woensdag 19 maart 2008

Lof van het e-book

(Ziehier de schrik van orthodox-analoge inboorlingen: de iLiad Reader.)

‘Ik wil gaan spreken van gedaanten die in nieuwe werden veranderd.’ Zo beginnen de Metamorphosen van Ovidius, een epos dat de Romeinse poeta laureata Ovidius schreef als jonge veertiger. Onlangs herlas ik fragmenten van de Engelse vertaling van de Metamorphosen op een exemplaar van de iLiad Reader, een van de bekendste boekenreaders van het moment. De vertaling was dan weer gedownload op de site Internet Archive (www.archive.org), een kolossale vergaarbak van tekst en beeld. Alleen al via het Open-Access tekstarchief van die site heb je gratis toegang tot ruim 361.000 bestanden. Een peulschil in vergelijking met de Borgesiaanse wereldbibliotheek die momenteel wordt opgebouwd via Google Book Search. Vorig jaar nog maakte Sylvia van Peteghem van de Universiteitsbibliotheek Gent een afspraak met Google om 300.000 rechtenvrije Frans- en Nederlandstalige boeken tegen 2010 online te zetten.

Een dichtbundel van 642 euro

We zitten midden in een duizelingwekkende culturele omwenteling vol paradoxen. Niet eerder in de geschiedenis kon je zo makkelijk zoveel informatie vergaren. Met één klik tover je de Metamorphosen op je scherm. Maar als gebruiker van massamedia word je steeds enthousiaster behandeld als een twaalfjarige randdebiel die net zijn eerste
lobotomie achter de rug heeft. De digitalisering zelf raast sinds de jaren negentig als een permanente revolutie de wereld rond. Hoewel de dotcombubbel miljarden euro’s kapitaal heeft vernietigd, is de digitale zendingsdrang onverkort heftig. Maar zolang een toestel als de iLiad Reader 642 euro kost, blijft de digitale revolutie een bron van nieuwe sociale ongelijkheden. Boekhandelaar Selexyz Donner in Rotterdam had er eind 2007 ruim 150 verkocht. 150 stuks. Het lijkt wel een dichtbundel.

Ten tijde van Ovidius hadden de Metamorphosen een omvang van vijftien perkamentrollen. Er was slechts een gering aantal exemplaren in omloop. Het epos werd meer voorgedragen dan gelezen. Bovendien bezat het publiek voldoende parate kennis om de talloze literaire verwijzingen te begrijpen. De iLiad Reader is in alles de tegenpool van de perkamentrol. Het ebook is onstoffelijk, oneindig vermenigvuldigbaar en ultiem vergankelijk. Nog niet zo lang geleden inspireerde de verzuring en desintegratie van de boeken uit de periode 1850-1950 ons tot een planetaire angstpsychose. Dat is allang passé. Halsoverkop worden archieven en bibliotheken integraal gescand. De vergetelheid heeft een andere vorm aangenomen, Ovidius achterna.

Het einde van de oude taalcultuur

Het niet-gedigitaliseerde deel van onze geschiedenis lijkt voorgoed verloren. De omgangsvormen, de smaak en de ambitie van de renaissance kun je niet downloaden. Terwijl net die culturele ijkpunten ruim vier eeuwen lang ons beeld van de wereld hebben bepaald. ‘We staan op het punt om afscheid te nemen van de oude taalcultuur’, schrijft de Leuvense hoogleraar Nederlandse taalkunde Joop van de Horst in De toekomst van het Nederlands, een boek dat onlangs verscheen ter gelegenheid van het 75-jarig jubileum van het Genootschap Onze Taal. Wellicht vormen wij de laatste generatie die zo sterk de nadruk legt op geschreven taal, op een eenduidig spellingbeleid, op het onovertroffen belang van lezen en schrijven als culturele waarden, op de bescherming van onze taal tegen ‘vreemde invloeden’. Dat laatste zou ons alvast verlossen van de Vlaams-nationale taalkramp die nog steeds door zovelen vol overgave wordt beleefd.

Nog heel even is het e-book een vreemde vogel in het reservaat van de letteren. Nog heel even. Is het eerste deel van het deeg geheiligd, dan ook de rest, schreef de apostel Paulus. En zo zal het ook met het e-book gaan. Uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep bracht bij haar veertigjarig bestaan in 2002 een uitzonderlijk mooi verzorgde jubileumeditie van de Metamorphosen uit. Steunkleur in het binnenwerk. Zilver op snee. Met linnen beklede cassette. Niemand kan dit object weerstaan. Maar ik wil Ovidius ook op het scherm lezen. Meer nog, ik wil het volledige corpus klassieke Griekse en Romeinse teksten permanent kunnen raadplegen, zelfs in vertaling. En de onlineversies van dertig of wat binnen- en buitenlandse kranten. De droom van een voor iedereen toegankelijke en betaalbare totaalbibliotheek is te aantrekkelijk om niet na te streven.

De menselijke kennis is haast volledig geoutsourcet. Moet je nog wel iets kennen? Bij voorkeur wel, maar je moet vooral kunnen zoeken. Elke mens heeft in 2007 gemiddeld 45 gigabyte aan digitale informatie gegenereerd. De informatieberg is eenvoudigweg niet meer beheersbaar. Laat staan dat je nog in staat zou zijn de rozen op de mestvaalt op te merken. Zo ontstaat er informatiestress en organiseert de domheid zichzelf. Vooruitgangsutopisme is een slechte raadgever. Net als de papieren bibliotheek is het e-book een welkom verlengstuk van onszelf. Maar vergeet niet te lezen.

Harold Polis

(Deze tekst verscheen eerder in De Morgen van 19 maart 2008.)

zondag 9 maart 2008

Ernst Jünger - Parijs Dagboek 1941-1942


(Ernst Jünger vluchtte als tiener uit het ouderlijke Heidelberg en nam dienst in het Franse vreemdelingenlegioen. Op de foto hiernaast staat hij geportretteerd in zijn uniform van légionnaire. Beide wereldoorlogen maakte hij mee als Duits militair.)

Slecht taalgebruik leidt tot fascisme, heeft Karl Kraus ooit beweerd. Klinkt goed, maar slaat nergens op. Zo is het Vlaams Blok Magazine hopeloos tendentieus, maar zeker niet erbarmelijk geschreven. Het antidemocratische Vlaams-nationalisme telde heel wat afgestudeerde germanisten, August Borms op kop, die in correct Nederlands over de schreef gingen. En van een poujadist als Pim Fortuyn kon je veel zeggen, behalve dat hij zijn taal niet kende. Vormelijke argumenten volstaan niet om greep te krijgen op extremisme. Als slecht taalgebruik ergens toe leidt, dan wel tot verwarring, ergernis en wansmaak. Dient een palliatieve filter om tabaksrook moreel verantwoord te maken, het geweten van moraalridders te sussen of ondraaglijk zieke mensen bij te staan? Gelukkig is er nog de literatuur, die schitterende vrijplaats waar kromspraak nog iets betekent. Vermaarde kromspraakkundigen als Céline of Pound hebben zich echter bezoedeld door een onsportieve houding aan te nemen tegenover de medemens en de democratie. Ook Ernst Jünger is zo iemand geweest. Schrijven fascistische literatoren literatuur? Of doen ze aan politiek? En volstaat de overtuiging van een schrijver om zijn werk op ethische gronden af te keuren? Als u drie keer ja antwoordt, ga naar de beursberichten. Als u twijfelt, lees verder. Ernst Jünger bezat de gave om veel te zeggen met weinig woorden. Met zakelijke beknoptheid had dit weinig te maken. Eerder dan het leven zoals het leven is te beschrijven, benaderde hij de innerlijke werkelijkheid van mensen en dingen als iets dat op zichzelf stond. Veel zeggen met weinig woorden betekende in Jüngers geval het belijden van zijn particuliere theologie. Hij verkocht graag wind. Vooral zijn dagboeken over de Tweede Wereldoorlog tonen het overdreven belang dat Jünger hecht aan zijn statische wereldbeeld. Terwijl de wereld ten onder gaat, kiest Jünger voor een strategische terugtocht naar zijn mythische innerlijke werkelijkheid. Hij beschouwt. Op 18 november 1941 noteert hij: "Wat ons het diepst bezighoudt, onttrekt zich aan communicatie, en zelfs aan de eigen waarneming." Volgens Jünger bestaat er een dimensie van de werkelijkheid waar de mens geen vat op heeft. Die irrationaliteit is de grond van het bestaan. Hoe nauwkeuriger een schrijver de tastbare werkelijkheid hiermee contrasteert, hoe dichter hij tot de kern van de waarheid doordringt. 25 oktober 1941: "De woorden zouden net als de atomen een kern kunnen bevatten waar ze omheen wentelen, een kern die men niet mag aanraken, wil men geen naamloze krachten vrijmaken."

Jünger is op zijn sterkst als leerling-tovenaar die ziet wat wij niet zien, diepzinnige commentaar leverend bij het pittoreske panorama van Parijs. Zijn aandacht gaat uit naar architectuur, monumenten, historische steenhopen, het roemrijke verleden. Onschuldige toeristische bespiegelingen, ware het niet dat Jünger deel uitmaakt van de Duitse bezettingsmacht en werkt bij het kabinet van het militaire oppercommando. Dit detail zorgt voor vervelende situaties, bijvoorbeeld wanneer Jünger assistentie moet verlenen bij de executie van een door de krijgsraad berechte Duitse soldaat. Jünger brengt die scène vrij klinisch in beeld. Hij is wel aanwezig, maar is vooral met zichzelf bezig en gaat volledig op in zijn "innere Emigration". Van het moment dat de doodsbange jonge soldaat moet aantreden voor het vuurpeloton, onthoudt Jünger het vliegje dat de veroordeelde van zich af tracht te schudden. Dezelfde lichtzinnige afstandelijkheid kenmerkt Jüngers beeld van bezet Parijs. Hem valt vooral de Duitse bewegwijzering op die het grondplan van de stad een nieuwe indeling lijkt te geven. En wanneer Jünger in het gezelschap van een andere Duitse officier de Franse sterren Arletty en Sacha Guitry ontmoet, noteert hij haast kinderlijk naïef: "Naar aanleiding van deze lunch waren zo'n twintig politieagenten in de buurt geposteerd." Kuifje in bezet Frankrijk.

Wie het voeren van oorlog ervaart als een contemplatieve bezigheid, kan het zich uiteraard niet permitteren de feiten onder ogen te zien. Als Jünger tracht te verklaren wat er zich rondom hem afspeelt, weidt hij uit over de natuurwetten en de diepere drijfveren van de menselijke soort. De combinatie van loodzware Duitse ernst, hoogdravende flauwekul en verstilde beschrijvingen heeft tragikomische effecten. Zou hij die onzin nu echt geloven, of houdt hij ons voor de gek? 23 november 1941: "Wanneer men omsingeld wordt en er geen uitweg is, hoort men zich bekend te maken als een oorlogsschip dat zijn vlag hijst." Zie ginds komt de stoomboot uit Duitsland weer aan. Gaandeweg wordt duidelijk dat Jünger zich in zeer weinig onderscheidde van de Duitse officieren uit de legendarische tv-serie Allo allo. Het Parijs dagboek van Ernst Jünger doet nog het meest denken aan The Damned van Luchino Visconti, een film die geheel en al bestaat uit hyperesthetische waanbeelden. Visconti's gewild decadente portret van de opkomst van het Duitse fascisme verzinkt in impressionisme, iets waar ook Jünger zich niet uit kan losmaken. Parijs dagboek ademt de sfeer van de ondergang van de burgerij, met al haar normen en waarden. Te midden van de puinhopen tracht Jünger de aristocratische chic te handhaven, in het volle besef dat het fascisme ook de aristocratie naar het leven staat. Jünger keurde het nazi-regime af, niet uit pacifisme, maar vooral omdat het geen nette heren waren. Het ideaal van de nieuwe fascistische mens had weinig te maken met het Pruisische chauvinisme dat Jünger zo graag etaleerde. Zijn ervaringen als luitenant van het 73e regiment Hanoverse fuseliers op het slachtveld van de Eerste Wereldoorlog vormden een bron van schoonheid. Jüngers dagboek In Stahlgewittern (1920) is een rapsodie van zuiverheid en wapengekletter. Voor Jünger werd de Eerste Wereldoorlog gevoerd door mannen met eergevoel, mannen die loutering zochten in de dood. De strijd bracht Darwins evolutieleer in de praktijk. In het essay Der Kampf als inneres Erlebnis (1922) vergelijkt Jünger de oorlog met de geslachtsdaad en noemt hij haar "ein Naturgesetz". De aristocraat Jünger liep niet hoog weg met de populistische manipulaties van het nazi-regime, hoewel hij altijd gefascineerd bleef door de mythologische leidersfiguur. Het oeuvre van de rechtse, conservatieve Ernst Jünger is getekend door een dubbelzinnige code die nauwelijks te kraken valt. Zijn morele verantwoordelijkheid heeft altijd ter discussie gestaan. Jüngers antwoord was even hardnekkig als aannemelijk: "Nach dem Erdbeben schlägt man auf die Seismographen ein. Man kann jedoch die Barometer nicht für die Taifune büssen lassen, wenn man nicht zu den Primitiven zählen will." Schiet niet op de pianist.

Harold Polis

(Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van 29 mei 2002.)

zondag 2 maart 2008

Voor een paar negers meer (over Emile Vandervelde)


(Emile Vandervelde en Hendrik de Man, jaren twintig.)

Afgrijzen en wroeging zijn niet langer ons deel wanneer het Belgische koloniale palmares ter sprake komt. We hebben bekend dat we Lumumba een beetje hebben vermoord. We hebben er een beetje voor gezorgd dat Umicore, het vroegere Union Minière, de Kongolese burgeroorlog een beetje minder aanwakkert door niet meer illegaal in coltan te handelen. Wanneer de vulkaan Nyiragongo de stad Goma in de as legt en vierhonderdduizend (400.000) mensen op de vlucht jaagt, sturen we een defecte C130 met een beetje hulp. De Belgische regering is niet zo'n heel klein beetje trots Kabila junior een vriend te noemen, ook al is het een door nepotisme aan het bewind gebrachte dictator die toch een beetje de mensenrechten aan zijn laars lapt.

Honderd jaar geleden was er van beetjes geen sprake. Leopold II zoog zijn Kongo Vrijstaat leeg tot de wilde rubberplant even zeldzaam was als de dodo. De inlandse bevolking onderging de ellende als een aftelrijm. Leopolds dictatuur hield op in 1908. Toen waren ze met ruim acht miljoen minder. Een cijfer dat nog veel hoger lag als men de overblijvers telde bij handopsteking.

Op 20 augustus 1908 keurde de Kamer van Volksvertegenwoordigers de annexatie van Leopolds Kongo Vrijstaat goed. In ruil voor kwijtschelding van de gigantische sommen die België aan zijn vorst had geleend, mocht de staat zich eigenaar noemen van de meest rendabele Afrikaanse kolonie. Emile Vandervelde, eminent kamerlid en socialistisch voorman, trok eind juli met de pakketboot naar Kongo. Hij wilde zich ervan vergewissen of België geen kat in de zak kocht. Een rubberkolonie was een mooi ding, maar de prille, voornamelijk Britse mensenrechtenbeweging had de publieke opinie ervan overtuigd dat rubber mensenlevens kostte. Met zijn dagboek wou Vandervelde de zin van een goed koloniaal bewind aantonen en de Belgen geruststellen. "Je crois bien", schreef hij, "qu'on oubliait de donner la chicotte aux travailleurs noirs, pendant les séjours que nous faisions dans les postes." La chicotte, de bullepees, was het ware nationale symbool van Kongo Vrijstaat. Nu de Belgische staat de macht overnam, zou alles beter worden, menselijker, beschaafder. Vandervelde stelde zich op als een gematigd pragmaticus. Mede daardoor kreeg hij in Adam Hochschilds boek over Leopold II de rol van verlichte politicus. Iemand die zich het lot van de zwarte aantrok. Les derniers jours de l'Etat du Congo brengt echter aan het licht dat Vanderveldes ruimdenkendheid even breed of smal was als de brutomarge van Belgiës handelsbalans.

De belangrijkste stelling van het reisdagboek luidt: "Il n'y a que deux moyens de faire travailler les hommes: les terroriser ou les prendre par leur intérêt." Vandervelde was zeker geen tegenstander van het kolonialisme. Rubber bracht geld op en met dat geld kan het lot van de Belgische onderdaan worden verbeterd. Zijn grootste bekommernis betrof efficiënt uitbuiten. Voor Vandervelde had Leopold II een fantastische taak aangevat, alleen had de uit grootheidswaanzin en ivoor opgetrokken vorst het verkeerde systeem uitgedokterd om zijn winstbejag te verzadigen. Kortom, kolonialisme was een kwestie van vormgeving. Gedwongen arbeid, slavernij en lijfstraffen vond Vandervelde niet meer van zijn tijd. Beter was het de domme negertjes in baar geld uit te betalen. Het bleven wel domme negertjes: "Il est incontestable que le noir aime mieux faire le lézard au soleil que de travailler au-delà de ce qui est indispensable à la satisfaction de ses besoins élémentaires." De domme neger behoorde niet tot het doelpubliek van de socialist Vandervelde. De kleine man wel. In 1908 beschikte die nog niet over een volwaardig stemrecht. De domme neger beschikte domweg over niets. Het was de domme neger zelfs niet gegund te kiezen tussen zweep of hongerloon.

In de buurt van Basongo knutselde een kolonist een Belgische vlag in elkaar ter gelegenheid van Vanderveldes bezoek, eind augustus. De kolonist liet de lokale eenheid van de Force Publique achter de vlag lopen. Niet zonder trots noteerde Vandervelde dat dit wellicht het eerste Belgische militaire defilé was in de nieuwe kolonie. En zo gaat het maar door. Te Boma speelde een orkestje in het station de Marseillaise. Vandervelde was razend enthousiast. De kolonisten die hun technische verwezenlijkingen toonden, kregen nog meer applaus. En onderweg van post naar post maakte Vandervelde zich vrolijk over de afgezakte borsten van Kongolese vrouwen. Als die ene verdwaalde socialist in Kongo zulk een flapperende onzin uitkraamde, hoe gedroeg de voltallige Kamer van Volksvertegenwoordigers zich dan toen Kongo ter sprake kwam? Het antwoord is wellicht zo beschamend dat de vraag het best retorisch blijft.

Wie een weide koopt, krijgt er de fauna en flora bij. Voor Vandervelde, en met hem al zijn collega's, was Kongo een weide die moest opbrengen. De domme negers waren een noodzakelijk kwaad. Ja, er liepen paters en pastoors rond die de domme neger leerden rekenen en schrijven, maar Vandervelde keurde de klerikale bemoeizucht af. De staat zou het beter doen. En zo vat Les derniers jours de l'Etat du Congo perfect de kern van het kolonialisme samen: de gekoloniseerde is een commercieel product dat zijn enige reden van bestaan ontleent aan de kolonisator.

Begin september 1908 voer Vandervelde de Kongostroom af, richting binnenland. De overweldigende natuur stond voor hem in schril contrast met de afzichtelijke mensen die er woonden. "Décidément l'homme, à l'état de nature, ou près de l'état de nature, n'est pas beau!" In het beste geval waren domme negers gedweeë huisdieren. De woeste natuur beangstigde Vandervelde. Echt veilig voelde hij zich pas op het terras van de wufte gouverneur van Boma, waar de rode hibiscus zo welig tierde dat het erop leek "que nous n'avions pas quitté l'Europe". Elders vond hij het uitzicht op de boorden van de Kongostroom bijna even mooi als de Kempen. Vandervelde wist geen raad met Kongo en zijn inwoners, net zomin als vele generaties Belgische politici na hem. De kolonialen die hij bezocht - omstreeks 1910 waren er dat 3.000 - waanden zich op Mars. Drieduizend kolonialen stonden tegenover ruim vijftien miljoen Kongolezen en wat beschreef Vandervelde in zijn dagboek? Kleffe natuurbeelden en boekhoudkundige bedenkingen van gewestbeheerders. Les derniers jours de l'Etat du Congo is een zeldzaam hoogtepunt van vervreemding. De enige manier waarop Vandervelde iets zinnigs kon zeggen over het Fremdkörper Kongo, was door de kolonie te behandelen als een groot uitgevallen volkstuin.

(Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van 30 januari 2002.)

Jackie en Joan Collins ongekuist


(Joan Collins als starlet, ergens in de jaren vijftig: "Ik heb grotere dingen uit een bloemkool zien kruipen.")

Onder het plaveisel het bordeel. Zo heeft Jackie Collins de strijdkreet van mei '68 vertaald, 'sous les pavés, la plage'. Als een van de best verkopende auteurs van de afgelopen dertig jaar heeft ze haar inspiratiebron nooit verhuld: het morele moeras van Hollywood. Collins is ervaringsdeskundige. Ze had in de jaren zestig een korte, mislukte filmcarrière in de slipstream van haar oudere zus Joan Collins. Die maakte als tienerster furore in Britse B-films en werd door 20th Century Fox naar Amerika gehaald om Elizabeth Taylor van haar troon te stoten. In plaats van de eeuwige roem kreeg Joan Collins een abonnement op verwaarloosbare rollen.


Koninginnen van de pulp

Toen Joan Collins in 1954 aan de slag ging bij 20th Century Fox wilde superproducer Darryl F. Zanuck haar koste wat het kost naaien. Zanuck had een gouden replica van zijn geslacht laten maken om de meisjes te intimideren. Collins ontsnapte de dans dankzij haar gevatte antwoord: "Ik heb grotere dingen uit een bloemkool zien kruipen." Zij zat aan de knoppen, niet de eindeloze rij filmlui die ze niet zelden zonder tact afwerkte. Zo beleefde ze tijdens de jaren zestig een vruchtbare periode die bekendstond als 'The British Open', wat in Collins' geval letterlijk te nemen was. Kortom, deze vrouw had levenservaring te over. Op latere leeftijd schreef ze een reeks autobiografische boeken waarin ze onfortuinlijke zusters handige tips gaf om zich minder dik en ongelukkig te voelen. Haar grootste literaire triomf boekte ze in 1996 toen een rechtbank in New York besloot dat Random House een voorschot van 1,3 miljoen dollar moest betalen aan Collins voor een door de uitgeverij geweigerd manuscript. Tot op heden een wereldrecord. Het duurste niet gepubliceerde manuscript aller tijden droeg de omineuze titel The Ruling Passion.

Jackie en Joan zijn de gezusters Brontë van de naoorlogse pulpliteratuur. Uiteraard heeft Joan ook romans op haar actief, maar die steken bleek af tegen de furieuze epen die Jackie ons heeft geschonken. Toen Jackie in 1968 debuteerde met de roman De wereld loopt vol getrouwde mannen stond ze niet alleen met haar libertijnse fantasieën. De grote sensuele hit van het moment was het ontwapenend openhartige The Love Machine van Jacqueline Susann. Een pageturner over een tv-baas die zich op industriële schaal aan vrouwen vergrijpt. Susann was als eerste vrouwelijke megaseller doorgebroken met Valley of the Dolls (1966), een droefgeestige roman over drugsverslaving in de coulissen van Hollywood. Er zijn tot op heden 30 miljoen exemplaren van dat pillenboek verkocht. Ook Susann schreef op basis van haar ervaringen als mislukte actrice. De legendarische boekenpaus Michael Korda, hoofdredacteur van Simon & Schuster, had al eerder door dat er potentie zat in die semi-autobiografische literaire rek- en strekoefeningen. Hij gaf Harold Robbins uit en maakte van Jacqueline Susann een ster. Van Korda is de volgende legendarische vergelijking opgetekend: "Portnoy's Complaint van Philip Roth gaat over masturbatie. The Love Machine over succesvolle heteroseks. Als er rechtvaardigheid bestaat, krijgt The Love Machine de bovenhand, want het is zonder meer een stap in de goede richting.'


Heimwee naar het korset

Schrijft Jackie Collins literatuur, bedrijft ze een gefictionaliseerde vorm van emojournalistiek of tracht ze gewoon haar boterham te verdienen? In elk geval heeft ze zich bekwaamd als producent van literair glijmiddel. In tegenstelling tot nogal wat van haar collega's gunt zij haar vrouwelijke personages wel een beter lot dan de mannen. Het systeem-Collins is onfeilbaar. Telkenmale schetst ze met grove trekken een onverzadigbare mannenverslindster en haar slachtoffers, zoals in haar verfilmde meesterwerk Hollywood Wives: "Waarom schenen vrouwen altijd zoveel inzicht te hebben in de dingen die de mannen zeiden?" Bovendien is alles gebaseerd op bestaande figuren en feiten die, zo herhaalt ze uitentreuren, in het echt vele malen erger zijn. Collins' proza is dan ook geen verdichting van de werkelijkheid, maar een gekuiste versie ervan. De grote heraut van het vrijmoedige leven is eigenlijk een zeer burgerlijke moraliste. In haar oeuvre - wereldwijd reeds 450 miljoen exemplaren verkocht - ensceneert ze een slaapverwekkende exercitie voor borsten en billen. Lust is niet de drijfveer van haar personages, maar wel een tot geloof verheven pathetiek. Het lijkt alsof er in haar boeken een immer snikkende en ontgoochelde afgod wordt aanbeden. Het geluk kan alleen worden afgesmeekt door er als een roedel hormonaal gestoorde konijnen tegenaan te gaan. "Hij kuste haar opnieuw. Deze keer kuste ze hem terug, en hun monden ontmoetten elkaar in wederzijdse vreugde." De enige sensualiteit in deze verhalen is de niet te stillen heimwee naar het Victoriaanse taboe. Het korset had tenminste nog inhoud.

Harold Polis

(Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van 27 februari 2008.)