dinsdag 29 december 2009

Tien jaar traagheid - en hoe de zaak te versnellen

De genadeloze geschiedenis is in onze contreien toch wat milder dan in andere, meer onherbergzame streken. De afgelopen tien jaar hadden we ongetwijfeld reden tot klagen, wat we dan ook met overgave hebben gedaan. Maar wat blijft er van die klachten over? Misschien moeten we ons, in navolging van de grote illusionist-dichter Henri Michaux, bekwamen in hoopvol fatalisme: ‘Dis, Gros Lot, où veux-tu donc tomber?’

De grote botsing der beschavingen wordt uitgevochten in een ander continent en laat de Europese burger eerder koud. Na 9/11 werden de multiculturele tegenstellingen op de spits gedreven, maar de democratische samenlevingen hebben die conflicten goedschiks en kwaadschiks geabsorbeerd. De vastgoedcrisis die in 2007 begon en uitmondde in een universeel financieel debacle kost ons een aardige stuiver, maar brengt vooralsnog geen fundamentele verschuiving teweeg in ons uitgavenpatroon. Schijn bedriegt.
Eerst en vooral is het gestaag voortschrijdende proces van de marginalisering van Europa niet gisteren begonnen, tien jaar geleden of bij de val van de Muur. Historicus Niall Ferguson bestempelt 1979 als het ware historische keerpunt: Thatcher, Deng Xiaoping en ayatollah Khomeini. In Na de oorlog van Tony Judt begint de neergang eigenlijk bij de moord op Franz Ferdinand op 28 juni 1914. En toch is ook 2000 een kantelmoment. Toen Tom Wolfe, de vileine observator van de Amerikaanse droom, de vooruitzichten voor 2000 en later beschreef kon hij nog genadeloos ironisch zijn. ‘By the year 2000, the term “working class” had fallen into disuse in the United States, and “proletariat” was so obsolete it was only known only to a few bitter old Marxist academics with white hair sprouting out of their ears.’ Vandaag zou Wolfe een veel grimmiger beeld schetsen van een staat die zowel in de dorpsstraat van New Orleans, in Wallstreet als in de moordende steegjes van Fallujah gefaald heeft. Bovendien is de working class in toenemende mate vervangen door de working class poor. Dit geweldige land heeft zijn boulemische consumptie tot een kunstvorm verheven, waarbij de Amerikaanse schulden gefinancierd worden door Chinese spaaroverschotten. Dat gaat maar door, Lehman Brothers of geen Lehman Brothers. En te midden van dat alles, tussen hamer en aambeeld, bevindt zich het dienstwillige Europa dat de Amerikaanse malaise ondergaat en ondanks een succesvolle eenheidsmunt een steeds bescheidener positie inneemt op het geopolitieke toneel.
De interne Europese verdeeldheid die in de jaren negentig een pijnlijk symbool vond in de burgeroorlogen op de Balkan heeft tijdens het afgelopen decennium een nieuw dieptepunt bereikt. Het debacle van de Franse en Nederlandse referenda over de Europese grondwet en het minder ambitieuze Verdrag van Lissabon hebben geleid tot een stilstand die op cruciale momenten nefast is geweest. Zowel bij de oorlogen in Irak en Afghanistan als bij het beheer van de bankencrisis heeft de Europese verdeeldheid muizen gebaard. Uiteraard zal de heldhaftige interventie in de VN-veiligheidsraad van de voormalige Franse minister van Buitenlandse zaken Dominique de Villepin op 14 februari 2003 geboekstaafd blijven als een historisch moment, maar achteraf bekeken heeft die speech tegen de casus belli van de Amerikanen geen verschil gemaakt. Laat staan dat De Villepin hiermee het pad heeft geëffend voor een eensgezind Europees beleid. Even zwak was de verspreide slagorde waarin de Europese overheden het bancaire en economische slagveld betraden. De bikkelharde onderhandelingsstrategie van GM bij de – inmiddels geannuleerde – overname van de Europese autofabrieken door het Canadese Magna en de Russische Sberbank bracht het strafste bewijs van de Europese machteloosheid. Als klap op de vuurpijl kantelen de machtsposities in de G20 ten nadele van de Europese staten, en is er een even nadelige hervorming van het IMF, de Wereldbank en andere internationale instellingen op til. Het moment komt dichterbij dat eensgezinde politieke uitspraken een absolute noodzaak worden om te overleven. Het vermakelijke schaduwgevecht tussen voor- en tegenstanders van het Europese federalisme is totaal achterhaald.
In de Belgische dorpsstraat probeert men intussen hardnekkig de schijn op te houden dat twee dure vakanties per jaar echt wel kan. Terwijl die goede tijd voor steeds minder gelukkigen geldt. In onze verzadigde markt wordt er al krimpend gegroeid, zeker nu de grootbanken met een luide knal uit elkaar zijn gespat. Wie terugkijkt op de jaren nul heeft een zaklamp nodig om ontembare, beloftevolle, duurzame economische groeipolen te ontdekken die welvaart voor de massa kunnen brengen. Ja, het is waar, biotechnologie en de nano-electronica van het IMEC houden die droom levend, maar wegen niet op tegen de sluiting van de assemblagekathedralen waar een belangrijk deel van de Vlaamse economische expansie werd mogelijk gemaakt. In de droeve hangars van GM aan de Antwerpse haven hebben goedkope retailers hun intrek genomen. Wederverkopers van Chinese importgoederen die met slinkende marges opereren. En uiteraard spreekt het in ons voordeel dat we de moed hebben gehad om de sociale economie fors uit te bouwen en zwart werk te bekampen. Maar wat moeten we met het resultaat? Eigenlijk hebben we een deel van de laaggeschoolde en en illegale arbeid genationaliseerd. Net zoals we de dienstensector, die zich voor een groot niet in de privé bevindt, vullen met gemeenschapstaken. En dan is er nog de ambtenarij. Tussen 2000 en 2007 is het Vlaamse ambtenarenbestand gegroeid van 38.230 naar 45.249. Dat is een stijging met 18% of bijna een vijfde. We zijn met zijn allen onze grootste werkgever. Een weinig geruststellende gedachte.
Ondanks een overheidsbeslag dat rond de 50% zit slagen we er onvoldoende in om de samenleving in te richten op een manier die de toekomst voorbereidt. We hebben vaak niet meer de indruk dat rechtvaardigheid, veiligheid en democratische vertegenwoordiging gegarandeerd zijn. Onder meer die rechten (want steeds luider weerklinkt de roep om ook het recht op veiligheid te erkennen) vormen de basis van ons hedendaagse politieke en maatschappelijke bewustzijn. De geschiedenis leek ooit een rationeel proces waarin de hegeliaanse Geist naar vervolmaking streefde. Uiteindelijk zou dan de waarheid worden bereikt, het absolute weten. Individuele ervaringen waren minderwaardig, een pijnlijke illusie. Iedere poging om een wezenlijke uitspraak te doen over wat we als mens ervaren, riep het tegengestelde op. En zo bewoog alles en iedereen zich onherroepelijk in de richting van het absolute, een toestand waarin wij allen bevrijd zouden zijn van de vervreemding die ons tekent. Gelukkig zijn er altijd voldoende mensen geweest die Hegel hebben bestreden. Schrijvers zoals Joseph Brodsky, Solzjenitsyn en Albert Camus, de ultieme anti-Hegel, zeer enthousiast herontdekt naar aanleiding van de vijftigste verjaardag van zijn overlijden. Camus had het in L’homme révolté over de noodzaak om een ‘individualisme altruiste’ te bevorderen. In dat concept heeft volgens Camus de vrijheid een even groot belang als de rechtvaardigheid. Politiek kan niet van moraal worden gescheiden. Dat waren we even uit het oog verloren.
Een slecht werkende staat die de burgers geen vrijheid en rechtvaardigheid kan garanderen is amoreel. De samenleving mag geen botte loterij zijn. De suboptimale werking van de staat is een grotere bedreiging van ons samenlevingsmodel dan een ontsporing van de islam, zoals die na 9/11 is afgekondigd. De dwaze culturalisering van dit debat heeft geleid tot scherpslijperij, schizofrene godsdiensthaat en het bevestigen van een collectieve angst voor het vreemde. De dreiging die uitgaat van de Europese moslims, hoe verscheiden ook hun afkomst en overtuiging, is voor sommigen zo loodzwaar dat er voor het eerst sinds mei 1940 weer ernstig wordt gepraat over een vijfde colonne. In Reflections on the Revolution In Europe schrijft de Amerikaanse journalist Christopher Caldwell: ‘Of course minorities can shape countries. They can conquer countries. There were probably fewer Bolsheviks in Russia in 1917 than there are Islamists in Europe today.’ Het citaat is zeer populair geworden, ondanks de nuances die Caldwell in zijn boek aanbrengt.
Alle samenzweringstheorieën ten spijt is het onhoudbaar om met veralgemeningen de maatschappij te benaderen. Maar als de jaren nul iets hebben geleerd dan wel dat de ratio in deze zaak ver te zoeken is. Er wordt zeer emotioneel gereageerd op de demografische en etnische aardverschuiving die we meemaken, wat een verzoening of pragmatisch bestuur niet dichterbij brengt. Op een Europese bevolking van ruim een half miljard mensen zijn er 3 tot 4% moslims. Maar niet de armoede, de vergrijzing of de tanende invloed van het oude continent houden ons uit onze slaap, nee de moslims. Caldwell heeft een punt als hij de blinde naïviteit aan de kaak stelt waarmee de migratie vanaf de jaren zestig is begeleid. Toch onderschat hij de economische logica die de globale migratie aan de gang houdt – een logica die geen rekening houdt met morele bezwaren. Caldwell helpt om de synthese van onze tijd scherper te zien, maar hij biedt geen soelaas en onthult geen marsrichting die ons uit de verwarring leidt.
Uit prognoses van de federale overheidsdienst Economie blijkt dat er de komende tien jaar een ware schaarste aan werkkrachten zal ontstaan in Vlaanderen. Tussen 2010 en 2020 zal de groep werkenden en kandidaat-werkenden (tussen 20 en 60 jaar) krimpen met 139.000 op een totaal van 3,137 miljoen. Door de vergrijzing van de bevolking zal het aantal Vlamingen van 65 jaar en ouder tegen 2020 met liefst 206.000 toenemen, tot 1,332 miljoen. Door de ontgroening (minder baby’s) zullen er tegen 2020 zo'n 60.000 kinderen en jongeren minder zijn. Gevolg: gevoelig minder nieuwe jonge werkkrachten op de Vlaamse arbeidsmarkt. De negatieve consequenties voor onze welvaart zijn groot en zullen niet op zich laten wachten. Vlamingen laten werken tot 65 lost een deel van het probleem op. Maar de instroom van migranten is onvermijdelijk. Net als de vraag hoe je een samenleving onder druk samenhoudt. In Europa gaat dit voorlopig gepaard met veel klagen. Maar liever klachten dan kogels. Tony Judt beschrijft hoe we in de twintigste eeuw Europa etnisch gezuiverd hebben. Het ‘onzuivere’ Europa van voor de Eerste Wereldoorlog verheerlijken is ongepast, omdat die gemengde samenleving allerminst paradijselijk is geweest. Maar het verdient aanbeveling om in het achterhoofd te houden dat de etnische homogeniteit van het naoorlogse Europa misschien een uitzondering was in de geschiedenis.
In onze tijd wordt niemand vrolijk van het debat over de multiculturele nederlaag. Het is tien jaar geleden dat Tarik Fraihi in De Morgen het opiniestuk ‘Het failliet van de integratie-industrie’ publiceerde. Dat sloeg in als een bom. Ook de Nederlandse multiculturele nederlaag, waarover zelfs hoorzittingen werden georganiseerd, kwam zwaar aan. Enkele maanden voor Fraihi schreef Paul Scheffer zijn essay ‘Het multiculturele drama’, dat jarenlang bepalend is geweest voor de manier waarop integratie, en vooral de culturalisering, ervan werden besproken. Scheffers aanvaarding van het conflict als premisse van een succesvolle migratie is een verworvenheid, maar volstaat niet om winnaars en verliezers samen te brengen.
Een van de sterkste passages uit Scheffers Het land van aankomst gaat over machteloze autochtonen en hun broze zekerheden, zoekend naar vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid in vijandige grootsteden. Democratische partijen hebben dit cruciale inzicht zo ontzettend lang hebben weggegeven aan extreemrechts. Achteraf is het onbegrijpelijk waarom ze niet harder hebben geprobeerd de samenleving te pacificeren door ook die autochtone achterblijvers erbij te betrekken. Sarkozy was de eerste belangrijke Europese politicus die dit thema ontfutselde aan extreemrechts – en er de presidentsverkiezingen mee won. Hij probeert de truc te herhalen door een debat over de Franse nationale identiteit te forceren, omdat ook de Franse staat suboptimaal werkt. A la bonheur. De grote hoop die we voor het nieuwe decennium moeten koesteren is dat er gestreefd wordt naar consensus, verzoening en oplossingen, dat we er als samenleving in slagen onszelf nieuwe doelen op te leggen. Te beginnen bij het onderscheiden van hoofd- en bijzaken. Geef ons meer daden, feiten en onderzoek, minder gevoelens, retoriek en beloftes.
Socioloog Marc Elchardus ontwikkelde in de jaren negentig het sleutelbegrip ‘maatschappelijk onbehagen’. Dat werd toen bijna exclusief gelinkt aan racisme en de opkomst van extreemrechts. Een van de factoren die het onbehagen versterkten was volgens Elchardus de verdrukking van laaggeschoolden in onze kennismaatschappij. In alle onderdelen van het maatschappelijke leven wordt van laaggeschoolden een kennisniveau verwacht dat ze niet aankunnen. Dit gevoel van onbehagen uit zich dan op twee punten: een pessimistisch toekomstbeeld en een gevoel van onveiligheid, van angst voor het vreemde. In Vreemden. Naar een cultuursociologische benadering van etnocentrisme tracht Elchardus, samen met een aantal collega-sociologen, te bepalen wat racisme vandaag betekent.
In Vreemden wordt er vooral gezocht naar verklaringen en oplossingen voor etnische vooroordelen. In zijn besluit pleit Elchardus voor democratische, participatieve scholen, voor het milderen van de segregatie tussen onderwijsvormen, voor het vermijden van concentratiescholen. Bij veel sociologisch onderzoek naar racisme werd vroeger vooral gekeken naar de materiële condities waarin mensen leven. Voor de auteurs van Vreemden blijken die echter niet meer zo belangrijk als verklaring. Daarom worden in dit boek de culturele verklaringen centraal geplaatst. De vraag is dan: welke factoren beïnvloeden de manier waarop mensen denken en voelen over anderen?
De centrale stelling in het boek is helder: etnische vooroordelen zijn een manier om onze eigen kwetsbaarheid te verwerken in een wereld die bedreigender wordt. Je hoeft niet arm te zijn om je kwetsbaar te voelen. Je kunt ook chronisch ziek zijn of behoeftig. En wat met de ruim 8% eenzame mensen in onze samenleving? De kwetsbaarheid neemt toe. De vergrijzing en onze bikkelharde kenniseconomie dragen hiertoe bij. Niet iedereen kan volgen. Er is een grote groep mensen die geen antwoorden vindt en niet meer weet wie ze moet vertrouwen. De verklaring van die negatieve omstandigheden wordt vaak gezocht bij de dreigende aanwezigheid van vreemden.
Alle auteurs van het boek trachten zo helder mogelijk onder woorden te brengen hoe racisme werkt en totstandkomt. Ze baseren zich daarbij op sociologisch onderzoek en noteren niet zelden verrassende resultaten. De manier waarop we racistisch worden heeft volgens de auteurs niet te maken met de vermeende aangeboren slechtheid van de mens, maar wel met opvoeding en scholing. En zelfs het mediagebruik of het fameuze opleidingsniveau van de moeder moet het als bepalende factor afleggen tegen de middelbare school. Nog steeds worden we daar werkelijk gevormd tot mensen. Het is in de middelbare school dat we ons ethiek eigen maken, een levensfilosofie en communicatieve vaardigheden. Een opvallende conclusie is ook dat de rol van de leraar in beroepsonderwijs vele malen belangrijker blijft dan in het Algemeen Secundair Onderwijs. Elchardus: ‘Het secundair onderwijs is een belangrijke, misschien wel de cruciale spelverdeler in onze samenleving.’
Die suboptimale werking van onze staat op alle beleidsniveaus verbeteren, dat is de dwingende camusiaanse opdracht die we de komende tien jaar met veel grotere aandrang dan voordien moeten uitvoeren.

Harold Polis

Christopher Caldwell, Reflections on the Revolution in Europe, Doubleday, Londen, 2009.
Marc Elchardus en Jessy Siongers (red.), Vreemden. Naar een cultuursociologische benadering van etnocentrisme, LannooCampus, Leuven, 2009.
Niall Ferguson, ‘The year the world really changed’, in Newsweek van 16 november 2009.
Tony Judt, Na de oorlog. Een geschiedenis van Europa na 1945, Contact, Amsterdam, 2008.
Tom Wolfe, Hooking up, Farrar Straus Giroux, New York, 2000.

(Dit stuk verscheen in Streven van januari 2010.)

Geen opmerkingen: