zondag 9 maart 2008

Ernst Jünger - Parijs Dagboek 1941-1942


(Ernst Jünger vluchtte als tiener uit het ouderlijke Heidelberg en nam dienst in het Franse vreemdelingenlegioen. Op de foto hiernaast staat hij geportretteerd in zijn uniform van légionnaire. Beide wereldoorlogen maakte hij mee als Duits militair.)

Slecht taalgebruik leidt tot fascisme, heeft Karl Kraus ooit beweerd. Klinkt goed, maar slaat nergens op. Zo is het Vlaams Blok Magazine hopeloos tendentieus, maar zeker niet erbarmelijk geschreven. Het antidemocratische Vlaams-nationalisme telde heel wat afgestudeerde germanisten, August Borms op kop, die in correct Nederlands over de schreef gingen. En van een poujadist als Pim Fortuyn kon je veel zeggen, behalve dat hij zijn taal niet kende. Vormelijke argumenten volstaan niet om greep te krijgen op extremisme. Als slecht taalgebruik ergens toe leidt, dan wel tot verwarring, ergernis en wansmaak. Dient een palliatieve filter om tabaksrook moreel verantwoord te maken, het geweten van moraalridders te sussen of ondraaglijk zieke mensen bij te staan? Gelukkig is er nog de literatuur, die schitterende vrijplaats waar kromspraak nog iets betekent. Vermaarde kromspraakkundigen als Céline of Pound hebben zich echter bezoedeld door een onsportieve houding aan te nemen tegenover de medemens en de democratie. Ook Ernst Jünger is zo iemand geweest. Schrijven fascistische literatoren literatuur? Of doen ze aan politiek? En volstaat de overtuiging van een schrijver om zijn werk op ethische gronden af te keuren? Als u drie keer ja antwoordt, ga naar de beursberichten. Als u twijfelt, lees verder. Ernst Jünger bezat de gave om veel te zeggen met weinig woorden. Met zakelijke beknoptheid had dit weinig te maken. Eerder dan het leven zoals het leven is te beschrijven, benaderde hij de innerlijke werkelijkheid van mensen en dingen als iets dat op zichzelf stond. Veel zeggen met weinig woorden betekende in Jüngers geval het belijden van zijn particuliere theologie. Hij verkocht graag wind. Vooral zijn dagboeken over de Tweede Wereldoorlog tonen het overdreven belang dat Jünger hecht aan zijn statische wereldbeeld. Terwijl de wereld ten onder gaat, kiest Jünger voor een strategische terugtocht naar zijn mythische innerlijke werkelijkheid. Hij beschouwt. Op 18 november 1941 noteert hij: "Wat ons het diepst bezighoudt, onttrekt zich aan communicatie, en zelfs aan de eigen waarneming." Volgens Jünger bestaat er een dimensie van de werkelijkheid waar de mens geen vat op heeft. Die irrationaliteit is de grond van het bestaan. Hoe nauwkeuriger een schrijver de tastbare werkelijkheid hiermee contrasteert, hoe dichter hij tot de kern van de waarheid doordringt. 25 oktober 1941: "De woorden zouden net als de atomen een kern kunnen bevatten waar ze omheen wentelen, een kern die men niet mag aanraken, wil men geen naamloze krachten vrijmaken."

Jünger is op zijn sterkst als leerling-tovenaar die ziet wat wij niet zien, diepzinnige commentaar leverend bij het pittoreske panorama van Parijs. Zijn aandacht gaat uit naar architectuur, monumenten, historische steenhopen, het roemrijke verleden. Onschuldige toeristische bespiegelingen, ware het niet dat Jünger deel uitmaakt van de Duitse bezettingsmacht en werkt bij het kabinet van het militaire oppercommando. Dit detail zorgt voor vervelende situaties, bijvoorbeeld wanneer Jünger assistentie moet verlenen bij de executie van een door de krijgsraad berechte Duitse soldaat. Jünger brengt die scène vrij klinisch in beeld. Hij is wel aanwezig, maar is vooral met zichzelf bezig en gaat volledig op in zijn "innere Emigration". Van het moment dat de doodsbange jonge soldaat moet aantreden voor het vuurpeloton, onthoudt Jünger het vliegje dat de veroordeelde van zich af tracht te schudden. Dezelfde lichtzinnige afstandelijkheid kenmerkt Jüngers beeld van bezet Parijs. Hem valt vooral de Duitse bewegwijzering op die het grondplan van de stad een nieuwe indeling lijkt te geven. En wanneer Jünger in het gezelschap van een andere Duitse officier de Franse sterren Arletty en Sacha Guitry ontmoet, noteert hij haast kinderlijk naïef: "Naar aanleiding van deze lunch waren zo'n twintig politieagenten in de buurt geposteerd." Kuifje in bezet Frankrijk.

Wie het voeren van oorlog ervaart als een contemplatieve bezigheid, kan het zich uiteraard niet permitteren de feiten onder ogen te zien. Als Jünger tracht te verklaren wat er zich rondom hem afspeelt, weidt hij uit over de natuurwetten en de diepere drijfveren van de menselijke soort. De combinatie van loodzware Duitse ernst, hoogdravende flauwekul en verstilde beschrijvingen heeft tragikomische effecten. Zou hij die onzin nu echt geloven, of houdt hij ons voor de gek? 23 november 1941: "Wanneer men omsingeld wordt en er geen uitweg is, hoort men zich bekend te maken als een oorlogsschip dat zijn vlag hijst." Zie ginds komt de stoomboot uit Duitsland weer aan. Gaandeweg wordt duidelijk dat Jünger zich in zeer weinig onderscheidde van de Duitse officieren uit de legendarische tv-serie Allo allo. Het Parijs dagboek van Ernst Jünger doet nog het meest denken aan The Damned van Luchino Visconti, een film die geheel en al bestaat uit hyperesthetische waanbeelden. Visconti's gewild decadente portret van de opkomst van het Duitse fascisme verzinkt in impressionisme, iets waar ook Jünger zich niet uit kan losmaken. Parijs dagboek ademt de sfeer van de ondergang van de burgerij, met al haar normen en waarden. Te midden van de puinhopen tracht Jünger de aristocratische chic te handhaven, in het volle besef dat het fascisme ook de aristocratie naar het leven staat. Jünger keurde het nazi-regime af, niet uit pacifisme, maar vooral omdat het geen nette heren waren. Het ideaal van de nieuwe fascistische mens had weinig te maken met het Pruisische chauvinisme dat Jünger zo graag etaleerde. Zijn ervaringen als luitenant van het 73e regiment Hanoverse fuseliers op het slachtveld van de Eerste Wereldoorlog vormden een bron van schoonheid. Jüngers dagboek In Stahlgewittern (1920) is een rapsodie van zuiverheid en wapengekletter. Voor Jünger werd de Eerste Wereldoorlog gevoerd door mannen met eergevoel, mannen die loutering zochten in de dood. De strijd bracht Darwins evolutieleer in de praktijk. In het essay Der Kampf als inneres Erlebnis (1922) vergelijkt Jünger de oorlog met de geslachtsdaad en noemt hij haar "ein Naturgesetz". De aristocraat Jünger liep niet hoog weg met de populistische manipulaties van het nazi-regime, hoewel hij altijd gefascineerd bleef door de mythologische leidersfiguur. Het oeuvre van de rechtse, conservatieve Ernst Jünger is getekend door een dubbelzinnige code die nauwelijks te kraken valt. Zijn morele verantwoordelijkheid heeft altijd ter discussie gestaan. Jüngers antwoord was even hardnekkig als aannemelijk: "Nach dem Erdbeben schlägt man auf die Seismographen ein. Man kann jedoch die Barometer nicht für die Taifune büssen lassen, wenn man nicht zu den Primitiven zählen will." Schiet niet op de pianist.

Harold Polis

(Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van 29 mei 2002.)

Geen opmerkingen: