zover: niemand trekt nog in twijfel dat er een markt zal ontstaan voor innovatieve producten als e-books en de bijhorende e-readers. Ook niet in het boekenvak, bij de mensen die het papier vuil maken. Die revolutie zet alles op losse schroeven; van auteur tot boekverkoper, iedereen zal zich een nieuwe rol moeten toeëigenen (en dat is het juiste werkwoord, want vanzelf zal het niet gaan). Het boek zal niet het kind van de rekening worden als we erin slagen ons gebrek aan kennis over web 2.0 weg te werken. Digitale angst, intellectueel nihilisme en gecultiveerde domheid hebben geen enkele zin meer. We gaan zeer boeiende en turbulente tijden tegemoet.

Brief aan Pascal Chabot

Beste Pascal Chabot , Met veel plezier heb ik uw nieuwe boek Avoir le temps. Essai de chronosophie (Puf) gelezen. Ik raad het iedereen aa...