zondag 16 november 2008

Kameraad Casanova


Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious
(Portret van Casanova als oude man.)

Staatsgarantie voor de banken? Ach, waarom ook niet. Maar de seksindustrie nationaliseren, daar waagt zelfs de wanhopigste socialist zich niet aan. Nochtans zijn er precedenten. In het Europa van de achttiende eeuw was seks een zaak van staatsraison. De betere klassen beleefden een subcultuur van concubinaat en prostitutie. In een tijd van verstandshuwelijken had het weinig zin om naar romantiek te zoeken. Dus rommelde iedereen vrolijk aan. Sociale mobiliteit dwong je af tussen de lakens. Van Moskou tot Londen strekte zich een netwerk uit van boudoirs en bedgeheimen. Voor een slaapkameratleet als Casanova was het hard werken.

Op het eind van zijn sportieve loopbaan trok Casanova zich terug in het kasteel van een bewonderaar in Noord-Bohemen (het huidige Tsjechië). Daar schreef hij zijn fameuze memoires. Het ongecensureerde manuscript van Histoire de ma vie zou uiteindelijk 12 delen feestplezier opleveren. Casanova’s postume roem was gebaseerd op de vele ingekorte en gemanipuleerde roofdrukken die meer dan een eeuw lang werden verkocht als authentiek document. Na heel wat omzwervingen kwam het manuscript van Histoire de ma vie in handen van de firma Brockhaus, de uitgever van de gelijknamige encyclopedie. Het werk aan de ongecensureerde editie zou pas na de Tweede Wereldoorlog beginnen, nadat het manuscript de geallieerde bombardementen op Leipzig had overleefd.

Casanova lijkt een Don Juan met moreel besef. Die legendarische verleider steelt vrouwenharten op industriële schaal, zonder enig teken van wroeging. Dat was zeker niet de stijl van Casanova, hoewel de vrouwelijke prooien in Histoire de ma vie niet zelden labiel zijn. Dus ja, het Venetiaanse wonderkind maakte wel degelijk misbruik van andermans zwakheden. Maar hij had lief, maakte vervolgens dat hij weg kwam en betaalde (meestal) de rekening. Echte schurkenstreken bewaarde hij voor speciale gelegenheden.

Het oplichten van idioten was volgens Casanova een teken van intelligentie. Een van de meer groteske slachtoffers uit Histoire de ma vie is een excentrieke en goedgelovige Parijse weduwe, madame d'Urfé genaamd. Mevrouw de markiezin wordt een van de minnaressen van Casanova. Zijn verbluffende kennis van occulte onzin en kabbalistiek zal haar ondergang betekenen. Ze draagt Casanova op om uit te vissen hoe ze herboren kan worden in een nieuw lichaam. Uiteindelijk stelt hij madame d'Urfé voor om magisch ceremonieel uit te voeren, zodat ze zichzelf kan bezwangeren en een jongen kan baren die bij de geboorte haar ziel zal overnemen. Dat kwam uiteraard niet goed, maar intussen had Casanova toch enkele keren op haar kosten heen en weer gereisd door Europa.

Casanova was fundamenteel onderweg. Hij kwam overal, kende iedereen, van Voltaire tot Mozart, en stelde al die ervaringen op schrift. Bronnenonderzoek wijst uit dat de Casanova zeer waarheidsgetrouw te werk ging. Zijn blik op de wereld was indrukwekkend ruim, een kwaliteit die hij deelde met de meeste collega’s uit de betere kringen. Het maakt van hem een van de eerste werkelijk Europese schrijvers. Histoire de ma vie, in het Nederlands vertaald door Theo Kars, is een monument van mateloze vrijpostigheid. En dat voor een christelijke vrijmetselaar die zelfbeheersing als de grootste deugd bestempelde.

Harold Polis

(Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van 12 november 2008.)

Achilles en de schildpad


Furl this page

Digg!

(Kasteel Cantecroy in Mortsel. Vruchteloos belegerd tijdens de beeldenstorm, maar nu geknecht door de vergrijzing. Het complex wordt omgebouwd tot luxeserviceflats.)

Over vergrijzing, pensioenen en het verraad van de arbeiders

Zelfs de afgelopen zomer kwamen er in het verstikkende debat over de toekomst van de Belgische federatie nog concrete onderwerpen aan bod. Een artikel van onderzoekers Bea Cantillon, Hendrik Larmuseau en Stijn Lefebure in het Belgisch Tijdschrift voor Sociale Zekerheid deed minister van Pensioenen Marie Arena (PS) in volle zomer naar de grote middelen grijpen. In feite had Cantillon niet meer gedaan dan herhalen wat ze zo vaak heeft gezegd: dat een groot deel van de gepensioneerde Belgen het in toenemende mate moeilijk krijgt. De minister kwam prompt met een vijfjarenplan aanzetten, dat op aloude wijze moest bewijzen hoe stevig de staat de teugels wel in handen had.
De vaststelling die Cantillon cum suis doet, op basis van haar diachroon en voorspellend onderzoek, is van een glasheldere onverzettelijkheid die naar adem doet happen. ‘Indien het beleid een adequate eerste pijlerpensioen ambieert is de tijd tot handelen beperkt.’ De meervoudige beleidsstrategie die ten tijde van het Generatiepact is ontworpen, volstaat niet meer om de fundamentele verschraling van het wettelijke pensioen te keren. Bovendien vallen de economische vooruitzichten tegen en gaat het met de noodzakelijke begrotingsoverschotten de verkeerde richting uit. Onder meer kamervoorzitter Herman Van Rompuy hamerde tijdens zijn oppositiejaren op het gevaar van een verzwakking van het fameuze primaire saldo (het begrotingssaldo zonder interestlast). De feiten, zoals ze bijvoorbeeld genoteerd zijn in het jaarrapport van de Studiecommissie voor de vergrijzing, tonen dat er tijd verloren is gegaan bij het voorfinancieren van toekomstige kosten. We zullen dus binnenkort wat krap zitten.
Ingrijpender is de keuze die wordt gemaakt door niet te handelen. Zelfs wie de paarse jaren het ergste vindt sinds de doortocht van de hertog van Alva, zal moeten bekennen dat anderhalf jaar steggelen aan de hand van synoptische tabellen niet meteen een helder plan heeft opgeleverd, laat staan tot daden heeft geleid. Cantillon wijst op de stilzwijgende aanvaarding van het universeel pensioen. Als het wettelijke pensioen niet voldoende welvaart garandeert en de tussentijdse beleidscorrecties vooral de pensioenen bevorderen van mensen die geen volle loopbaan hebben gehad, dan eindigen we straks allen met een eenheidspensioen. Dat leidt tot een absolute gelijkheid die de ongelijkheid vergroot en de solidariteit fundamenteel onder druk zet. ‘Als Achilles sneller loopt dan de schildpad, dan haalt Achilles op een gegeven moment de schildpad bij’, besluit Cantillon. De paradoxale benadering van de pensioenen wordt inderdaad ingehaald door de werkelijkheid. Maar er is nog een andere interpretatie van de paradoxen die toegeschreven zijn aan Zeno van Elea, met name dat het verdelen van een probleem in deelproblemen niet altijd zorgt voor een oplossing die getuigt van gezond verstand.
Uiteraard is er een aantal kanttekeningen te maken bij de herhaalde klacht van Cantillon. Het blijft heel moeilijk, zo niet onmogelijk, om nauwkeurig te bepalen wat het werkelijke vermogen van de gepensioneerde Belg is. Die hoeft niet uitsluitend te betrouwen op zijn deel van het repartitiestelsel of op de uitbetaling van zijn verzekering. Meestal is hij eigenaar van zijn huis, heeft hij nog andere onroerende bezittingen of houdt hij er beleggingen op na. En, niet te vergeten, hij heeft aan pensioensparen gedaan. Dat ‘grijze’ vermogen is velen een doorn in het oog. Nog niet zo lang geleden zat een behoorlijk deel van dat geld in Luxemburg, buiten bereik van de Belgische fiscus. Dankzij de fiscale amnestie zijn er aanzienlijke kapitalen gerepatrieerd. En bovendien is de couponnetjestrein een anachronisme geworden. Vanaf 1 januari van dit jaar morgen er geen papieren effecten meer worden geleverd. Eind 2013 moeten de laatste papieren effecten bij de bank worden gedeponeerd. Al dat spaargeld maakt mee onze welvaart mogelijk en houdt voor velen ook de oude dag betaalbaar. De pleidooien om die inkomsten uit kapitaal zwaarder te belasten, komen echter meestal van dezelfde politici die vinden dat de wettelijke pensioenen fundamenteel omhoog moeten of die ambtenarenpensioenen onaantastbaar achten. Naast het feit dat het beheer van ons pensioenstelsel en de financiering ervan een haast mystieke moeilijkheidsgraad bereiken, valt het op hoe schizofreen we wel niet over dat pensioen denken. Tot een volksopstand zal het gewis niet komen, maar de meeste mensen bereiden in stilte naarstig een oplossing voor.
Het is bovendien niet al goud dat blinkt. De aanwijsbare toename van het aantal verarmde gepensioneerden terugbrengen tot inkomensarmoede strookt niet met de werkelijkheid. Eenzaamheid, isolement en gezondheidsproblemen vormen een niet te onderschatten factor. Volgens de klassieke definitie van Jan Vranken is armoede een netwerk van sociale uitsluitingen dat meerdere aspecten van het individuele en collectieve bestaan behelst. Armen staan naast de samenleving en kunnen die kloof niet op eigen kracht overbruggen. Dat is helaas ook het lot van steeds meer ouderen.
Terwijl het communautaire schimmenspel in alle nutteloosheid voortwoedt, blijft de vergrijzing als politiek thema slechts een anekdote, een uit te werken doelstelling en de allocatie van wat bij elkaar geschraapte middelen. Nochtans is net die vergrijzing, als symbool van een kantelende maatschappij, essentiëler voor ons dan het confederalisme sui generis, de hervorming van de beruchte financieringswet of de worsteling met een op negentiende-eeuws idealisme gebaseerde nationalistische heilsdroom. De gevolgen van de vergrijzing laten zich niets gelegen aan rang, taal, afkomst of vermogen. Het is een geruisloze storm die bij zijn doortocht niets onberoerd laat, en die het uitzicht van onze samenleving fundamenteel verandert.

Rond 1900 had een Belgische man bij zijn geboorte een levensverwachting van 45 jaar. De Pensioenkassen functioneerden op primitieve wijze. Medische zorgen waren eerder rudimentair. De dood was alomtegenwoordig, niet het minst omdat de werkmens labeurde en zijn lichaam daar de tekenen van droeg. Aftakeling door arbeid was niet minder vanzelfsprekend dan het ultieme afscheid, en werd door velen ervaren als een onderscheiding. Bij gebrek aan bezittingen, kennis of uitzicht op een gesofisticeerder leven, probeerden mensen hun lot te aanvaarden. En voor wie zich weigerde neer te leggen bij de omstandigheden, was de sociale mobiliteit nog een echte droom – en één die het waard was om gekoesterd te worden.
Het verschil met vandaag kan niet groter zijn, althans in het Westen. In grote delen van de wereld, en vooral daar waar mensen zeer goed beseffen wat het leven op het scherp van het zwaard betekent, is de drang om vooruit te komen immens. De tijdelijke surseance van de Europese Unie heeft ook gedeeltelijk met dat verschil in ritmiek te maken, namelijk dat wij de toevloed van op ambitie en overlevingsdrang gerichte migranten niet aankunnen. Zij confronteren ons immers onder meer met onze eigen lusteloosheid (de nieuwste welvaartsziekte heet bore-out) en brengen ons in herinnering dat verworven rechten geen eeuwigheid meegaan. De sektarische vreemdelingenhaat die sinds de jaren tachtig politiek wordt uitgebuit, heeft in verschillende opzichten tot bewustzijnsvernauwing geleid.
De recente problemen naar aanleiding van de bouw van een grote moskee in Keulen vormen hiervan een prachtig voorbeeld. De anti-islamlobby had midden september verzamelen geblazen om de Keulse schande aan te klagen; onder meer Filip Dewinter zou de Keulse malcontenten toespreken. Prompt werd een aanzienlijke tegenbetoging georganiseerd, mede door extreem links, waarbij ideologisch gedrilde atheïsten dus voor de bouw van een tempel vochten, voornamelijk omdat die ene monotheïstische godsdienst, de islam, niet goed ligt bij blanke, christelijk geïnspireerde extremisten.
Dit soort conflicten is in de loop der jaren zowel folkloristischer geworden als platvloerser. We zijn bang voor wat ‘de vreemdeling’ ons zal ontnemen: een dochter, geld, onze job, onze cultuur. Maar nog meer schrik hebben we voor wat hij durft en kan: thuis weggaan, onder de prijs werken, zijn leven riskeren. Terwijl de autochtone samenleving zich verliest in ahistorisch hedonisme en er doelloos ‘voor wil gaan’, zijn het eerder de migranten die voeling met de geschiedenis hebben behouden en daar ook naar handelen. Iemand die tweeduizend kilometer ver rijdt om, gewapend met een toeristenvisum, drie maanden lang in het zwart muren te stuken, heeft een net iets scherper gevoel voor urgentie dan iemand die ertegenop ziet om (met een volledig terugbetaald treinabonnement) naar Brussel te pendelen. Ook in dit geval loopt Achilles sneller dan de schildpad.

Het is een hele opgave om een totaalaanpak van de vergrijzing te ontwikkelen. Dit komt onder meer omdat we nog volop bezig zijn met het opmeten van de omvang van het probleem. Stilaan komt er ook een stroom publicaties op gang die, niet altijd even sterk gedocumenteerd, dieper ingaan op de maatschappelijke consequenties van grijs. In Hoe de wereld verandert doordat wij steeds ouder worden van Hervé Juvin bijvoorbeeld wordt er een metafysica van de vergrijzing geschetst. Juvin, die bijwijlen toch wel heel sterk beïnvloed lijkt door de transcendente antropo-sociologische gedachten van zijn inspirator Marcel Gauchet, fixeert zijn boek rond de almacht die de westerse mens toedicht aan zijn lichaam, het momentane, het tactiele, het nu. Het komt er dan eigenlijk op neer dat het opschuiven van onze leeftijdsgrens ook een kentering heeft teweeggebracht in onze maatschappelijke, ethische en religieuze overtuigingen. Want ja, wat moet je in godsnaam met die 80 of meer jaren aanvangen? Een eeuw geleden had de gemiddelde man het wel even makkelijker. Eeuwige trouw zweren aan een vrouw was bijvoorbeeld niet zo moeilijk, omdat je doorgaans toch jong stierf. ‘De gemiddelde Fransman,’ zo schrijft Juvin, ‘heeft langer een relatie met zijn bank dan met zijn vrouw.’ Het is misschien sociologie van de koude grond, maar onwaar is het allerminst. Even scherp zijn Juvins notities bij de vernietiging van kapitaal door op welbehagen en luxe gerichte bejaarden. De cultus van het eeuwig jonge lichaam, de in te halen verloren tijd en de commerciële angst voor de dood doen erfenissen smelten als ijs voor de zon. Maar ook hier geeft de leeftijd de doorslag: ze worden zo oud, meneer!
Juvin gaat het verband tussen vergrijzing en politiek niet uit de weg. Het oude Europa is daardoor van nature behoudsgezind en inert, wat Juvin tot een cruciaal inzicht brengt: ‘Er is voor ons meer te bewaren dan op te bouwen, meer te beschermen dan te veroveren. […] Dat zou wel eens het einde van de democratie kunnen betekenen, omdat mensen het idee is afgenomen dat je als individu een stempel kunt drukken op collectieve vooruitgang, terwijl geen enkele vorm van vooruitgang meer mag ingrijpen in individuele levenskeuzen.’ Tja, vooruitgang en solidariteit, wie lust dat nog? Vorige eeuw waren die begrippen verpakt in ideologisch onderscheiden politieke bewegingen. Vandaag echter hebben die klassieke partijen hun mobiliserende kracht grotendeels verloren en verkoopt zowat iedereen hetzelfde politieke product.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat in heel Europa net die partijen afbrokkelen waarvan het programma het minst kameleontisch is. In het beste geval is die kameleontische politiek een pragmatisch en probleemoplossend antwoord op de versie van de ‘vloeibare moderniteit’ die Zygmunt Bauman heeft beschreven: de chaotische moderniteit, algehele ambivalentie, toegenomen onzekerheden. In het slechtste geval gaat het om kortzichtige machtspolitiek die even sterk op het behoud van de eigen posities is gericht als de intuïtieve vraag van de kiezer. Op dit moment in de geschiedenis hebben de linkse partijen in Europa zich het slechtst voorbereid om de ‘vloeibare moderniteit’ aan te pakken, terwijl thema’s als vergrijzing, solidariteit en sociale mobiliteit van oudsher tot hun kerntaken behoorden. Wellicht ervaren we eindelijk het definitieve afscheid van wat sinds de Franse Revolutie de klassieke links-rechtstegenstelling is geweest. De Franse president Sarkozy is het symbool van die omkering van de waarden. Hij gebruikt links sinds zijn aantreden als een reservoir van ideeën, mensen en gezagsargumenten waar hij vrijelijk uit put om zijn politieke doelstellingen te bereiken. In een bepalend artikel in Newsweek werd de huidige generatie socialistische politici dan ook niet onterecht omschreven als ‘the lame left’: ‘But the biggest dilemma is that most parties on the left have not figured out how to adapt their old welfare-statist ideologies to modern economic realities – while appealing to voters who see modern reform as a betrayal of their parties' traditional socialist ideals, and who often have more-extreme left-wing parties to turn to.’
Misschien is die fundamentele breuk veel vroeger opgetreden, in België op Zwarte Zondag 24 november 1991 bijvoorbeeld. In Farewell to the Leftist Working Class geven Dick Houtman, Peter Achterberg en Anton Derks de definitieve diagnose van een maatschappelijke trauma dat zo diep dat het al bijna twintig jaar de politiek verziekt. ‘De arbeider’ beseft dat zijn sociale rechten uitgehold worden en niet meer overeenkomen met zijn persoonlijke verdienste. Hoe universeler die rechten worden, zoals het pensioen, hoe meer mensen worden aangespoord om strenger te oordelen over ‘het profitariaat’: de mensen en structuren die oneerlijk gebruik lijken te maken van gemeenschapsgeld. En de arbeider, hij stemde rechts, omdat hij vond dat hij niet anders kon.

Harold Polis

(Dit stuk verscheen eerder in Streven van november 2008.)


Bronnen

Bea Cantillon, Hendrik Larmuseau en Stijn Lefebure, ‘Armoede en welvaart bij Belgische ouderen: vooruitzichten bij het pensioenbeleid’, in Belgisch Tijdschrift voor Sociale Zekerheid, jrg. 49 (2007), nr. 4, p. 793-811.
Dick Houtman, Peter Achterberg en Anton Derks, Farewell to the Leftist Working Class, Transaction Publishers, Edison, 2008.
Hervé Juvin, Hoe de wereld verandert doordat wij steeds ouder worden, Meulenhoff, Amsterdam, 2008.
Stefan Theil, ‘The New Low Lights On The Left. Europe may have the weakest roster of social democratic leaders in a generation’, in Newsweek, 13 september 2008.

Demografische gegevens vind je terug op de site van het Nationaal Instituut voor de Statistiek: http://www.statbel.fgov.be/

vrijdag 31 oktober 2008

'Het literatuurloze universum' wint de CELT-prijs

Furl this page
De prijs voor het beste Vlaamse tijdschriftartikel van 2008 gaat naar 'Het literatuurloze universum', een tekst die ik dit jaar heb geschreven voor het tijdschrift Deux ex Machina.

Deze zeer eerbiedwaardige prijskamp wordt georganiseerd door het weekblad Knack en CeLT vzw, de vereniging van de Culturele en Literaire Tijdschriften uit Vlaanderen.

'Het literatuurloze universum' verschijnt in Boek 08 van Knack. Op vrijdag 7 november, tijdens de Knack-dag op de Boekenbeurs, wordt de prijs 'uitgereikt'.

Dit heuglijke nieuws zorgt alleszins voor dat ik voor het eerst op deze blog een bericht durf te posten dat uitdrukkelijk in de ik-persoon is geschreven, en niet als klassieke, autonome tekst is opgevat. Ik ben er de jury zeer dankbaar voor dat ze me geholpen hebben mijn schroom te overwinnen. Maar goed, omdat ik me morgen niet minder blauw zal ergeren aan het egotistische gezwets van web 2.0-gebruikers, zal ik die ik-persoon met mate blijven gebruiken.

Mijn grote dank ook aan Kris Lauwerys, redacteur van Deus ex Machina, aan wie ik exact een jaar geleden voorstelde om een tekst te schrijven op basis van een lezing van me over digitalisering en literatuur. Tot mijn grote verbazing zei Kris ja. De opdracht voor die lezing heb ik dan weer te danken aan Koen Broucke, de organisator van de Nottebohmlezingen in de Antwerpse Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience. En zeer zeker gaat mijn grote dank ook uit naar Bart van Loo die de lezing bijwoonde en me er achteraf van overtuigde de tekst voor te leggen aan zijn goede vriend Kris Lauwerys.

Het bewerken van die ene lezing is toen gruwelijk uit de hand gelopen. Enkele maanden lang heb ik capita selecta uit de immense bibliotheek over digitalisering bestudeerd, alle mogelijke blogs en sites bezocht, talloze boeken gekocht etc. Om die nuttige bijscholing af te ronden, heb ik toen besloten te doen wat ik, als analoge angsthaas, tot dan had geweigerd: een blog maken, Motoronderhoud genaamd.

Ik had het niet voor mogelijk gehouden dat er in de loop van dat ene jaar zoveel zou veranderen in de analoge boekenwereld. En toch is het zover: niemand trekt nog in twijfel dat er een markt zal ontstaan voor innovatieve producten als e-books en de bijhorende e-readers. Ook niet in het boekenvak, bij de mensen die het papier vuil maken. Die revolutie zet alles op losse schroeven; van auteur tot boekverkoper, iedereen zal zich een nieuwe rol moeten toeëigenen (en dat is het juiste werkwoord, want vanzelf zal het niet gaan). Het boek zal niet het kind van de rekening worden als we erin slagen ons gebrek aan kennis over web 2.0 weg te werken. Digitale angst, intellectueel nihilisme en gecultiveerde domheid hebben geen enkele zin meer. We gaan zeer boeiende en turbulente tijden tegemoet.

woensdag 29 oktober 2008

Vroeger las het beter (aflevering 1)


Op een of andere occulte manier heb ik in de loop der jaren heel wat afleveringen van HET BOEK IN VLAANDEREN verzameld. Vooral de vroege afleveringen lonen de moeite. Tot in de jaren dertig stonden de leden van de Vereeniging van Letterkundigen met hun adres in dat fameuze jaarboek. Kon je meteen je beklag doen als die roman was tegengevallen. Maar vele malen vreemder is het aantal nieuwe Nederlandstalige boeken dat toen door de leden van de VBVB (de voorloper van boek.be) werd aangeboden. Schrikbarend weinig. Fondslijsten leken eeuwig mee te gaan. Ah, dat waren pas tijden! Of toch net niet. De keuze was zo arm dat je spontaan een andere taal zou willen lezen.

Dat alles speelde zich niet af bij de oude Grieken, maar zeer dichtbij. Toen ik vorige week in een Brusselse file stond, viel me een van die vreselijke, dichtgemetselde stadskankers op. 'Gudrun' stond er op wat ooit het uithangbord was geweest.

Vanavond lees ik op p.53 van HET BOEK IN VLAANDEREN 1932 reclame voor de, uiteraard, zeer katholieke en zeer Vlaamsgezinde boek- en muziekhandel Gudrun, aan de Jacqmainlaan 98-100. Die Jacqmainlaan was tijdens een groot deel van de twintigste eeuw het zenuwcentrum van de Belgische pers (lees hierover 'De Standaard. Het levensverhaal van een Vlaamse krant' van Gaston Durnez).

Ga er maar eens kijken, aan de Jacqmainlain 98-100. Als je heel stil bent, hoor je onder het plaveisel de Zenne borrelen. En met wat verbeelding zie je een etalage met het driedelige Christusuren van Teophilus, geïllustreerd door de toen onvermijdelijke Joz. Leonard (prachtuitgave 50 frank).

...en als bij wonder heb ik het bewuste gebouw teruggevonden via flickr. De foto is van Frank Dhooghe.Add to Technorati Favorites

woensdag 22 oktober 2008

Hoe de OPEC de toekomst van de literatuur bepaalt


(Wenen, 10 juli 2008: persconferentie van Abdallah Salem el-Badri, de huidige voorzitter van de OPEC en wie weet de toekomstige sterke man van Boek.be, De Standaard der Letteren, De Morgen Uitgelezen, Knack en Het vrije Waasland.)


Echte literatuurliefhebbers komen met de wagen en geven vet gas. De onvolprezen Thomas L. Friedman beschrijft in The New York Times van dinsdag hoe de Amerikanen de afgelopen maanden hebben gereageerd op de exploderende benzineprijs. Ze bleven vaker thuis, gebruikten meer openbaar vervoer en kochten kleinere wagens. De prijs van de benzine is echter onder de 3 dollar gezakt (per gallon, niet per liter). Friedman houdt zijn hart vast voor wat komen gaat: Amerikanen die en masse weer hun SUV van stal halen om naar het koopcentrum of de bakker te scheuren. Echt vreemd is dat uiteraard niet. De Amerikaanse bakker ligt meestal niet om de hoek. Dus ja, de tegenvallende verkoop van om het even welke dienst of product heeft in Amerika geen klein beetje te maken met wat er aan de pomp gebeurt. De huidige voorzitter van de OPEC, de Lybiër Abdallah Salem el-Badri, heeft meer invloed op de verkoopcijfers van het Amerikaanse boekenvak dan twintig recensies in The New York Times.

Dat was Pierre Assouline ook al opgevallen. Die neemt op zijn blog een bericht van de Amerikaanse selfpublisher Morris Rosenthal over: Amazon zou voor het eerst in zijn geschiedenis een grotere jaaromzet hebben gehaald dan Barnes & Noble. Omdat Assouline allerminst een kwaaie vent is, geeft hij het bericht sec weer. Het vloeken laat hij over aan anderen. Rosenthal vertelt op zijn blog omstandig over het negatieve effect van de olieprijs op de boekenverkoop. Alweer Kaddhafi! Nog even en Jean-Marie Dedecker kan weer een complot ontmaskeren.

Assouline, Friedman en Rosenthal grijpen terug naar een voorspelling die je de afgelopen maanden wel vaker leest: een recessie zal het belang van het internet nog doen toenemen. Hoe minder transport- en stockagekosten, hoe beter. De verschuiving van 'print and warehouse' naar 'data warehousing and print' komt op die manier weer een stap dichter. Tot dan is het heerlijk toeven aan de pomp.

Up yours too, Michel Houellebecq!


(Hier links Houellebecq op 9 juni in Warshau. Vrijdagavond 10 oktober bij Café littéraire droeg hij dezelfde jas.)

Vrijdagavond 10 oktober geen seconde gemist van Café littéraire, het nieuwe literatuurprogramma op France2. Daniel Picouly is uiteraard een onovertroffen slijmbal die zijn gasten ophemelt tot ze spontaan beginnen te leviteren. Maar hij behandelt de kijker niet als een onnozelaar. Dat is vandaag al heel veel, Walter Grootaers. Bovendien spreekt Picouly zeer aangenaam Frans, wat altijd te verkiezen is boven beschaafd Liers. Die Picouly had midden oktober Michel Houellebecq en Bernard-Henri Levy in de uitzending. Beide mannen hebben samen een boek geschreven, Ennemis publics, waarin ze elkaars leven en werk ontleden. Een onwaarschijnlijke combinatie die twee, de afgelikte nouveau philosophe versus de cassandra van de middenklasse.

Ik heb het boek besteld en dus nog niet gelezen, maar ik ben zeer nieuwsgierig of de ijdeltuiterij van Levy en Houellebecq op papier werkt. Ondanks zijn inzet voor de honger in Afrika en andere wereldrampen is Levy allesbehalve een aangenaam mens. Zo'n type dat met geheven vinger roept dat het gaat regenen wanneer de druppels al vallen. Hij is best tot rake inzichten in staat (zoals zijn dissectie van druilerig links in Ce grand cadavre à la renverse), maar kan de eigenwaan niet laten. En Houellebecq, tja, die is vooral zichzelf. Met andere woorden, je verstaat hem amper. Walter Grootaers had zeker geroepen: 'Staat de micro niet aan, Michelleke?' In Frankrijk valt men de goden van de Parnassus echter niet lastig.

Of net wel? Levy en Houellebecq gingen maar door over de aanvallen op hun integriteit. 'Het probleem tegenwoordig', zei Houellebecq, 'is dat de mensen zo onbeschoft zijn.' Levy was één en al begrip en hekelde het boek dat de moeder van Houellebecq, Lucie Ceccaldi. over haar zoon had geschreven. Ceccaldi, die haar zoon consequent 'rejeton' noemt en niet 'fils'. Als zeer vermogend beheerder van venootschappen is Levy ook niet altijd vrij van kritiek gebleven. En toen het over de rechtszaken ging die Houellebecq wou aanspannen, riep Levy plots uit dat ze het duel weer moesten invoeren. Dat was tenminste nog een gezonde manier om een conflict te beslissen. Geen gedoe of tijdverlies. Gewoon het musket vastnemen en pang. Michel fluisterde haast onhoorbaar dat hij de rechtbank verkoos.

Eerder dit jaar overigens organiseerde uitgever Luc Pire op de Foire du Livre in Brussel een gevecht in regel met Thomas Gunzig. Auteursrechten vormden toen de inzet van het handgemeen. Het duel in het boekenvan is dus bezig aan een comeback. Gelukkig ontsnap ik de dans, want ik mag als ex-gewetensbezwaarde levenslang geen wapens dragen.

maandag 6 oktober 2008

Over de toekomst van het tijdschrift

Dromen van papier

Alles gaat digitaal. Daarover valt niet te redetwisten. En wat dan nog? Tien jaar geleden hebben we die discussie al eens gevoerd. Toen konden we schouderophalend doen alsof de literaire cultuur aan de digitale revolutie zou ontsnappen. De hyperventilerende nieuwlichterij in tijdschriften als Wired en bij schrijvers als Douglas Coupland vormde hoogstens een prachtig vormgegeven gimmick. De autistische wereld van de schermslaven van Microsoft die Coupland beschreef in zijn klassieke roman Microserfs is vandaag echter de universele norm geworden. En de literaire cultuur zelf zit verkeert in zwaar weer. Al was het maar omdat er steeds meer mensen opgroeien voor wie de papieren cultuur volslagen irrelevant is. Bovendien slagen we er niet voldoende in om onze literaire en culturele traditie opnieuw uit te vinden. In die omwenteling worden alle gedrukte media meegesleurd, ook de literaire en culturele tijdschriften.
Poëziemagazines zoals het Australische Jacket magazine bestaan uitsluitend online. Van de ruim driehonderd Engelse poëzietijdschriften is er een tachtigtal dat geen papier meer gebruikt. Poëzie is productneutraal en heeft het bij elke technologische overgang gered, van het papyrus tot de e-inkt. En nu in elk taalgebied het afscheid van de oude boekencultuur wordt voorbereid, staat de digitale versie van de poëzie klaar om tegemoet te komen aan de wensen van de lezer. Het circuit van poëzietijdschriften heeft nooit een enorme omvang gehad, maar sinds de poortwachters van de papieren poëziebastions in ijltempo hun macht verliezen, explodeert de beschikbare hoeveelheid poëzie. Rond 2000 schreven meer dan een miljoen Nederlanders regelmatig een gedicht. Om zich werkelijk schrijver te kunnen noemen, hadden ze vroeger het imprimatur nodig van een lezer, redacteur of een uitgever die met symbolische literaire macht bekleed was. Die toverspreuk is niet meer nodig. Iedereen pleurt zijn teksten in massale hoeveelheden op het internet of bestelt een aantal kopieën via een printing on demand-aanbieder. Een ISBN-nummer is gratis. De stap naar het schrijverschap heeft niets meer om het lijf. Slechts een fractie van die teksten komt in de boekhandel te liggen en krijgt aandacht in de reguliere media. Niet eerder in de geschiedenis hebben we zo ontzettend veel gedichten kunnen publiceren – wat niet betekent dat al die teksten ook worden gelezen. De gedachte alleen al dat het klassieke tijdschrift in die omstandigheden nog nodig zou zijn, lijkt elke verbeelding te tarten. Waarom zou het begeleiden van debutanten, het publiceren van waardevolle teksten, of het legitimeren van schrijvers en opinies beperkt blijven tot slecht verdeelde papieren tijdschriften met een minuscuul lezersbereik en een prehistorische publicatiefrequentie? Uiteraard biedt de literatuurgeschiedenis ronkende tegenvoorbeelden. In een historische poging om het grote publiek te bereiken bracht het Nieuw Wereldtijdschrift literatuur in magazinevorm. Die cruciale NWT-jaren (1984-1997) waren bijzonder invloedrijk, maar leverden ook het bewijs dat een als magazine vermomd literair tijdschrift het gewoon niet haalt. Het grote publiek negeerde het nicheblad NWT, ook omdat alle reguliere printmedia in die periode definitief ontzuilden en zich als magazines begonnen te gedragen: lange reportages, artistieke zwartwitfotografie, columns, diepte-interviews (met schrijvers), baljurken, champagne en esthetisch verpakte ellende. Vandaag is de aanwezigheid van literatuur, essay en kritiek in kranten en tijdschriften echter zo efemeer geworden, dat het belang van gedrukte en online nichebladen toeneemt.
In de gangbare theorie over de implosie van de gedrukte media zou het poëzietijdschrift er beter voor staan dan de generalistische krant. Het zijn de kranten die ten dode opgeschreven staan, niet de nichebladen. In 1961 kon wijlen Arthur Miller nog beweren dat ‘a good newspaper, I suppose, is a nation talking to itself’. Het is een uitspraak die thuishoort in het museum. Wereldwijd bezitten de reguliere media niet meer het monopolie op de gedeelde ervaring, de humanistische uitwisseling van ideeën of de vorming van het collectieve geheugen. Bovendien daalde tussen 1990 en 2004 het aantal werknemers in de Amerikaanse krantenindustrie met 19%. Het percentage is ontleend aan The vanishing newspaper, een uitmuntend helder boek waarin Philip Meyer de reeds geterroriseerde printindustrie nog meer nachtmerries bezorgde. Meyer voorspelt dat de laatste krant in het eerste kwartaal van 2043 in de bus valt.
Voor Europese landen zijn er geen vergelijkbare cijfers voorhanden – en misschien is dat maar beter. Al wie de laatste drie decennia mediageschiedenis enigszins kent, herinnert zich de accumulatie van bloedbaden bij stopzettingen, fusies en een eindeloze reeks herstructureringen. In Vlaanderen vormen de CIM-cijfers (persmetingen van het Centrum voor Informatie over de Media) van Gazet van Antwerpen een ideale barometer: die dalen al ontelbare jaren op rij. Het afremmen van het lezersverlies is vaak de enige zinvolle optie. Onderzoek naar lezersprofielen van Nederlandse kwaliteitskranten brengen dan weer steevast aan het licht dat de abonnees ouder worden en eenvoudigweg doodgaan, wat weinig opbeurend nieuws is in een markt die vooral draait op abonnementen. In België daarentegen is de losse verkoop koning en kunnen lezers via krantenwinkels geprikkeld worden met schelpen, kralen en talloze bonnenacties.
Het succes van de krant als kermiskraam verhult echter de fundamentele malaise van de gedrukte media. Mediawatcher Eric Alterman citeert in een recent essay in The New Yorker Bill Keller, de executive editor van The New York Times: ‘At places where editors and publishers gather, the mood these days is funereal. Editors ask one another, “How are you?,” in that sober tone one employs with friends who have just emerged from rehab or a messy divorce.’ En dat terwijl Kellers The New York Times als een van de meest dynamische kwaliteitskranten de moed heeft getoond om online volledig gratis te worden, in een poging om lezers, pageviews en advertentiedollars te vrijwaren. The New York Times is het bezit van een beursgenoteerd uitgeversbedrijf dat aandeelhouderswaarde tracht te creëren en dus niet uit idealisme handelt. En toch staat hier geen fout: de onlinekrant is al enkele maanden volledig gratis.

Als The New York Times, nota bene een commercieel product, gratis is, waarom zou je dan betalen voor een poëzietijdschrift? En waarom geeft Streven zichzelf niet voor nop weg? Literaire en culturele tijdschriften benaderen de kosteloosheid, maar zitten in een unieke positie: hun bestaan is niet verbonden aan reclame. Als je de werkelijke kostprijs per exemplaar zou berekenen, dan is zo’n tijdschrift eenvoudigweg onbetaalbaar duur. Daarom krijgen de bladen relatief veel geld toegestopt door de gemeenschap. En kunnen ze uitsluitend overleven door het onvermijdelijke liefdewerk. Dat zal nooit anders zijn. Discussies over het geringe bereik van gedrukte tijdschriften zijn puur tijdverlies en voeden zelden meer dan de eigenwaan of het cultuurpessimisme van de vraagsteller. De meest recente opflakkering van dit gejeremieer vond plaats in Nederland nadat NRC Handelsblad op 15 februari een oproep lanceerde om de vaderlandse literaire tijdschriften te saneren: hun bereik is zo gering geworden dat ze zich beter zouden hergroeperen. Niet zozeer die volstrekt legitieme vaststelling roept vragen op, als wel de discussie die losbarstte. In het Cultureel Supplement werden reacties van De Revisor, De Gids en Bunker Bill geplaatst op het stuk van journalist Karel Berkhout. Veel boosheid en minachting vloeide weg naar blogs en discussiefora. Maar de digitale omwenteling zelf kwam slechts zeer terloops aan bod. Er is geen beter voorbeeld te vinden van wat Geert Joris, algemeen directeur van Boek.be, ‘Glaubensunwilligkeit’ noemt: de onwil om te geloven in de onvermijdelijke komst van het digitale boek en van de digitale leescultuur. Hopelijk gaat het ook echt om onwil, en niet om een uiting van reactionair fetisjisme, een tekort aan ondernemingszin of een gebrek aan kennis. In die drie laatste gevallen zou de literaire cultuur zichzelf immers veroordelen tot de volstrekte marginaliteit. Onwil kun je daarentegen nog corrigeren. Soms.
Web 2.0 beheerst ons leven, maar tijdschriften en magazines lijken de dans te ontspringen: ze houden hun lezers bij, zijn beter bestand tegen de erosie van de advertentiemarkt en moeten dus minder compromissen sluiten om te overleven. Er zijn tal van sterk uiteenlopende verklaringen voor dit fenomeen, maar de eerder aangehaalde Philip Meyer wijst op het succes van specialisatie. Hoe beter je je doelgroep kunt omschrijven en hoe trouwer je magazine de redactionele missie uitvoert, des te groter is de kans dat je ook mensen vindt die er geld voor willen geven. Vaak wordt daaraan toegevoegd dat magazines ook beter kunnen inspelen op het verlangen van lezers naar een object. Magazines worden vormgegeven, ontworpen en dies meer. Kranten daarentegen zijn niet meer dan met inkt besprenkeld dood hout – ondanks of eerder dankzij het feit dat de krantenvormgeving lijdt aan permanente revolutie. In het slechtste geval heb je een volstrekt zinloos tijdschrift dat uitsluitend achterhaalde teksten bundelt. In het beste geval klopt die redenering volledig, zoals bij het ronduit fantastische Monocle. Dat magazine werd in februari 2007 opgericht door de legendarische bladenmaker Tyler Brûlé, die eerder het qua stijl al even richtinggevende blad Wallpaper had gemaakt. Monocle, dat eerder op een boek dan op een tijdschrift lijkt, omschrijft zichzelf als ‘a comprehensive global briefing under a single editorial brand’.
Monocle draait dus op het oude verhaal van de grootste talenten uit de universele eredivisie van de journalistiek die samenkomen om kunstjes uit te voeren. Overal in de westerse wereld wordt er nog volop geld geïnvesteerd in zulke vehikels. Papierfetisjisme is echter een afwijking met een versheiddatum. Vooraleer de haan drie keer heeft gekraaid zullen de meeste lezers hun leesvoorkeuren loskoppelen van het klassieke gedrukte object, het boek of het tijdschrift. De Amerikaanse publicist Jeff Gomez beschrijft in het essentiële Print is dead. Books in our digital age hoe razendsnel die dematerialisering zal gaan. Zodra er een valabele, aantrekkelijke en betaalbare e-bookreader wordt aangeboden, zal het verzamelde westerse consumentendom meteen zo’n exemplaar willen. Of zijn we allen vergeten hoe razendsnel iedereen een iPod had? Vandaag heb je al redelijk luxueuze toestellen, zoals de iLiadreader of de Kindle. En het aanbod e-books neemt fors toe. Misschien speelt het ontbreken van een universeel format de dematerialisering van het boek nog wat parten, maar veel meer dan een uitstel van executie is het niet. Digitaal lezen is in technisch opzicht een koud kunstje. Schermslaven doen nu al niets anders. En bovendien denkt er niemand meer dat Rome en Frankfurt zullen verpulveren als straf voor de dematerialisering van de literatuur. In het aprilnummer van Lire geeft schrijver Frédéric Beigbeder schoorvoetend toe dat het elektronische boek geen fictie meer is: ‘Honnêtement je n'arrive encore pas à décider si ce sera le sommet du ridicule, ou un luxe extraordinaire, ou la fin du monde.’

Uiteraard is die ommezwaai onze cultuur fundamenteel aan het veranderen. In het intussen beruchte rapport To read or not to read van de National Endowment for the Arts wordt met harde feiten aangetoond dat de digitalisering wel degelijk tot ontlezing leidt. De hedendaagse lezers, en vooral de exemplaren die na de val van de Muur zijn geboren, bewegen zich als digitale inboorlingen die hun weg moeten zoeken in de chaos. Het internet is een onintelligent geordende puinhoop waar niemand op dezelfde manier zoekt en vindt. Die ontastbare onduidelijkheid heeft het voordeel dat mensen verplicht worden om zelf op pad te gaan. Het nadeel is dan weer het verdwijnen van ijkpunten, richtingaanwijzers en vaste waarden. De kans is veeleer gering dat zo’n jeugdige digitale inboorling de papieren bibliotheek als startpunt neemt van een zoektocht naar literaire verwantschappen en publicatiemogelijkheden – wat overigens geldt voor alle vormen van ontspanning, entertainment of kennisoverdracht. Bovendien is de digitale inboorling geen eenduidige lezer of consument, maar een prosumer, iemand die tegelijkertijd consumeert en produceert, leest en meeschrijft. Wellicht is dat het belangrijkste inhoudelijke gevolg van de digitale revolutie die zich onder onze ogen voltrekt.
In The New York Times vertelde professionele blogster Emily Gould onlangs het relaas van haar heftige en korte blogcarrière die tot nationale bekendheid leidde. Op het moment dat ze bezweek onder de immense druk die haar rol met zich meebracht, kreeg ze dagelijks honderden antwoordmails en geposte commentaarstukken. Memorabel is de manier waarop Gould haar werkmethode reconstrueert: een virtueel gesprek met duizenden mensen die meedenken, tips geven, kritische commentaar leveren. Gould heeft met andere woorden in haar eentje het klassieke redactiewerk heruitgevonden. Dat eindeloze gesprek is het begin en het einde van elke succesvolle redactie. Het maken van inhoudelijke keuzes en het onder woorden brengen van de argumenten die tot keuzes hebben geleid: ook in een papierloos universum zal dat de kern van de zaak blijven.
Tot voor kort werkten gedrukte media in een gesloten circuit waarvan de output altijd een object was dat te koop werd aangeboden. Alle stadia in het redactie- en productieproces vonden als het ware achter gesloten deuren plaats. Dat was de ultieme fase van de omwenteling die Gutenberg teweeg had gebracht: de rimpelloze orde. Zetters voelden zich niet geroepen om een editoriaal te herschrijven. Net zomin als lezers de macht hadden om te bepalen welk nieuws er werd gebracht. En de schrijvers, die zaten ergens te schuilen op een veilige plek in de bedrijfskolom. Vandaag is die orde een steeds vager wordende toestand. Wereldwijd lopen de inkomsten van gedrukte media terug. Alle uitgevers zijn, de ene al wat wanhopiger dan de andere, op zoek naar een manier om het verloren marktaandeel terug te winnen, liefst op een manier die ook geld opbrengt. Dat valt echter vies tegen. Dit belooft voor het moment dat de digitale omwenteling de boekenwereld definitief verandert.
Uiteraard is het duidelijk wat wel werkt: de prosumer plezieren en zijn impulsen gebruiken om het publieksbereik te vergroten. Dat is bijvoorbeeld gebeurd bij de meesterlijk gevoerde marketing rond de Harry Potter-boeken, waarbij orthodoxe fans op tal van manieren werden gesteund bij het belijden van hun Pottergeloof. Een ander voorbeeld zijn de tijdschriften en kranten voor de massamarkt; die zijn verworden tot cadeaupakketten. In combinatie met die weggeefdrift hebben printuitgevers sites en communities gebouwd waar lezers voortdurend bij de les worden gehouden. Want de lezer is extreem ontrouw geworden. En bovendien verwacht hij in toenemende mate dat informatie gratis beschikbaar is.
In het tweede deel van de jaren negentig heeft de muziekindustrie slagzij gemaakt, en nog steeds zitten de muziekuitgevers, die voormalige kolossen met universele geldingsdrang, in het nauw. Hun industrie is eenvoudigweg geïmplodeerd. De neergang begon vanaf het moment dat muziekopnames niet meer noodzakelijk op een fysieke drager hoefde te staan. Niemand had voorzien dat downloaden zo snel zo’n universeel succes zou worden. Voor de digitale inboorling is het idee dat iemand geld zou geven in ruil voor een schijfje met enkele liedjes volslagen idioot. Het is alsof je iemand die gewend is te fotograferen met zijn gsm zou verplichten om een daguerreotype te maken.
Wat kan een cultureel maatschappelijk maandblad als Streven daar tegenin brengen? Een redactie, inhoudelijke keuzes, kritische zin en een ouderwets traag publicatieritme, zodat er teksten en onderwerpen aan bod komen die geen plek meer krijgen in de reguliere media. Iedereen moet zich de culturele metamorfose van het begin van de eenentwintigste eeuw eigen maken. Hoe sneller, hoe beter. Die opdracht geldt eigenlijk nog intenser voor een blad dat niet extreem te lijden heeft onder de commerciële druk die zo’n paradigmawissel veroorzaakt: gebruik de technologische innovatie ten goede. De andere optie is de vergetelheid. Het grote niets wenkt voor alles en iedereen die niet digitaal zal bestaan. Uiteraard lijdt die verlatingsangst soms tot imbeciele acties, zoals uitgeverij Penguin die experimenteert met interactieve fictie. Auteurs sturen korte verhalen rond via Google Earth, blogs en… Twitterberichten. Maar het zet de zaken op scherp. Als je vindt dat de oude (literaire) cultuur in de marge thuishoort, ga dan vooral niet online.
In 1938 van de vorige eeuw schreef de romantische reiziger Arthur van Schendel in De wereld een dansfeest dat het leven een ritmisch probleem is. Die echo van Henri Bergson, voor wie ‘le mouvement est la réalité même’, klinkt vandaag zwakker, omdat onze beschaving ouder en melancholischer is geworden; het venster op de wereld biedt voor ons al te vaak een blik op wat we achter ons hebben gelaten. Maar dat is gezichtsbedrog. Alles moet opnieuw, dus ook het kantiaanse verstandshuwelijk tussen mechanisme en vitalisme, tussen mens en techniek. Het nadenken over die omwenteling en de gevolgen ervan voor cultuur, samenleving en economie moet nog meer dan vroeger ook gebeuren op plekken waar er een redactionele dynamiek bestaat en kritische distantie wordt nagestreefd. Laat het leven dan maar, veel meer dan vroeger, een communicatief probleem zijn, met een heterogener en virtueler publiek. Een tijdschrift als Streven kan daar alleen maar zijn voordeel mee halen.

Harold Polis

Bronnen

Eric Alterman, ‘Out of Print. The death and life of the American newspaper’, The New Yorker, 31 maart 2008.
Frédéric Beigbeder ‘Le livre est mort, vive le livre?’, http://www.lire.fr/chronique.asp/idR=142/idTC=11/idC=52222
Karel Berkhout, ‘Oprollen die bende’, in NRC Handelsblad, 15 februari 2008 (http://www.nrc.nl/kunst/article937127.ece/Oprollen_die_bende).
Jeff Gomez, Print is dead. Books in our digital age, Hampshire, 2007.
Emily Gould, ‘Exposed. What I gained – and lost – by writing about my intimate life online’, The New York Times Magazine, 25 mei 2008.
Philip Meyer, The Vanishing Newspaper. Saving Journalism In The Information Age, Missouri, 2004.
Het rapport ‘To Read or Not to Read’ kun je downloaden op http://www.nea.gov/research/toread.pdf
De referaten van de studiedag Uitgeverij, boekhandel en bibliotheek in de digitale wereld: partners of opponenten? kun je downloaden op http://www.boek.be/Nederlands/Home/boekbe/page.aspx/1062
http://jacketmagazine.com/00/home.shtml
http://www.poetrylibrary.org.uk/magazines/
www.monocle.com
www.wetellstories.co.uk
http://www.wolfmagazine.co.uk/

(Dit stuk verscheen eerder in het jubileumnummer van Streven, oktober 2008.)

Brief aan Pascal Chabot

Beste Pascal Chabot , Met veel plezier heb ik uw nieuwe boek Avoir le temps. Essai de chronosophie (Puf) gelezen. Ik raad het iedereen aa...