zaterdag 30 januari 2010

Bommen op Bochum - over het einde van de middenklasse en andere verhalen

Het einde van Opel Antwerpen bezegelt het einde van de Vlaamse middenklasse. Renault Vilvoorde was een opwarmertje. Vandaag wordt er gevochten zonder handschoenen aan. Creatieve destructie is een vuile oorlog. Decennialang deed de middenklasse dienst als veilige haven. Als je studeerde en hard werkte, dan kwam je vooruit. Die sociale mobiliteit is tot stilstand gekomen, mede door de mondialisering. Opel is een van de mythische merken van de industrialisering en is in de literatuur een mikpunt van spot.


(Op de foto: een oude Opel die ergens in Berlijn-Kreuzberg staat te sterven.)
Thomas Friedman heeft onze staat van zijn eloquent verwoord: de aarde is plat. Maar ook kil en genadeloos. In stilte wordt een groot deel van de middenklasse overboord geduwd. Geen probleem als je behoort tot wat Thomas Friedman ‘the new untouchables’ noemt: kosmopolitisch ingestelde middenkaders en flexwerkers. Pech voor wie te weinig meerwaarde creëert. In Mumbai kunnen ze ook boekhouden of wagens maken.

Het stroeve Opel symboliseerde de zucht naar vooruitgang, degelijkheid en meer congé payé. Een nobel streven dat nu in een kwade reuk staat. Het vervoersmiddel van de middenklasse is een schandvlek geworden, te onhip en te zeer verweven met de gevreesde burgerlijkheid. Geen wonder dat antihelden graag plaatsnemen achter het stuur van een Opel. Of op de achterbank, zoals J. Kessels in J. Kessels: the novel van P.F. Thomèse. Alleen dient die Opel Kadett als afwerkplek aan de Reeperbahn in Hamburg. Overigens rijden Thomèse en J. Kessels naar Hamburg in een Toyota – een van de weinige fouten in dit uitstekende boek.

‘Yeah, we’re on the road again’, noteert Thomèse als motto in J. Kessels: the novel. Geen gedoe over agenda’s, boodschappenlijstjes en kinderen. De wagen in en wegwezen. De bestemming doet er niet toe, de kwaliteit van het onderweg genuttigde voedsel al evenmin. Dat geldt zeker ook voor de personages in Alle mussen sterven, waarmee Christophe Vekeman lang geleden debuteerde. Graf, een jonge idioot, beschouwt zijn Open Kadett als zijn dierbaarste bezit. Tot er iemand een biljartbal door de achterruit van zijn wagen smijt. Dan pas wordt duidelijk hoezeer Graf zich identificeert met zijn Opel Kadett. Oog om oog, tand om tand. De vandaal wordt door Graf van kant gemaakt. Als muzikant stelt Graf eigenlijk niet zoveel voor, maar als kind van de middenklasse blinkt hij uit in ijver en conformisme.

Die verstikkende voorspelbaarheid kleeft aan Opel, zoals bloed aan de handen van een moordenaar. Soms is het een misdaad om met een Astra of en Corsa rond te rijden, omdat men zich daarmee duidelijk neerlegt bij het status quo. Voor de personages van Martin Walser, de moderne meester van het antiheldendom, speelt Opel de rol van Trojaans paard. Eens je in die wagen zit, val je ten prooi aan volstrekte nietigheid. En ook in de romans van Sven Regener, een van de succesvolste Duitse auteurs van de laatste jaren, is Opel de limousine van de arme man – in dit geval de illustere Frank Lehmann. Aan het begin van de roman Der kleine Bruder puft Lehmann in zijn Opel Kadett Berlijn-Kreuzberg binnen. In de film zijn Martin Scorcese en Orson Welles de koningen van de long take, waarbij de hele wereld in een langgerekte beweging voorbij lijkt te komen. Regener is het absolute tegendeel van die overrompelende ervaring. Want in het Kreuzberg van de jaren ’80 gebeurt er niets en dus ook niet met Lehmann. De wereld staat op sterk water. Iedereen wacht lusteloos op het einde van de koude oorlog. De belevenissen van Lehmann grepen de op melancholie beluste Duitsers naar de keel. In de egalitaire nachtmerrie reed het klootjesvolk lachend rond in een Opel.

Na Opel wordt het even stil. Je hebt een zaklamp nodig om ontembare, beloftevolle, duurzame economische groeipolen te ontdekken die nieuwe welvaart kunnen brengen. Biotechnologie en de nano-electronica van het IMEC houden die droom levend, maar wegen niet op tegen de sluiting van de assemblagekathedralen waar een belangrijk deel van de Vlaamse economische expansie werd mogelijk gemaakt. In de reeds eerder verkochte hangars van GM aan de Antwerpse haven hebben goedkope retailers hun intrek genomen. Droeve wederverkopers van Chinese importgoederen die hun brol met slinkende marges verkopen aan de kwijnende middenklasse.

Nick Reilly, stik in uw Opel. Het zou zo opluchten razend te zijn. Het hoofdkwartier van die bende gangsters bezetten. Banden in de fik steken. Bommen op Bochum. Zoiets doen we echter niet. Wij zijn brave mensen uit de provincie. Wij geloven zelfs dankbaar in de nieuwste fabel van onze leiders: de elektrische wagen. En morgen doen wij weer ons best. ‘Yeah, we’re on the road again.’

Harold Polis



(Dit stuk verscheen in De Standaard der Letteren van 29 januari 2010. In de versie die in de krant is verschenen heb ik, zoals steeds, Paul Krugman verward met Thomas Friedman. Maar het is wel degelijk Friedman die over 'the new untouchables' heeft geschreven.)

Geen opmerkingen: