zaterdag 31 oktober 2009

Samenleven voor dummies

Duidelijkheid is een luxe waarvan we niet meer kunnen genieten. Verwarring daarentegen wordt gratis verstrekt op de hoek van elke straat. Die goedkope moralistische houding tegenover de samenleving heeft sinds het begin van de economische crisis nog aan populariteit gewonnen. Als methode om angst te bezweren werkt dit moralisme eerder het tegendeel in de hand. De regionale en Europese verkiezingen in juni dit jaar versterkten de indruk dat West-Europa naar een tweede adem zoekt. Alleen al het feit dat een fel gecontesteerde voorzitter van de Europese Commissie als José Manuel Barroso toch het vertrouwen van het parlement krijgt, vergroot de malaise. Want als het zo duidelijk is dat Barroso niet de geschikte man is, waarom geven de Europese verkozenen des volks dan hun steun aan een politicus die te slaafs de nationale belangen van de lidstaten volgt? De verantwoording van die spreidstand is verloren gegaan in de nieuwslawine. Ergo, het is de politiek die niet deugt.

Overtuigde Europeanen zagen in de commotie rond Barroso een overwinning van het politieke Europa. Het is niet eerder voorgekomen dat een kandidaat-voorzitter gedwongen wordt zich zo openlijk te verdedigen tijdens de investituurstrijd. Zowel voor- als tegenstanders riepen dus unisono uit dat ze niet naar Canossa zouden gaan. En ze hadden nog gelijk ook. Ondanks haar verpletterende wetgevende impact verpersoonlijkt de Europese Unie de onzekerheid van haar onderdanen. En misschien is dat net de winst die we in dit tweede crisisjaar kunnen boeken: de aanvaarding dat Europa niet af is.

Sinds de val van de Muur werkte de Europese Unie als een overheidsadministratie. Gelijkmoedig kwamen er dossiers, dossierkasten en dossierbeheerders bij. De zaak werd gedreven door herkenbare, doortastende politici, zoals Jacques Delors of wijlen Karel Van Miert. Die zijn al even weg. Maar de administratie blijft in omvang toenemen. Om te vermijden dat het een zielloze, amorele boel blijft, moeten het oorzakelijk verband, de intenties, de premissen van de Europese Unie opnieuw worden ingevuld. Niet in de glazen paleizen in Brussel of Straatsburg, maar op de hoek van elke straat. Het probleem is nu dat er op die mythische hoek van de straat al ontzettend veel moet gebeuren.
Elk bestuursniveau heeft de pretentie om zo dicht mogelijk bij de mensen te staan. Elke overheidsdienst streeft naar service op maat van de individuele burgers. Elke politicus voelt de fatale aantrekkingskracht van de hoek van de straat, de plek waar authenticiteit en engagement uitzicht bieden op de verlossing. De flou artistique op de hoek van de straat is enorm. Herman de Coninck schreef ooit: ‘Poëzie komt pas als je er op wacht zonder nog te wachten.’ Net zomin als het goed beheer van de publieke zaak poëzie oplevert (eerder pragmatisch proza), is het aangewezen om blind over te schakelen op improvisatie en in het wilde weg te wachten. Misschien heeft de hoek van de straat als doorslaggevend politiek argument afgedaan. Maar hebben we een alternatief? Nomadische intellectuelen vormen een minderheid. Zij kennen hun talen, surfen behendig op de golven van de globalisering en slagen erin om steeds met het gezicht in de zon te zitten, waar die ook aan de hemel staat. Dat is niet de norm. Een meerderheid van de bevolking klampt aan, bevindt zich in een of andere fragiele situatie, kan het tempo der maatschappelijke omwentelingen niet meer of niet zo snel volgen. Zij zijn de mensen die op de hoek van de straat staan. In fine bestaat de politiek dankzij hun stem en ondanks hun bezwaren.
De fundamentele maatschappelijke keuze is nog steeds die tussen behoud en vooruitgang. Klassieke negentiende-eeuwse ideologische stromingen zijn symbolen geworden van een roemrijk en geïdealiseerd verleden, maar bieden geen garantie op succes. De acute crisis van de Franse socialistische partij is een pijnlijk voorbeeld. Nadat Bernard-Henry Lévy in 2007 de neergang van het naoorlogse socialisme beschreef in Le grand cadavre à la renverse, stelde hij deze zomer in een interview de dood van de patiënt vast. Hij verklaarde dat de Franse socialistische partij moest verdwijnen omdat ze niet meer in staat is om de hoop op een betere toekomst te incarneren. De afgelopen jaren is de Franse PS er inderdaad nooit in geslaagd om echte oppositie te voeren tegen het centrumrechtse beleid. Die onmacht is niet conjunctureel maar structureel. Hoewel de feiten Lévy gelijk geven, blijft zijn tegenvoorstel te abstract om de tendens te keren. Lévy stelt voor om aan te knopen bij het antifascisme, het antikolonialisme en het antitotalitarisme van weleer. Een herbronning die er geen is.

De vooruitgang is een onherroepelijke ervaring die minder afhangt van een bewuste beslissing dan van het brutale lot. Het vermogen van de westerse middenklasse heeft tijdens de grootste beurscrisis in zeventig jaar een klap gekregen, zodat we met zijn allen bespiegelingen maken over de ondergang van het woeste kapitalisme. Maar vanuit macro-economisch oogpunt gezien draait het wiel onverdroten verder. In De Tijd verklaarde analist Boris Cukon de hausse in de grondstoffenmarkt als volgt: ‘Bijna 3 miljard schuldenvrije, gemotiveerde, jonge mensen uit de opkomende landen wensen keihard te werken om zich een televisie, koelkast, comfortabele woning en auto aan te schaffen.’ Voor de duidelijkheid: wij behoren niet tot die drie miljard. Wij voeren strijd om het behoud van de materiële welvaart die onze voorouders een eeuw lang hebben opgebouwd. Fout is dat uiteraard niet, maar wijs kan je het ook niet noemen.
De omwenteling waarin we terecht zijn gekomen na de val van de Muur is slechts een preambule van wat er in de loop van deze eeuw op het programma staat. Het zal niet volstaan om een consensus te bereiken over het verhogen van de pensioenleeftijd, het heronderhandelen van de sociale bescherming, of het herijken van de nationale soevereiniteit en autonomie. Veel belangrijker is dat we, burgers op de hoek van de straat, ons leven openstellen voor verandering, niet als een blinde onderwerping aan het noodlot, maar als een ethische overtuiging die zowel het eigenbelang als het algemeen belang dient.
In toenemende mate is de naoorlogse sociaal-democratie er niet in geslaagd om de veranderingsbereidheid van de burgers te mobiliseren, zodat de publieke opinie nog steeds de indruk heeft dat lokale en nationale actoren de lakens uitdelen. Elk majeure gebeurtenis van de afgelopen jaren heeft echter bewezen dat er geen sluitende lokale oplossingen bestaan voor globale problemen. Laat staan dat er majeure gebeurtenissen zouden zijn die het lokale niveau niet overstijgen. Bovendien bewijst de huidige crisis dat een economisch beleid niet volstaat om het tij te keren. Er is ook een politiek beleid nodig. Zo hebben we de tragische implosie van het bancaire systeem onder meer te danken aan de afwezigheid van een politieke tegenmacht voor transnationale economische giganten. De Duitse socioloog Ulrich Beck heeft voorspeld dat zo’n mondiale crisis zou leiden tot een tijdelijke heropleving van het belang van natiestaten. De werkelijke uitdaging zit echter niet in de creatie of het behoud van ‘nationale kampioenen’ of in de lokale verankering van economische beslissingmacht, maar in het uitbouwen van een transnationaal niveau dat onlosmakelijk verbonden is met lokale instanties. Beck noemt dit kosmopolitisme, een beweging die aan alles raakt, van ecologie tot migratie.
De grootste overwinning van de toekomst zal de democratisering van het kosmopolitisme zijn. Aan dit kosmopolitisme kleeft het odium van de hybride wansmaak, of erger, van de artistieke utopie. Twintigste-eeuwse avant-gardisten hebben zich namelijk het kosmopolitisme toege-eigend om grensoverschrijdende daden te kunnen stellen: seriële muziek, abstracte schilderkunst, dada, surrealisme, Cobra. Hoe eigengereid hun respectieve strategieën ook waren, ze hebben gewerkt. Misschien moeten we voor een keer hopen dat de werkelijkheid de kunst imiteert. Kosmopolitisme leidt dan niet tot een uniforme of homogene ruimte, zoals de vestigingen van McDonald’s. Individuen, groepen en gemeenschappen zullen heterogeen blijven. Beck hanteert de metafoor van de muren die in bruggen worden veranderd, zowel in onze verbeelding, in en tussen natiestaten, in onze morele opvattingen, in politieke instellingen van laag tot hoog, op de hoek van elke straat. Zo wordt kosmopolitisme bereikbaar voor elke burger, los van afkomst of opleidingsniveau.

Op een of andere manier hebben we juist handelen verward met risicoaversie. Die ethische verdwazing maakt het ons bijzonder moeilijk om weerstand te bieden tegen de omstandigheden. Beck heeft die situatie gemunt. Hij noemt het de risicomaatschappij, een begrip dat vandaag heel erg jaren negentig klinkt, ten onrechte. Naarmate onze tolerantie voor risico’s daalt, neemt onze drang naar verzekering toe. Volgens Beck worden de risico’s in onze samenleving vooral op basis van kennis verdeeld – en worden ze uiteraard ongelijk verdeeld. Hij heeft een zwartere kijk op de zaak dan zijn Britse collega Anthony Giddens, die het risico een wat meer klassieke, meer materialistische rol toedicht. Giddens beschrijft het risico als een essentieel onderdeel van de samenleving en een noodzakelijke voorwaarde voor innovatie en maatschappelijke dynamiek. Dat is wellicht nog te zwak uitgedrukt.
Het tekort aan risicobereidheid is de grootste hindernis voor de ontwikkeling van de Europese Unie. In het beste geval leidt dit tot een variant van le pari van Blaise Pascal, waarbij je bijvoorbeeld gelooft in de Europese Unie omdat je er niets bij te verliezen hebt. Net zoals bij Pascal kan je je afvragen wat de waarde is van een geloof dat op een gok stoelt. Elke dag beleven we de gevolgen van te weinig Europa: het leidt er onder meer toe dat de overname van Opel is uitgedraaid op een hoogdag voor het economisch nationalisme. In zowat alle politieke memoires staan er ontluisterende beschrijvingen van de manier waarop Europese regeringsleiders de koehandel regisseren, van de biechtstoelmethode tot moddergevechten. Een brute machtstrijd is niet negatief als ze past in een legitieme, democratische besluitvorming die tot resultaten leidt. Een duidelijke visie, een geharnaste uitgangspositie en soepeler procedures kunnen in die koehandel het belang van kleinere lidstaten meer in evenwicht brengen met dat van de zwaargewichten. Maar aan geen van die drie voorwaarden is voldaan. De gezamenlijke aanpak van de crisis door de Europese regeringsleiders is ondermaats, door een acuut gebrek aan leiderschap en middelen. Dat was een van de punten die Karel Van Miert in de maanden voor zijn dood vaak heeft herhaald: als de EU bijvoorbeeld leningen had kunnen afsluiten, dan waren de nationale lidstaten niet veroordeeld geweest tot 27 individuele relanceplannen. Het breekt ons vandaag zuur op dat we in het verleden niet gedurfd hebben om de politieke macht van Europa te vergroten.
En zo zijn er tal van plekken in de hedendaagse samenleving waar de representatie van de werkelijkheid niet strookt met de werkelijkheid en waar het nemen van risico’s deugd zou doen. In de essaybundel De klank van de stad. Stedelijke meertaligheid en interculturele communicatie wordt een zeer ingrijpende vorm van verdrongen kosmopolitisme getoond. Meertaligheid is overal en in alle vormen, verwarrend, onverstaanbaar, multi-etnisch, extreem particulier of communautaristisch. Onze instellingen, justitie, de welzijnszorg en het onderwijs zijn echter gericht op taalhomogeniteit. Bovendien reduceren we meertaligheid nog te vaak tot een akoestische vorm van de botsende beschavingen of ervaren we het als een bewijs van onwil om deel uit te maken van onze samenleving. Dit terwijl in de grote Belgische steden een bijzonder grote groep kinderen thuis geen Nederlands of Frans spreekt – een fenomeen dat we delen met de buurlanden. Geen van de auteurs in de bundel pleit voor een romantische benadering van de meertaligheid, integendeel. Ze wijzen wel op de noodzaak van adequate beleidsinitiatieven ‘die op zijn minst rekening houden met deze botsende realiteiten’. Het is nodig ‘om kritisch te staan tegenover beleidsmakers die suggereren dat het vermijden van deze botsing grotendeels tot de opdracht behoort van wie er de nadelen van ondervindt’.
De vlammende inleiding van sociolinguïst Jürgen Jaspers verwijst onrechtstreeks naar een van Giddens’ concepten: het zelfbeeld. Giddens beschrijft ons zelfbeeld als een dynamische constructie. Om te kunnen functioneren in de samenleving zijn we verplicht niet te veel biografische leugens te vertellen en voldoende elementen uit onze context aan te brengen in ons zelfbeeld. Dit geldt mutatis mutandis ook voor het zelfbeeld dat een maatschappij van zichzelf creëert: het is geen oplossing dat een meertalige samenleving meertaligheid zou ontkennen. De politieke en maatschappelijke implicaties van meertaligheid voor de Vlaamse samenleving zijn aanzienlijk. Jaspers noteert ze terecht zeer dwingend. Na de succesvolle verdediging van het Nederlands en de culturele identiteit is Vlaanderen toe aan een ‘meer diepgaande definitie’ van zichzelf: ‘Welke gemeenschap willen Vlamingen creëren, welke politieke en maatschappelijke bakens willen ze uitzetten en hoe kan men ervoor zorgen dat zoveel mogelijk Vlamingen eraan meewerken?’
De autistische omgang met het Nederlands, waarbij die taal nog steeds als precair en bedreigd wordt ervaren, zorgt voor problemen in de door toenemende dualisering en segregatie getekende steden. In plaats van optimaal gebruik te maken van een steeds meertaliger samenleving streven we naar taalhomogenisering, die we bovendien als cultureel en moreel superieur voorstellen. In plaats van problemen als leerachterstand, integratie of werkloosheid in hun context te zien, brengen we ze terug tot een taalkwestie en wekken we de indruk dat de beheersing van de standaardtaal alles oplost. In plaats van die nefaste ideologische dogma’s zou hier, op basis van feitenkennis, de taal van de rede moeten weerklinken. En die zal kosmopolitisch zijn of ze zal niet zijn.

Harold Polis

Literatuur

‘BHL: “Le PS doit disparaître”, Le Journal de Dimanche, 19-7-2009, http://www.lejdd.fr/Politique/Actualite/BHL-847/.
Ulrich Beck, Power in the global age. A new global political economy, Polity Press, Cambridge, 2005.
Boris Cukon, ‘Supercyclus in grondstoffen blijft intact’, De Tijd , 12-9-2009.
Anthony Giddens, Runaway World. How Globalization is Reshaping Our Lives, Routledge, Londen, 2000.
Jürgen Jaspers (red.), De klank van de stad. Stedelijke meertaligheid en interculturele communicatie, Acco, Leuven, 2009.

(Dit stuk verscheen in Streven, november 2009.)

Geen opmerkingen: