woensdag 27 april 2016

Voor wie slachten we het gemeste kalf?




(Ach, die dekselse sociale mobiliteit! Dat waren nog eens tijden. John Cleese en the two Ronnies in hun klassieke sketch, voor het eerst uitgezonden door de BBC op 7 april 1966. In memoriam de onvolprezen Ronnie Corbet (de kleinste en de grappigste) - hij stierf eind maart.)

Vluchtelingenstromen, altijd dat besparen en acute gevoelens van achteruitgang op de koop toe. Moet dat nu echt? Hebben we oude medicijnen nodig, nieuwe pillen of voetreflexologie? En is het wel ernstig om te denken dat we het allemaal even gaan oplossen? Op zoek naar een nieuwe invulling van de edele sport Keep Buggering On, met dank aan Marcel Gauchet, Pierre Rosanvallon, Raj Chetty en toch ook een beetje Achiel Charbon.

Ze sliepen in de open lucht en wandelden deftige horecazaken binnen op zoek naar een toilet. Overal lieten ze afval achter. Ze vielen argeloze toeristen lastig die op terrasjes hun dubbel vakantiegeld zaten te verteren. Lokale middenstanders en Ratsmitgliedern zaten met de handen in het haar. Zij kregen de situatie niet onder controle. De verhalen uit Beierse provinciesteden die in de zomer van vorig jaar verschenen in de Duitse pers leken zich af te spelen in een andere wereld, eentje waar de gevestigde orde op haar kop werd gezet. Het las als het scenario voor een slechte B-film. Dat was een kantelpunt. En dan moest de grote klap nog komen. Honderdduizenden. Ineens stonden ze daar, dwingend, onafwendbaar, ongevraagd. De anderen. Wat moesten we met hen?
Maanden van heftige discussies, menselijke ellende, verwarring en lafheid leidde tot drastische maatregelen. Wat met de anderen? Er kwam een in geld en politieke beloftes gedrenkt ruilakkoord met de Turkse staat. Het is op dit moment de beste optie om een begin van orde in de chaos te brengen. Tegelijkertijd ontzegt het in alle opzichten bedenkelijke vluchtelingenakkoord onze generatie het recht om voor de rest van onze dagen te pochen met morele superioriteit. Meer nog, wat er de afgelopen maanden is gebeurd – of beter: niet is gebeurd – heeft de morele ijkpunten van onze seculiere samenleving veranderd. De naoorlogse westerse moraal was haast idyllisch. Na het moorden, verraden, verkrachten en uitroeien van de oorlogsjaren vonden we onze sociale atmosfeer opnieuw uit en brachten we een immense herverdelingsmachine op gang, een van de grootste en meest succesvolle sociale experimenten uit de geschiedenis van de mensheid. Bovendien escaleerde onze begrijpelijke afkeer van geweld tot een schijnheilige vorm van pacifisme die meer kwaad dan goed deed. Nu staan ze daar massaal, de anderen. En wij maar zagen over het overheidsbeslag, de bedrijfswagens en excess profit rulings. We wilden een paradigmashift? Wel, we hebben er een gekregen.
Het is uiteraard niet de eerste keer dat we zo’n oefening in nederigheid ondergaan. Aan de basis van de huidige problemen ligt net de futloosheid waarmee Europa de afgelopen jaren de conflicten aan haar grenzen heeft beheerd. Toen we Libië bevrijdden hadden de Europese gevechtsvliegtuigen niet eens voldoende ammunitie om de opdracht af te werken. En nadat we de boel naar de Middeleeuwen hadden gebombardeerd, lieten we de Libiërs koken in hun vet. Grondtroepen, nazorg, opvolging, heropbouw, investeringen: niets daarvan. De terughoudendheid van de Amerikaanse overheid, die het Midden-Oosten niet meer interpreteert als een cruciale bedreiging, kun je nog begrijpen. Maar de naïviteit waarmee Europa de oorlogen voor haar deur benadert, is onvergeeflijk. De laatste jaren hebben we wel vaker geslaapwandeld.
Nadat de Amerikaanse huizenmarkt in 2007 verpulverde en Europese financiële industrie massale verliezen leed, werd de rekening doorgeschoven naar de nationale overheden en vervolgens naar ons allen. In de nasleep van die stormvloed zakte ook de Eurozone in en werden alle met spuug en touw gedichte Europese constructiefouten gapende breuklijnen tussen landen, sectoren, bevolkingsgroepen, generaties en inkomenscategorieën. Bij nacht en ontij werden er maatregelen genomen om de monetaire stabiliteit te beveiligen. Nationale parlementen speelden de rol van notaris, wat tot de grootste crisis in het bestaan van de Europese Unie heeft geleid. Indicatoren zoals de Eurobarometer vertellen maar een deel van het verhaal. De knik in de publieke opinie verbergt 28 uiteenlopende discussies over de betekenis en toekomst van het in toenemende mate stuurloze intergouvernementele Europa.
De voorstanders van een federaal Europa zijn zo goed als onzichtbaar geworden. Jacques Delors leeft nog, maar hij zal straks herinnerd worden door zijn landgenoten als een vreemde vogel die de Franse belangen wat uit het oog verloor. Het is een basishouding van de Franse politiek geweest om via de Europese cenakels de verloren grandeur na te streven. Vandaag hangt de Franse samenleving in de touwen en viert het déclinisme hoogtij. Ze vallen over elkaar heen, de ondergangsprofeten en doemdenkers. Marianne is vervangen door Cassandra. Te midden van die hysterisch beleefde collectieve wanhoop zijn er enkele wakkere zielen die de Franse depressie voldoende nauwkeurig beschrijven, zodat hun analyse bruikbaar wordt voor andere Europeanen. Nicolas Baverez of Marcel Gauchet, van wie Jacques Chirac midden jaren negentig het concept ‘fracture sociale’ overnam. Die laatste beschrijft in Comprendre le malheur français hoe en waarom Frankrijk schrik heeft voor de toekomst. Pas nu, zo stelt Gauchet, is het besef goed en wel doorgedrongen dat Frankrijk een groot klein land blijft, ondanks alle retoriek en holle Europese gestes. Wijlen François Mitterrand had de Fransen wijsgemaakt dat ze de politieke leiding in Europa konden nemen, terwijl de Duitsers de economie wel op orde zouden brengen. De verwachting dat er een sociaal Europa zou komen waar we blindelings bevoegdheden aan konden afstaan, is verdwenen – zeker na het Franse en Nederlandse ‘nee’ in de referenda van 2005. Terwijl de globalisering exponentieel toenam en de beslissingsmacht van de natiestaten afkalfde, was het vooral Frankrijk dat het moest bekopen, want net dat land had geen liberale economische traditie. De politieke klasse, de staatsstructuur en de burgers zelf ondervinden er bijzonder veel moeite om de realiteit onder ogen te zien en ernaar te handelen. Gauchet volgt met die interpretatie een patroon dat hij eerder al had geschetst in de essays in Le désenchantement du monde: daarin benadrukt hij dat we de geschiedenis van de moderne mens en de peripetieën van de democratie moeten lezen als een langgerekt afscheid van de religie. En wellicht is dat net iets dat wij allen opnieuw moeten leren: afscheid nemen.

(Altijd dolle pret bij Ce soir ou jamais, hier op 8 april jongstleden, met Marcel Gauchet.)

Afscheid van de bucolische droom dat het naoorlogse Europa immuun is voor de woeste koortsaanvallen van de geschiedenis. Afscheid van de illusie dat een federale utopie volstaat om de politieke verantwoordelijkheid van de Europese lidstaten op te heffen. Afscheid nemen van de misvatting dat er vanzelf meer samenwerking tussen Europese lidstaten komt, zelfs al is die samenwerking noodzakelijk om het Europese project te redden. Afscheid nemen van de gewoonte om het belang van een impopulaire maatregel, zoals die Europese samenwerking, voor waar aan te nemen zonder haar te verdedigen en uit te voeren. Afscheid nemen van de illusie dat magisch denken in de plaats kan komen van Realpolitik. Het is een oefening die alle Europeanen van pas zal komen, zeker ook Marcel Gauchet. Zijn voorspelbaar euroscepticisme is sterk gekleurd door de overtuiging dat het Franse centralistische denken zaligmakend is. Maar als we niet de Europese Unie willen, wat dan wel? De ellende van de afgelopen maanden heeft nogmaals bewezen dat het ontbreken van een entente tussen Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië gegarandeerd miserie oplevert. Alarmsignalen te over: de diepe crisis van de Franse economie en samenleving, de feitelijke breuk in de samenwerking met Duitsland, het nieuwe Duitse wantrouwen tegen Europa of de sluipende aftocht van de Britten. Kleine landen met een open economie, zoals de Benelux, hebben echt niets te winnen bij dit bleke toekomstbeeld. Net daarom zal Europa altijd meer oplossing dan probleem blijven, alle Brusselbashen ten spijt. Die woede verdient een grondiger denkoefening.
Niet zozeer de notariële rol van de politiek heeft burgers opstandig gemaakt, want het acquis communautaire, het geheel van Europese verdragen, verordeningen en richtlijnen, bestaat sinds het begin van de unie en neemt alleen maar in omvang toe. Het heeft nooit grote beroering gewekt, tenzij bij de boeren die uit onvrede hun melkwagens lieten leeglopen en voor de zoveelste keer in optocht de snelwegen blokkeerden. Tot bij de stille meerderheid het besef groeide dat hun belangen niet goed genoeg worden verdedigd. Hoewel het acquis communautaire van ons allen is, lijkt het velen een wereldvreemd verzinsel van een regentendom dat aan het Luxemburgplein flessen Veuve Clicquot laat knallen terwijl de man in de straat afdraagt, afziet, wordt afgezet. En dan moest de grote klap nog komen.
Het proces van de afstandelijke, op vrijhandel gerichte Europese politiek is al vaak gemaakt, maar ook dat van nationale verkozenen die Europa gebruiken als zondebok. Het democratische deficit heeft evenzeer te maken met de zwakheid van de Europese instellingen als met de degradatie van de nationale parlementen. Onze stem gaat vaak verloren, omdat ze niet goed genoeg kan worden gebruikt. Uiteraard kun je ook de ideologische keuze maken om de terugkeer van de Kleinstaterei na te streven, wat zeker tot leuke verkiezingsuitslagen leidt op voorwaarde dat er veel tremolo in het programma zit. Maar veel meer dan een goed gevoel koop je er niet mee. We kunnen de geografie en de geschiedenis van het continent niet veranderen. En op het eind van de dag moet vooral de rekening kloppen.

(Pierre Rosanvallon over zijn La société des égaux - met dan aan die fantastische boekhandel in Bordeaux, librairie Mollat.)

Pierre Rosanvallon heeft in La société des égaux uitgebreid beschreven hoe we in de loop van de vorige eeuw begrippen als plicht, verdienste, verantwoordelijkheid, autonomie en solidariteit een andere betekenis hebben gegeven. Het beginpunt van onze moderne wereld bevond zich in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog. Tijdens de bloedbaden van Ieper tot Gallipoli werden de levens van hele generaties mannen genationaliseerd. De nog massalere Tweede Wereldoorlog versterkte het gevoel dat er een sociale dimensie was die het individu oversteeg. Om de nieuwe vredestijd vorm te geven, zouden we de economie en de samenleving grotendeels ontindividualiseren. Een samenleving van individuen die hun boontjes maar moesten doppen, werd een onlosmakelijk met elkaar verbonden groep mensen. De ‘donkere’ negentiende eeuw, die bij ons nog steeds onterecht vaak nachtmerries van Dickensiaanse allure oproept, was gericht op persoonlijke verantwoordelijkheid. In navolging van William Beveridge verzon elk West-Europees tegen het midden van de twintigste eeuw een verzorgingsstaat, met vaandeldragers zoals de commissie van Rhijn en Willem Drees, of het sociaal pact van Achiel Van Akker. Dat waren nog eens politici: geen avonturen, maar voortbesturen!
De verzorgingsstaat regelde een collectief beheer van individuele risico’s, door een breed opgezette sociale verzekering te organiseren, progressieve belastingen te heffen en de markt te corrigeren – bijvoorbeeld door een minimumloon af te spreken. In die context waren ziekte en tegenslag gebeurtenissen die aan de controle van de individuele burger ontsnapten. Over de partij- en landsgrenzen heen bestond er in West-Europa een intellectuele en politieke consensus om welvaart te herverdelen. Die overtuiging was ook ingegeven door de angst dat te veel ongelijkheid voor sociale onrust zou zorgen. De afgelopen decennia zijn er voldoende momenten geweest waarop we collectief konden beseffen dat de wereld van Beveridge tot het verleden behoorde: de vergrijzing, de schuldencrisis, de voortvarende uitbreiding van de Europese Unie. We hebben niet zelden gekozen om aan te modderen. Tot de massale komst van de anderen. Niets heeft ons zo met de neus op de feiten gedrukt.
Op enkele maanden tijd hebben we een duidelijk zicht gekregen op de drie grote opties die we kunnen nemen: populisme, universalisme en iets nieuws. De welvaartsstaat verkeert uiteraard al langer in een diepe crisis, waarbij de sociale angst vooral is toegespitst op immigratie, veiligheid en terreur. De toeristische frontfestijnen die bij de herdenking van de Eerste Wereldoorlog worden ingericht, maken verrassend duidelijk hoezeer we de lotsgemeenschap uit die tijd missen. Dat cement is verbrokkeld. Een hernieuwd geloof in individuele verantwoordelijkheid bepaalt ons denken over de samenleving, met de ondernemer als heraut. Ideologische revoluties liggen niet meer in het verschiet. En we zitten slecht bij kas. Geen wonder dat de ongelijkheid toeneemt, ook tussen landen en in Europa. De komst van de anderen zet alleen maar scherper in de verf dat we niet meer in staat zijn om een werkbare en breed gedeelde invulling te geven aan wat rechtvaardigheid en gelijkwaardigheid voor ons betekenen. Zolang we daar niet toe in staat zijn, kunnen we die rechtvaardigheid en gelijkwaardigheid ook niet verdedigen of verspreiden, laat staan in stand houden. Het is eigenlijk hetzelfde probleem dat we ook met identiteit, cultuur en geloof ervaren. Verwarring.
Intussen werken we ijverig verder. De koers van de ECB en onze worsteling met het inflatiepeil zijn een fikse discussie waard, maar wat zou er gebeurd zijn als we niet hadden kunnen rekenen op een in omvang en duurtijd ongekend stimulusprogramma? Onze economie draait en de creatieve destructie gaat onverminderd door. Het is niet omdat we ons in een meervoudige morele, politieke en maatschappelijke crisis bevinden dat we geen groei meer nodig zouden hebben. We zouden de hervorming van Europa ook kunnen bekijken vanuit het standpunt van de sociale mobiliteit, in plaats van de toegenomen ongelijkheid. En in plaats van allen naar Thomas Piketty te kijken, die zich tegenwoordig overigens angstwekkend dicht in de buurt van het ten dode opgeschreven archaïsche socialisme van Martine Aubry bevindt, zouden we ook naar economen als Raj Chetty kunnen luisteren. Die Amerikaan van Indiase afkomst gebruikt big data om te onderzoeken hoe het is gesteld met de kansengelijkheid in de Amerikaanse samenleving: hoe kun je de economische vooruitzichten van kinderen uit arme gezinnen verbeteren? Uit zijn papers blijkt hoe uitermate divers en lokaal je een samenleving moet kunnen bekijken als je beleidsuitspraken over sociale kwesties doet. Sociale mobiliteit blijkt volgens het onderzoek van Chetty het meest te worden beïnvloed door drie factoren: economische groei, stabiele huwelijken en een goed lokaal beleid.

(Raj - zeg 'Raach' - Chetty aan het woord, anno 2013.)
Blind universalisme leidt ertoe dat mensen worden weggehaald uit hun context en hun eigenheid bij de douane moeten achterlaten. Zo creëer je naakte individuen die de regels van de samenleving volgen, zonder te weten hoe ze die regels moeten verklaren. Dat blinde universalisme is vaak een voorwaarde om een sociaalliberale politiek te kunnen voeren die ons zovele goede diensten heeft bewezen tijdens de hoogdagen van de verzorgingsstaat. Als je gelijkwaardigheid nastreeft, kun je in de verleiding komen om mensen te ontdoen van hun specifieke kenmerken. Nu we weer meer belang hechten aan de persoonlijke verantwoordelijkheid, kan de blinde universalistische aanpak leiden tot een ongezellige, onbarmhartige en genadeloze wereld waarin mensen hun problemen maar moeten inslikken. Net dat laatste brute fenomeen – eet je bord leeg en zwijg! – heeft er mee voor gezorgd dat in grote delen van West-Europa, en Amerika, burgers die de trein van de vooruitgang hebben gemist (of niemand in hun coupé willen toelaten) zich bekennen tot het populisme. Dat is overigens een Europees exportproduct, ontworpen tijdens de globaliseringsgolf van de late negentiende eeuw: alles wat ons beveiligt tegen het woeste kapitalisme deugt. Ook nu weer. De krachtigste politieke stem van het moment is het nationaal-protectionisme dat gelijkheid interpreteert als een geheel van uitsluitingen. Het lucht op, maar er komt niets goeds van.
We hebben de kans om te zoeken naar iets nieuws, een geheel van opvattingen waarmee we gelijkwaardigheid opnieuw correct kunnen berekenen en tegelijkertijd een sociale betekenis kunnen geven. Zorg dat de liberale democratie, hoe imperfect ook, meer vertrouwen dan afkeer wekt en beter dan vandaag in staat is om conflicten op te lossen. In dat opzicht is gelijkwaardigheid een maatstaf voor onze onderlinge verbondenheid en heeft ze meer met de structuur van de samenleving te maken dan met de naakte individuele calculus. Pierre Rosanvallon verwijst naar drie principes: de erkenning van de eigenheid en waarde van een samenleving (in tegenstelling tot individualisme), de organisatie van wederzijdsheid (in de onderlinge relatie tussen burgers), en het opbouwen van gemeenschappelijkheid (voor de hele samenleving). Die gelijkwaardigheid zal onvermijdelijk ook een Europese dimensie krijgen, zoals de idee om in de Europese Unie weer een kerngroep van landen te maken die nauw kunnen samenwerken. En misschien hangt zelfs ons geopolitiek denken ervan af: als we onze eigen belangen niet kunnen definiëren, kunnen we ze ook niet nastreven, delen en verdedigen. Zo bekeken zijn de warboel aan de Europese grenzen, het morele failliet na de ruiloperatie met de Turkse staat en onze machteloze positie tegenover de Syrische oorlog geen symptomen van de ondergang van het Avondland, maar pijnlijke gevolgen van de transitie waarin onze welvaartsstaat zich bevindt. Het naoorlogse herverdelingsmechanisme moet sneller, ingrijpender en creatiever worden verbouwd dan de meesten onder ons vermoedden. Hoe en voor wie slachten we het gemeste kalf? Alle suggesties welkom.

Harold Polis

(Dit stuk verscheen in het meinummer 2016 van Streven.)

Literatuur

Marcel Gauchet, Le désenchantement du monde. Une histoire politique de la réligion, Gallimard, 1985.
Marcel Gauchet, Comprendre le malheur français (in samenwerking met Eric Conan et François Azouvi), Stock, 2016.

Nicolas Baverez, Danser sur un volcan. Espoirs et risques du XXIème siècle, Albin Michel, 2016.

Pierre Rosanvallon, La société des égaux, Seuil, 2011.

Geen opmerkingen: