donderdag 28 mei 2009

De toekomst van de vooruitgang

Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious
Ook de Belgische politiek wordt beheerst door machteloosheid. Andere Europese natiestaten kunnen nog doen alsof ze niet boven hun stand leven. Van dat voorrecht kan de Belgische regering slechts dromen. De staatschuld, de gevolgen van de vergrijzing en de crisis lijken onbedwingbare fenomenen. Dekking zoeken is de boodschap. Herman Van Rompuy, de Belgische eerste minister, stuurt daar niet onterecht op aan. Er wordt tijd gewonnen en gebeden voor een oplossing. Alles wordt overwogen. Zo zouden staatswaarborgen, infrastructuurinvesteringen en maatregelen als de tijdelijke werkloosheid voor bedienden aanzienlijke hoeveelheden jobs kunnen redden, terwijl intussen de economie weer aantrekt, hopelijk. Het grote nadeel van zo’n scenario is dat het een politieke beslissing is die ingaat tegen het orthodoxe nutsdenken. En dus wordt er overheidsgeld in de balansen van bedrijven gepompt, in de hoop dat het tij keert.
Play and pray. Een orthodoxe economische strategie is het niet, maar het blijft momenteel de beste optie. Uiteraard zijn er velen, zeker ook politici, met een goede kennis van deze strategie – die in andere omstandigheden misschien ‘opportunisme’ wordt genoemd. De tijden zijn echter niet meer wat ze geweest zijn, zeker niet voor politieke professionals. Zij kunnen geen eer behalen aan de economische crisis, omdat ze weinig macht hebben in een globale economie, in het door subsidiariteit gereguleerde Europa. Toen Kris Peeters het ministerpresidentschap overnam van Yves Leterme staken de oude verankeringsidealen de kop op: de referentieaandeelhouders van Vlaamse bedrijven moeten Vlaams zijn en blijven. En de beslissingscentra ook. Een nobel streven voor sommigen, maar tegelijk een vorm van kwaadaardige zinsbegoocheling. Bovendien hebben de vervloekte omstandigheden net het tegendeel in de hand gewerkt, omdat we het hebben toegelaten dat er in een klein land bancaire mastodonten ontstonden. De ondergang van de Belgische banken, en voordien de uitverkoop van de energieproducerende nijverheid, heeft de economie en het spaargeld voor een belangrijk deel overgeleverd aan calculerende buurlanden die een open economie combineren met economisch nationalisme. En dat laatste geloof, zo weten we sinds Greep naar de markt van Olivier Boehme, is altijd het nastreven van een politiek doel met economische middelen.
Nationalisten en regionalisten aan weerzijden van de taalgrens blijven toch eerder vaag over de manier waarop we als economische drenkelingen het hoofd boven water moeten houden. Iedereen roept dat er bespaard en gematigd moet worden, en organiseert drijfjachten op zoek naar schuldigen en profiteurs. Maar over de kern van de zaak wordt zedig gezwegen: matiging en het optrekken van de pensioenleeftijd. De massale en door velen onvoorziene waardevermindering van onze collectieve en individuele rijkdom luidt het einde van een tijdperk in. In ruil krijgen we een bescheidener welvaartsmodel dat minder solidariteit garandeert, omdat er minder centen zijn om die zorg gelijk te verdelen. Maar wat moet er in de plaats komen van het kapitalisme dat ons zulke goede diensten heeft bewezen?

Bij kometen of klimaatwijzigingen staan er predikers op die het naderende onheil trachten te bezweren. Ook nu de overvloed in eb is veranderd. Er wordt gretig met vingertjes gezwaaid. Morele superioriteit is een goedkope luxe voor wie de verpaupering belijdt. Terwijl het ware armoedebeleid nog te vaak als een verplicht nummer wordt opgevoerd. Naar aanleiding van de Werelddag van Verzet tegen Armoede eind vorig jaar werd nog eens benadrukt dat ruim een op de zeven Belgen in armoede leeft. Dat cijfer is de afgelopen jaren verbazend stabiel gebleven. We hebben tijdens de vette jaren niet alleen verzuimd om de staatsschuld te doen dalen. Het is dan ook ongemeen cynisch dat de economische crisis en het persoonlijke verlies van rijkdom door sommigen als heilzaam worden bestempeld. We moeten nu eenmaal met minder leren leven. Minder werk. Minder geld.
Oud-trotskist Lionel Jospin leidde eind jaren negentig de Franse regering en introduceerde de 35-urenweek. Jospin was een overtuigd verdediger van de lump of labour-denkfout: er is slechts een welbepaalde hoeveelheid werk die je kunt verdelen, dus kun je meer mensen minder werk geven. Gelukkig voor de Franse economie zijn er talloze achterpoortjes om aan die regeling te ontsnappen, los van de algemene vraag of het wel aan de staat is om op zo’n ingrijpende manier het werk van de burgers te organiseren. Ook in sommige Duitse industriële bedrijfstakken is de 35-urenweek ingevoerd. Duitsland heeft enorme inspanningen geleverd om zijn industriële activiteiten op peil te houden, het schrappen van werkuren was een van de kunstgrepen.
De vader van die arbeidsduurvermindering was Herbert Hoover, de Amerikaanse president die zijn land door de eerste fase van de Grote Depressie van de jaren dertig leidde. Hoover, een quaker uit Iowa, was de Obama van zijn tijd die het kwade trachtte te verjagen door voluntarisme te prediken. Zijn aanpak van de Depressie was eerder ongemakkelijk, omdat te veel maatregelen te laat kwamen en het omgekeerde effect hadden. Zo was het niet slim om de belastingen in 1932 zeer fors te verhogen, op het moment dat ruim 25% van de Amerikaanse beroepsbevolking zonder werk zat. Als straks blijkt dat de huidige crisis niet op een catastrofe is uitgedraaid, dankzij het doortastende optreden van regeringen en centrale banken, dan zal dat voor een groot deel aan Hoover te danken zijn. Ben Bernanke, de voorzitter van de Fed, heeft de depressie van de jaren dertig obsessioneel bestudeerd en heeft zich eigenlijk een leven lang voorbereid om niet dezelfde fouten te maken als in 1929. Protectionisme was toen een van de grote drama’s die mee de oorlog hebben veroorzaakt.
Er is geen reden om meewarig terug te blikken op een episode uit de twintigste eeuw die vandaag, zogezegd, nooit meer zou kunnen voorkomen, omwille van globalisering of vermeende morele progressie. Het was Hoover, de man die tijdens de Eerste Wereldoorlog de Belgen van de hongersnood had gered, die begin jaren dertig armen samenbracht in tentenkampen en honderdduizenden Mexicanen deporteerde naar Mexico om op de arbeidsmarkt plaats te maken voor Amerikanen. Met minder leren leven is een geweldig vooruitzicht.
Als de hoeveelheid arbeid niet eindeloos is, dan zeker ook de welvaart. Op die manier wordt het symptoom voorgeschreven om de ziekte te bestrijden. De beste manier om de crisis te bestrijden zou dan zijn het loslaten van de groei en met nog minder te leren leven. De gecrashte aandelenfondsen van de zestigplussers zijn misschien virtueel, de welvaartsdaling is dat zeker niet. Er zijn geen gegronde redenen om de huidige actieve generatie en hun kinderen het vooruitzicht op welvaart te ontzeggen. Onze huidige levensstandaard en maatschappijstructuur is net gebaseerd op economische groei, open samenlevingen en een stabiele democratie. Hoewel het groeipad aan de feiten zal worden aangepast, blijft vooruitgang een noodzaak. Maar hoe dit te bereiken?

Politieke essays die in de aanloop tot de Europese verkiezingen geschreven, laten weinig ruimte voor de creativiteit die we vandaag zo hard nodig hebben. Hoewel de verzamelde stukken in Rood zonder roest. Een sociaaldemocratie voor de 21e eeuw de juiste maatschappelijke, economische en bestuurlijke problemen inventariseren, blijft het grote plan achterwege. ‘Het ultieme doel’, zo schrijven de samenstellers Carl Devos en Rudi Vander Vennet, ‘van het socialisme is gelijke vrijheid voor iedereen. Gelijkheid is de voornaamste hoeksteen van rechtvaardigheid.’ Er kan geen sprake van zijn het wiel weer uit te vinden – zelfs niet nu de crisis socialisten een gedroomd argument geeft om hun zaak te bepleiten. Die ambitie zit ook niet in het boek, dat eerder een uitnodiging bevat om aan piecemeal engeneering te doen: grote problemen los je op door telkens kleine beslissingen te nemen die door de bevolking worden gesteund. Daar kan niemand tegen zijn, maar als dit de kern van het socialistische handelen bepaalt, waarin onderscheidt het socialisme zich dan eigenlijk nog van andere democratische politieke bewegingen?
Het is Karl Popper die het begrip ‘piecemeal engeneering’ heeft gemunt, in The open society and its ennemies, het livre de chevet van de liberale regeringspartij Open Vld. In Pleidooi voor een nieuw liberaal offensief tracht Mathias De Clercq hetzelfde anders te verwoorden. De Gentse schepen van Economie, Jeugd en Werk is een van de coming men van de liberalen en speelt die rol ook in zijn Pleidooi... De tekst is zeer retorisch en klinkt bij momenten beter dan hij leest. Zoveel hardhorigheid was wellicht gebaat met meer brutaliteit en minder citaten uit de wereldbibliotheek. Maar goed, er zijn intussen drie partijen die zich liberaal noemen (Lijst Dedecker, SLP en Open Vld) en er is een wereldwijde crisis die in de schoenen wordt geschoven van een losgeslagen kapitalisme dat velen gelijkschakelen met liberalisme. Je moet dus heel hard roepen onder liberalen om aanwezig te zijn. En daarmee heb je de burger nog niet duidelijk gemaakt hoe je tijdens de crisis moet besturen.
Op momenten dat politici van alle gezindten tijd winnen en bidden voor een oplossing lijken ideologische tegenstellingen hun belang te verliezen. Ook dat is een evergreen van de vox populi: bestuurders die problemen oplossen zonder aan politiek te doen. Zelfs een dictator als Stalin deed echter aan politiek, en hij deed dat uitmuntend en wreed, zo lees je in de schitterende Stalinbiografie van Simon Sebag Montefiore. De oplossing zit wellicht niet in minder, maar net in meer politiek. Als de belangentegenstellingen tussen groepen en individuen in de Russische samenleving ten volle tot hun recht waren gekomen, dan was er ook geen ruimte geweest voor een dictator. Zo is ook de huidige economische crisis geen vraagstuk dat door enkele hoogopgeleide verlichte zielen moet worden opgelost, maar door ons allemaal.

Het recht op vooruitgang kun je verdedigen met ethische argumenten die zowel op onszelf als op de samenleving zijn gericht. Sinds de Verlichting is vooruitgang een waarde geworden die wordt beleefd door het merendeel van de bevolking, los van religieuze of politieke overtuigingen. Uiteraard zijn er vreselijke aberraties (geweest), maar de systematische beoefening van de vooruitgang heeft onze samenleving gemaakt tot wat ze vandaag is. De creatie van nieuwe welvaart zal hoe dan ook plaatsvinden binnen de grenzen van een op vooruitgang geënte samenleving. Evenals de kritiek op die welvaart zelf, omdat zij eveneens is vermarkt. Mogelijk is die toegepaste ethiek een van de manieren om ons uit het moeras te krijgen. Tot voor kort was bijvoorbeeld duurzaam ondernemen een scheldwoord voor halfzachten uit de non-profit. De afgelopen jaren speelt het concept echter een steeds belangrijker rol bij ondernemingen en consumentengedrag.
Na de kladaradatsj van de dotcombubble begin deze eeuw heeft het zakenleven zichzelf een gedragscode trachten op te leggen. Voor Nederlandse beursgenoteerde ondernemingen werd die corporate governance code in 2003 uitgewerkt door Morris Tabaksblat en de naar hem vernoemde commissie. Meer transparante jaarrekeningen, een betere rapportage aan de raad van commissarissen, een versterking van de zeggenschap én een bescherming van de aandeelhouders: allemaal maatregelen die ertoe moesten leiden dat de continuïteit van ondernemingen op een controleerbare, oorbare en duurzame manier werd verzekerd. Het Belgische bedrijfsleven volgde de aanbevelingen van een code die aanvankelijk door Maurice Lippens werd begeleid. De ironie van de geschiedenis is uiteraard dat dezelfde Lippens als voorzitter van de raad van bestuur van Fortis een gebrek aan transparantie werd verweten en werd uitgeroepen tot de grote schuldige in het bankendebacle dat eind 2008 de bodem onder de Belgische staat wegsloeg.
De zucht naar economische transparantie heeft ons niet noodzakelijk goede diensten bewezen. Sinds begin 2005 moeten Europese beursgenoteerde bedrijven rapporteren volgens de IFRS-regels, een boekhoudkundige standaard voor jaarverslagen. Een van de gevolgen is, kort samengevat, dat je aankoopprijs van activa niet meer kunt afschrijven over een aantal jaren, maar per boekjaar tegen hun fair value moet noteren, dus tegen de marktprijs van het moment. Uiteraard, schande over bedrijven en overheden die geïnvesteerd hebben in herverpakte rommelkredieten, maar heel wat ellende is toch ook ontstaan ondanks een ogenschijnlijk correcte risicospreiding en rapportering.
De volgende stap in corporate governance is dus ongetwijfeld het benadrukken van meer ethische afwegingen. Bijvoorbeeld dat de vrije markt morele en ethische principes nodig heeft, omdat we de afgelopen jaren immorele toestanden zouden hebben beleefd. Misschien hadden we de crash kunnen voorkomen, als we die sacrosancte waarden intenser hadden beleden. Het was dan ook opmerkelijk nieuws toen niemand minder dan Jack Welch, oud-CEO van General Electric, in de Financial Times het blind nastreven van aandeelhouderswaarde laakte. Welch, een ijzervreter en notoir saneerder, nam op zijn site echter zijn woorden terug: ‘Look, the job of a leader and his or her team is to deliver to commitments in the short-term while investing in the long-term health of the business. Bottom line: that’s management. Good managers know how to eat today and dream about tomorrow at the same time.’ Het kapitalisme is noch een geestelijke oefening, noch een ethisch dispuut.

Met enige aandrang zoeken de Belgische overheden naar manieren om innovatie te bevorderen en te exploiteren. Een toekomst als doorvoerland, hangar van Europa of kampioen van de half afgewerkte producten is geen aanlokkelijk beeld. Andere Europese regio’s en landen doen echter net hetzelfde, zodat we niet kunnen volstaan met halve maatregelen en goede bedoelingen. De individuele wil om vooruit te gaan en voort te doen wordt cruciaal.
Er is geen andere optie, tenzij je wordt bedwelmd door de lokroep van moralistische sirenen zoals economist John Gray. In zijn boek Zwarte mis houdt hij een pleidooi tegen de utopieën die uit de Verlichting zijn voortgekomen, waarbij hij zowat alle politieke bevrijdingsideologieën verbindt met de christelijke heilsgedachte en de komst van de Messias. Dat levert spectaculaire passages op, want Gray is ongenaakbaar in het afmaken van antireligieuze wereldverbeteraars en schrijft zo goed dat hij met alles wegkomt. Toch is waarde van Zwarte mis bescheiden, zeker op een moment dat je, zoals vandaag, eerder concrete inzichten verwacht. Grays eloquente apocalyptiek is vooral een excuus om zijn theorie van het menselijk tekort te doen weergalmen. Stalin, Hitler, Pol Pot: zie je wel dat morele vooruitgang een illusie is. Het kwade, de hebzucht incluis, zit zo diep in de mens dat je het alleen kunt beheersen.
Gray toont het derde millennium als een victoriaans post-mortemportret: een aangeklede dode die poseert voor de eeuwigheid. Gelukkig hebben we de kans om zo’n pessimisme niet te volgen en integendeel te kiezen voor het leven, in al haar menselijke, economische, politieke en democratische feilbaarheid. Zelfs als ons vermogen een pak lichter weegt dan vroeger.

Harold Polis

Literatuur

Olivier Boehme, Greep naar de markt. De sociaal-economische agenda van de Vlaamse Beweging en haar ideologische versplintering tijdens het interbellum, LannooCampus, Leuven, 2008.
Carl Devos en Rudi Vander Vennet (red.), Rood zonder roest. Een sociaaldemocratie voor de 21e eeuw, Van Halewyck, Leuven, 2009.
Mathias de Clercq, Pleidooi voor een nieuw liberaal offensief, [eigen beheer], 2009, te downloaden op http://www.mathiasdeclercq.be/info_extra1.htm
John Gray, Zwarte mis. Religieus fundamentalisme in de moderne utopieën, Ambo, Amsterdam, 2007.
Francesco Guerrera, ‘Welch condemns share price focus’, in Financial Times, 12 maart 2009.
Simon Sebag Montefiore: Young Stalin, Vintage, New York, 2008.
Arthur Schlesinger, The Crisis of the Old Order: 1919-1933. The Age of Roosevelt, Houghton Mifflin, Boston, 2003.
Jack Welch, ‘On Shareholder Value’, http://www.welchway.com/Management/US-Economy-and-Government-Policy/Matters-of-State/On-Shareholder-Value.aspx

(Dit stuk verscheen eerder in Streven van mei 2009.

woensdag 13 mei 2009

Tranen en triomfen: Conrad Detrez


Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious(Samen met Les Plumes du Coq is L'Herbe à brûler een van de belangrijkste naoorlogse Belgische romans, geschreven door Conrad Detrez, een man vol tegenstrijdigheden: seminarist, journalist, Vlaming, Waal, genaturaliseerde Fransman, revolutionair en aids-slachtoffer.)

Vijftien jaar geleden overleed Conrad Detrez aan de gevolgen van aids. Stervend schreef hij een van de mooiste ziekbedboeken ooit, La mélancolie du voyeur (1986), waarin hij een laatste keer zichzelf binnenstebuiten keerde. Eigenlijk handelt alle proza van Conrad Detrez over Conrad Detrez, een man wiens leven voldoende stof bevat om vijf schrijverscarrières mee te vullen. De motor van Detrez' schrijfwoede wordt aangedreven door revolte en engagement, de literaire smeerolie van de jaren zestig en zeventig. Zuid-Amerika lag toen goed in de markt. Mulisch en Claus bezochten Cuba. Jorge Semprún, Gabriel García Márquez en Carlos Fuentes braken door. Europese intellectuelen, Régis Debray voorop, beoefenden marxistische maatschappijkritiek die sterk Zuid-Amerikaans was georiënteerd. En in Leuven besliste de seminarist Conrad Detrez om als missionaris in Brazilië zijn geloof te belijden. Eind jaren zestig vlucht Detrez, inmiddels biseksueel en communist, naar Parijs om er de strijd voort te zetten. Hij schrijft een handboek stadsguerrilla, vertaalt Dom Helder Camara en leidt het pamflet Pour la libération du Brésil in, dat door de Franse overheid in beslag wordt genomen. Daarna waagt hij zich aan de literatuur. Zijn twee sterkste en meest autobiografische romans werden vertaald (als De veren van de haan en Dor gras) door Jenny Tuin.

In het slechtste geval toont Conrad Detrez zich een freak, een modeschrijver, een demagoog, een slechte journalist, een verkapte katholiek die zijn fanatieke geloof op het juiste moment afzweert, neerzijgt voor communistische afgodsbeelden en bommen legt om een volk te bevrijden dat geen bevrijding wil. Zo luidt de mythe Conrad Detrez. Het getuigt, achteraf bekeken, van verregaande juveniele domheid, misschien zelfs van misdadigheid, vergelijkbaar met de fratsen van 'onze jongens' van het Vlaams Legioen, de sukkelaars of landverraders die 'uit idealisme' het rode gevaar bevochten in dienst van de Duitsers.

In het beste geval blijft Conrad Detrez een van de zeldzame schrijvers die er echt in is geslaagd de Belgische paradox te doorgronden, de tegenstellingen literair vorm te geven. Les plumes du coq schetst een surreëel beeld van de jaren vijftig. Het jonge hoofdpersonage vertelt zijn belevenissen als katholieke Waal in een Vlaams internaat. Hij trekt tijdens de koningskwestie ten strijde tegen de ongelovige tegenstanders van Leopold III. Het bloedbad van Grâce-Berleur verandert zijn levensbestemming. Hij hoort Jules Renard spreken, wordt verliefd op een bloedmooi arbeidersmeisje en komt in opstand tegen de tirannieke schooloverheid. Hoe realistisch deze korte samenvatting ook moge zijn, het boek zelf is een groot delirium. Het stortregent aan een stuk door. Mensen blijven in de modder vastzitten. De ikpersoon voelt zijn bloed door zijn lichaam gaan als "een bijtend zuur". En het internaat is een "log aardkleurig dier in afwachtende houding, met alle poten ingetrokken". Internen, leraars en geestelijken jutten er elkaar op in de aanbidding van de Bruidegom, een homo-erotische Christusfiguur die te pas en te onpas verschijnt aan de ikfiguur en hem tergt, zoals in 'De zwarte monnik', dat maffe verhaal van Tsjechov.

Detrez begint waar Henri Michaux en Hadewijch eindigen: bij de magistraal verwoorde waanzin. Les plumes du coq is een pervers sprookje over paters die biddend kippen vingeren en schooljongens die elkaar uithuwelijken, terwijl het land op instorten staat. De hele tekst is opgebouwd rond een aantal weerkerende beelden die steeds verder van de werkelijkheid komen te staan, zodat op het einde het mystieke nulpunt wordt bereikt, de Liefde Gods. Die liefde is even zuiver als een plas brak water en even helder als de smoezelige stijl van het boek. Detrez schrijft overvet en opgefokt proza, vol onzinnige details en pathetische uithalen. In permanente haast sleept hij grote hoeveelheden adjectieven en bijzinnen aan om de boel zo intens mogelijk te belazeren.

Het verhaal van L'herbe à brûler sluit naadloos aan bij dat van Les plumes du coq, alleen is de toon radicaal anders. In L'herbe à brûler beperkt hij zich iets meer tot de feiten en verandert het geweer van schouder. Detrez doopt zijn pen in gal en geil om het relaas van zijn Zuid-Amerikaanse periode te noteren. Het is een tijd van carnaval en ideologisch verantwoord rondneuken. Detrez wil de massa bekeren en komt terecht bij een hoop dwazen die zich laten leiden door het Autokritisch program voor een marxistisch-leninistische avant-garde, opgesteld door een verlichte gek die wel in dialectiek, maar niet in interpunctie gelooft. De hilarische sessies zelfkritiek hebben een bloedige apotheose tot gevolg. De groep van Detrez ontvoert een hoge militair en biedt zo het leger een aanleiding om het communistische gespuis van de straten te vegen. Wat als een idealistische bevlieging begon in het Leuvense seminarie, eindigt als een marteling. De ondervragers breken zijn botten en sluiten zijn geslacht aan op het elektriciteitsnet. Nadien zetten ze hem het land uit. Detrez maakt mei '68 nog wel mee als vrijheidsstrijder, maar de ontgoochelingen stapelen zich op. Met stille trom verdwijnt hij naar België, waar volstrekt niemand zijn inzichten en verhalen begrijpt. Les plumes du coq en L'herbe à brûler openen de kamer waar al onze verlangens en angsten zetelen. Misschien bevindt deze plek zich hoog in het schip van een gotische kathedraal, vlak naast orgel, waar de muziek der sferen een overweldigd contrapunt is dat de trommelvliezen doet scheuren. Het kan ook zijn dat we de plek in een favella moeten zoeken, een Zuid-Amerikaans pauperdorp, een uitgewoonde, van lust en rottenis dampende mestvaalt waar kinderen staand worden verwekt en opgroeien tot menselijke ratten. En wie weet komen we die plek wel tegen in rokerige kamers waar steeds andere gezichten met steeds dezelfde woorden hun wereld trachten te veranderen, terwijl buiten hoongelach en geweeklaag weerklinkt. Detrez heeft die wanhoop willen wegbranden door te schrijven over zijn wanhopige passies, zijn visionaire waanbeelden. We moeten de geniale mislukkingen van Detrez blijven lezen, of liever, we moeten zijn romans opnieuw lezen. Want Detrez bestaat niet meer, zijn boeken zijn vergeten en haast onvindbaar. Detrez is uitgekotst door een land dat hij zelf in het gezicht had gespuugd.

Met L'herbe à brûler sleepte Detrez de Prix Renaudot in de wacht en werd hij wereldberoemd in Parijs en omstreken. Het Brel-scenario. Toen in 1978 de vertaling van Les plumes du coq verscheen, verklaarde Detrez te sterven van verlangen "om de klerikalen in Vlaanderen te schofferen". Het was de zelfhaat van een medeplichtige.

(Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van 22 november 2000.)

dinsdag 12 mei 2009

Zwart zijn doet niet zeer: Constant Malva


Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious(Een fantastisch portret van Constant Malva, gemaakt door Marcel Lefrancq op 11 november 1938. Malva staat aan de voet van 'le coq de Jemappes', een monument in Bergen dat de slag bij Jemappes van 1792 herdenkt.)

Het leven kende geen genade voor Alphonse Bourlard, een Waalse mijnwerker uit Quaregnon. Hij nam het pseudoniem Constant Malva aan, pour qui tout va mal. De man met wie het helemaal fout liep, had een ellendiger lot dan de man die veel had geleden. Met Multatuli deelde Malva de afkeer voor de burgerman, die in de waarheid vooral deugdzaamheid herkent. Malva geloofde bovendien dat waarheid gelijkstond aan literaire waarachtigheid. Het was geen toeval dat hij zijn dagboek verliteratureluurde tot Ma Nuit au jour le jour. Een jaar lang, van mei 1937 tot mei 1938, noteerde Malva zijn lotgevallen in en rond de mijn. Hij deed dat niet als ontspanning of ter stichting van de geïnteresseerde leek. Malva's wereld was maakbaar. Zijn woorden waren breekijzers. Met Ma Nuit au jour le jour wilde Malva een dienst bewijzen aan zichzelf, "à mes frères de travail et même à toute l'humanité".

In korte, afgehouwen zinnen zet Constant Malva de koolmijncultuur neer. Een leven van explosieve gasbellen, lekkende galerijen, wankele stutbalken en een alles verstikkende prestatiedwang. Het pikhouweel verbrijzelt ook de ziel van de man die de steel vasthoudt. De mijnwerker is een machine die niet denkt, maar erop los beukt. Na de jarenlange slagenregen komt de machine reutelend aan zijn einde. Malva stierf zelf, hoe kan het anders, aan de gevolgen van silicose. Hij werd onder meer verzorgd te Zwitserland, in het sanatorium van Leysin, waar ook de tuberculeuze Maria 'Agnes' Rooman uit Klaaglied om Agnes van Marnix Gijsen haar laatste dagen sleet. Zo symbolisch als Gijsen de naderbij sluipende dood van zijn lief beschreef, zo realistisch ging Malva tekeer, wroetend, kuchend, strompelend. De mythe van het lijdende proletariaat werd in de jaren dertig even zorgvuldig in stand gehouden als de mummie van Lenin. Formol was ook populair in artistieke kringen, waar men altijd verlegen zit om relikwieën. Toen Malva aansluiting zocht bij gelijkgestemde literatoren werd hij behandeld als een curiosum: de schrijvende mijnwerker.

Van trotskist naar fascist, is een kleine stap, zeker als de verbittering op de loer ligt. Malva besefte dat hij in Ma Nuit au jour le jour de authenticiteit van zijn getuigenis op een krachtige manier had vormgegeven, wars van pathetiek en moralisme. Helaas was niemand geïnteresseerd, zelfs de Parijse uitgeverij Grasset niet, waarmee Malva nochtans goede contacten onderhield. Proletarische literatuur was begin jaren dertig een hype geweest in Frankrijk. Malva kwam tien jaar te laat. Het werd niets met de erkenning waar hij zo intens naar verlangde. Tijdens de Tweede Wereldoorlog sukkelde hij de collaboratie in. Zijn sympathie was gekruid met overlevingsdrang. Door ziekte moest hij zijn werk in de mijn staken en liep hij de vrijwillige arbeidsdienst in Duitsland mis. Ten einde raad werd hij nachtwaker in de lokalen van de collaborerende eenheidsvakbond van Hendrik de Man. Malva schreef ook voor de verkeerde bladen en werkte mee aan de uitzendingen van de collaboratiezender Radio Bruxelles. Toen hij na de bevrijding werd veroordeeld en ontzet uit zijn burgerrechten, leek de veer gebroken. Toch publiceerde Sartre in zijn tijdschrift Les Temps modernes een fragment uit Ma Nuit au jour le jour en verscheen de tekst in 1953 in boekvorm.

Als het leven de kunst zou na-apen, zou Constant Malva een schoolvoorbeeld van die mimese zijn. De ontgoocheling is het ware hoofdpersonage van Ma Nuit au jour le jour. Malva voert in zijn dagboek een dialoog met de ontgoocheling, tracht haar te verleiden met waanbeelden van een betere toekomst. Het leven dat Malva droomt, berust op literaire aspiraties. Bladzijde na bladzijde wordt het duidelijker hoe hij op papier de ontgoocheling tracht om te bouwen tot een overwinning. Malva wil de met steenkool aangedreven ellende ontstijgen door haar zo nauwkeurig mogelijk te beschrijven. Hij wil herboren worden in de literatuur. Hij wil een kind van het licht zijn. "J'attendrai peut-être la fin de ma nuit jusqu'à la nuit éternelle." Die ene zin, waarmee het dagboek afsluit, vat het drama samen van iemand die hoopt op de nieuwe mens en meegesleurd wordt in de ondergang van het avondland.

Malva zat met zijn gedachten niet in Bayreuth, maar in de Borinage. Wagneriaanse tragiek was niet aan hem besteed, vormcultus evenmin. Een dagboek bood eenvoudigweg het grote voordeel dat het geen roman was, het burgerlijke genre bij uitstek. Weg ermee. Zo'n roman werkte alleen maar onechtheid en clichés in de hand. Als Emile Zola in zijn mijnwerkersbijbel Germinal een steenkoolslaaf op de grond liet spugen, ging dat als volgt: "Il crache enfin en son crachat sur le sol empourpré laisse une tache noire." Malva, die Zola nochtans verafgoodde, hield het simpel: "J'ai contracté un rhume." Er valt wel wat te zeggen voor de cadans die weerklinkt in Malva's strak geordende zinnen. Ze lijken op de stakende arbeiders van Constant Meunier, eeltige mannen in blauwe kiel die schouder aan schouder marcheren en nooit lachen, tenzij om een schuine mop. Zelfs de schuine mop ontbreekt in Ma Nuit au jour le jour en de cadans is net iets te strak om geen neurotische indruk te wekken. Het primaat van de eenvoud vormt voor Malva een excuus om te zeuren. En hoe neutraal hij de literatuur ook wil benaderen, de literaire nulgrens bestaat niet. Als verantwoording voor zoveel objectiviteit beweert Malva: "Je n'ai pas voulu écrire la vie de la mine à certaines heures, j'ai voulu écrire la vie de toutes les heures." De zoete leugen van het leven zoals het leven is. Ongewild woelt Malva de paradox naar boven die elk geëngageerd boek kleurt: wantoestanden zo exact mogelijk beschrijven in de hoop dat daarmee de wantoestanden veranderen. Wat moet je met zo'n boek? "Boodschappen zijn voor in de supermarkt", heeft JMH Berckmans ooit geschreven.

Maar de ene paradox was de andere niet in de woelige Borinage van de jaren dertig. Julien Lahaut maakte de arbeiders warm voor die ene verlossende opstand en Léon Degrelle bracht de middenklasse samen door het affairisme van de Belgische politiek aan de kaak te stellen. Malva's bescheiden verhaal stak schril af tegen de brede gebaren waarmee de volkstribunen anonieme massa's platsloegen. Een krachtiger statement is haast niet denkbaar.

(Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van 8 mei 2002.)

maandag 11 mei 2009

De wereld na Sofie


Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious

Vaarwel onnozele toeren, zelfbegoocheling en dt-fout. Het menselijk genoom is volledig in kaart gebracht. Vooraleer de haan heeft gekraaid, zal in een Leuvens labo het eiwit worden ontdekt dat van ons perfecte mensen maakt. Intussen ploeteren we vrolijk verder, een handeling die Winston Churchill omschreef als KBO: keep buggering on. Aan moed ontbrak het deze opportunistische dronkaard niet. Wel aan gemoedsrust. Churchill stelde zich zijn zwaarmoedigheid voor als een zwarte hond die hem overal volgde. Hij had te veel meegemaakt om een rooskleurig antwoord te geven op de epistemologische quizvraag: wat kunnen we weten?

Stel dezelfde vraag aan een 14-jarig meisje en het antwoord zal onbevangen zijn, zoals in het gedicht van Paul Rodenko: ‘Weer gaat de wereld als een meisjeskamer open.’ Ja, de wuivende populieren van onze jeugd, ze waren prachtig, maar gisteren komt nooit meer terug. Zonder die melancholie zou er geen literatuur zijn, omdat goeie schrijvers een werkelijkheid verzinnen die niet meer bestaat – of nooit heeft bestaan. Wie zich echter oppermachtig waant en een gokje wil wagen, schrijft een boek over de naïviteit van een 14-jarig meisje. Dat deed de Noor Jostein Gaarder in De wereld van Sofie, zo’n bestseller die iedereen heeft, maar niemand leest. Sofie Amundsen, zo leren we gaandeweg, zou de verpersoonlijking kunnen zijn van de levenswijsheid. Ze ontvangt lange brieven van een onbekende man die haar de ideeën van Westerse denkers uitlegt, van Parmenides tot Sartre. Het verschil tussen De wereld van Sofie en een basiscursus filosofie is de naïviteit van het hoofdpersonage.

Sofie heeft ongeloofwaardige ervaringen. Zo duikt ze op in het Athene van Plato en Socrates en wordt ze naar de Middeleeuwen gebeamd. Gelukkig kan in literatuur alles. Wat een uitvinding toch. Om het nog doller te maken blijkt dat Sofie een personage is in een verhaal dat door een ander meisje wordt gelezen. Die ontknoping biedt Jostein Gaarder de kans om nog een keer de klassieke vragen te stellen: wie zijn we, waar komen we vandaan en wat kunnen we weten?

Om met de laatste vraag te beginnen: felicitaties aan alle 14-jarigen (en hun ouders) die de allegorie van de grot kunnen verklaren. Gaarder geeft een centrale plaats aan Plato’s verhaal over de vergankelijke, waarneembare werkelijkheid en de boventijdelijke ideeënwereld. Terecht. Geloof je wat je rondom je ziet of denk je dat er meer is? Kijk je het kassaticket van de Colruyt na op fouten, of ben je allang blij dat je niet te lang moet aanschuiven? Germinal Beerschot of Antwerp? De allegorie van de grot komt altijd van pas.

Het doel van de filosofielessen heeft veel weg van een initiatierite. Sofie moet een weerbaar meisje worden. Wat achteraf niet nodig blijkt, omdat ze zich als personage niet in de echte wereld moet handhaven. Misschien zit in dat zachtmoedige escapisme de reden voor het globale succes van het boek: een jeugdroman die volwassenen aanspreekt. De wereld van Sofie is dan ook zo totaal jaren ’90, dat het verzameld werk van de toenmalige god Douglas Coupland helemaal overbodig wordt.

Als Sofie een heldin van haar tijd was, hoe zit het dan vandaag met de geschiedenis van de filosofie? De nood aan verklaring en betekenis is zo radeloos groot dat de productie van onzin historische proporties aanneemt: wellness, gentherapie, Lijst Dedecker. Alleen het scheermes van Ockham kan ons redden. Dit principe uit de kennistheorie behelst het wegnemen van alle pseudo-argumenten en onnodige ingewikkeldheden om bij de eenvoudigste verklaring uit te komen. Ockhams scheermes speelt helaas geen rol in De wereld van Sofie, wel in het werk van dat andere jaren ’90-icoon, wijlen David Foster Wallace.

Vorige maand verscheen This is water, een postume uitgave van een speech die DFW in 2005 gaf voor een groep afstuderende universiteitsstudenten. Wat moet je kennen en kunnen om het te halen in de wereld? DFW vat eigenlijk De wereld van Sofie samen in minder dan 4000 woorden. Een prestatie voor een man die met Infinite Jest een van de dikste en meest complexe romans van de hedendaagse Amerikaanse literatuur schreef. DFW waarschuwt in This is water zowel tegen jeugdig escapisme als tegen Churchilliaanse zwaarmoedigheid. Het is een verbluffend lucide tekst. Misschien te lucide als je weet dat DFW zich eind vorig jaar van het leven benam. Echte mensen gaan echt dood. Het leven is dan ook geen verzinsel, zegt DFW in This is water. Als je er niet in slaagt om zo bewust mogelijke keuzes te maken, voor anderen te leven en aandachtig te blijven, dan ben je slechts een personage in een middelmatige roman.

Harold Polis

(Dit stuk verscheen eerder in De Standaard der Letteren van vrijdag 8 mei 2009.)

donderdag 23 april 2009

Het verzameld werk in tijden van verwarring

Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious
‘Laten we de dingen toch eindelijk bij hun naam noemen. Wat blijft er van die hele klassieke litteratuur over als je het op de keper beschouwt?’
F. Bordewijk, Fantastische vertellingen

In tijden van crisis is het verzameld werk een obscene verschijning. Er is al zoveel. Moeten we geen voorrang verlenen aan nieuwe teksten, aan levende literatuur en sprekende schrijvers? Al die oude rommel. En, bovendien, waarom moeten al die boeken verschijnen? Waarom nemen uitgevers geen moratorium in acht? Waarom al die uitgevers? Nog botter is het voorstel dat Paul Greenberg onlangs lanceerde in The New York Times: betaal schrijvers om niet meer te schrijven en zich om te scholen. Wat met de boterberg is gelukt, moet ook mogelijk zijn met het fictie- en poëzieoverschot. Landbouw en literatuur, één strijd.
Veteranen van de honderdjarige oorlog tegen het cultuurrelativisme maken zich weer klaar voor wapengekletter. De intellectuele crisis, die esthetische en morele waarden heeft gedevalueerd, krijgt het gezelschap van een reële economische crisis. Bestaat er iets ergers dan een immorele consument zonder koopkracht? Bovendien vindt er in de media, en dus ook in de literatuur, een heuse paradigmawissel plaats. Web 2.0 voegt een nieuwe dimensie toe aan de manier waarop we met elkaar communiceren over de wereld, ons leven en de dingen die buiten het moment staan. In de rangen van de verdedigers van de Verlichting zaait web 2.0 paniek, omdat de digitalisering een van de laatste sterkhouders van de Westerse cultuur lijkt op te eten: het gedrukte boek. In die melodramatische omstandigheden wordt het verzameld werk nog meer dan vroeger een ultieme consecratie van de literaire tekst – onterecht. En elk gesprek hierover is een gesprek over de traditie, dat residu van onze kritische conflicten, over de plaats die we literatuur geven in onze samenleving.


Intellectuele emancipatie

Het eerder hysterische beeld van de letteren als continent op drift is hyperrealistisch en idioot tegelijkertijd. Idioot omdat er geen nulpunt van de literaire conjunctuur bestaat. De dood van de literatuur is de afgelopen eeuw zo vaak afgekondigd dat je doemdenken alleen nog ideologisch kan lezen. Want na ondergang komt verlossing (als je tenminste je stinkende best doet), en dat is net wat de doorsnee doemdenker, genre Roger Scruton, predikt: de literatuur als seculiere versie van de geloofsleer. Het is ook een handige manier om aan esthetisch verantwoorde uitsluiting te doen, want de ware doemdenker zal steeds weer nieuwe veronachtzaamde meesterwerken en ten onrechte vergeten schrijvers bejammeren. Zo bekeken is een traditie niet meer dan een hoogdravend gezelschapspel, met winnaars en verliezers. Ook het publiek, dat verondersteld wordt de traditie te eren en over te dragen, wordt met uitsluiting geconfronteerd. De Franse filosoof Jacques Rancière heeft die systematiek beschreven in De onwetende meester. Vijf lessen over intellectuele emancipatie.
Ongelijkheid is helaas van alle tijden. Rancière tracht aan te tonen hoe die ongelijkheid in stand wordt gehouden, vaak met de beste bedoelingen. Als tegenvoorbeeld vertelt Rancière het verhaal van de negentiende-eeuwse Franse professor Joseph Jacotot. Toen die in 1818 in Leuven lesgaf aan Vlaamse studenten die geen Frans spraken, besloot hij een experiment op te zetten. Jacotot liet zijn studenten zelf Frans leren met behulp van een simultaanvertaling van Les aventures de Télémaque van Fénelon. Het werkte. In plaats van zijn studenten te onderrichten op klassieke wijze, leerde hij hen een vreemde taal zonder les te geven. Op basis van dit experiment ontwikkelde Jacotot de theorie van de gelijke intelligentie. De klassieke relatie tussen leraar en leerling bestendigt de ongelijkheid, want er blijft altijd iemand die kennis bezit en iemand die kennisarm is. Jacotot draait de zaak om. Iedereen kan zijn eigen leraar zijn, mits discipline en eigen initiatief. Hoe moeilijk zo’n theorie van en voor autodidacten ook met de praktijk te verzoenen valt, Rancière’s interpretatie van Jacotot sluit aan bij de manier waarop een literaire traditie kan worden doorgegeven.


Bevrijd de onwetenden

Zou het, in navolging van Rancière, niet ondenkbaar zijn dat lezers hun literaire voorkeur zelf bepalen en dus meester worden van hun eigen leescultuur? Zo’n ontwikkeling – die eerder een vaststelling is – zou dan in contrast staan met de hiërarchische indeling van de klassieke literaire cultuur: een machtstructuur met priesters, diakens, dogma’s, rituelen en beate gelovigen. De vermeende ondergang van de leescultuur heeft dan te maken met het tekort aan leraars, net zoals monotheïstische erediensten kampen met een tekort aan geestelijken en dus aan intensiteit inboeten. De beate lezers moeten dus in dit scenario weer op het rechte pad worden gebracht, met behulp van leesbevorderingmissies, bijscholing en schuldbesef. Zij moeten weer gekerstend worden. Als godgewijden in de letteren willen de doemdenkers en hun paladijnen aanwezig zijn bij lichamelijk en materieel behoeftigen. Ook de hongerende mens op zoek naar levensvervulling en bekering maakt het voorwerp van hun bijzondere zorg uit. Het woord wordt verkondigd in canonieke en deutero-canonieke boeken: teksten die de kernboodschap van de cultus op sublieme wijze uitdrukken.
Elk verzameld werk is zo’n deutero-canonieke bron: canoniek materiaal (gekende of geprezen teksten dus) wordt samengebracht met onbekende werken, miscellanea en paralipomena. Die collecties krijgen dan meestal onder het label ‘verzameld werk’ een tweede kans. Het verzameld werk bevat eigenlijk niets nieuws, behalve de belofte dat minder gekende teksten verrassingen opleveren en dat de schrijver ervan zijn plek in het pantheon heeft veiliggesteld. Het verzameld werk vormt dan een relikwie die contemplatie bevordert, maar ook duidelijk maakt dat velen dat niveau niet bereiken. Het blijft een legitieme manier om literatuur te verkopen, maar heeft een andere betekenis gekregen. Steeds minder biedt een verzameld werk een strategie die de beschikbaarheid van literatuur bevordert, omdat de beschikbaarheid niet meer afhankelijk is van het fysieke boek. In een razend tempo wordt het geheugen van de Westerse cultuur gedigitaliseerd en gratis ter beschikking gesteld via immense platformen, zoals Europeana of DBNL. Tot voor kort hing de digitalisering af van het feit of een literaire tekst rechtenvrij was. Gelukkig maken we nu het ontstaan mee van een businessmodel voor gedigitaliseerde niet-rechtenvrije teksten. Net als bij andere mediaproducten worden de keuzemogelijkheden een belangrijke factor voor de literatuur; je kan een fysiek boek kopen, én een digitale versie die je down- en uploadt. Die ontwikkeling zal ongetwijfeld een grotere fragmentering van de literatuur teweegbrengen, net zoals de iPod de manier heeft veranderd waarop we muziek beluisteren. Het analoge verzameld werk wordt een (mythisch) object dat de Literatuur vertegenwoordigt, een simulacrum.
De digitalisering zorgt voor een totale beschikbaarheid die even totalitair kan zijn als de klassieke canonvorming. In de analoge oudheid deed het gerucht de ronde dat er ‘ingewijden’ waren die de literaire canon bepaalden of dat er een literaire canon bestond die de essentie van de cultuur, de gemeenschap, het morele bestel bewaarde. Het verzameld werk was een van de monumenten van een cultus, die het voordeel van de duidelijkheid bood en leed aan systeemdwang. Vandaag kunnen we dat verleden niet meer beleven. We kunnen het alleen nog bestuderen – overigens een waardevolle en noodzakelijke daad. Op klassieke wijze een canon samenstellen en doorgeven, staat haaks op onze hang naar keuzemogelijkheden. De toekomst en het verleden van de literatuur worden minder bepaald door afgewogen oordelen of de werkelijk bestaande morele waarde van teksten, dan wel door de wet van Moore – naar Gordon Moore, een van de oprichters van Intel. Die wet stelt dat het aantal transistoren op een computerchip door de technologische vooruitgang elke twee jaar verdubbelt. De universele bibliotheek van Borges was een prachtig concept, zolang het alleen bestond op papier. Het plan is op zo’n uitmuntende wijze verwezenlijkt, dat we met zijn allen verdwalen in het digitale labyrint.
De mogelijkheden zijn immens en voor iedereen bereikbaar. Bovendien is de onwetende meester de regel geworden. De kennis van het hogere vormt niet meer de kern van een cultuur die door de meerderheid wordt beleden, maar is een optelsom van individuele ervaringen, die worden uitgewisseld met anderen. Een verzameld werk kan een bron van unieke leeservaringen zijn, maar heeft geen sacrale waarde meer.


Verbied de verbieders

Er bestaan nu eenmaal verschillen tussen mensen en groepen. Die verschillen zijn echter niet altijd ongewenst, wraakroepend of contraproductief. Zo is literatuur elitair omdat niet om het even wie goede boeken kan schrijven en niet iedereen de literaire traditie deelt. Maar de manier waarop er in literatuur wordt gereflecteerd over de werkelijkheid is voor iedereen bedoeld, of je nu op zoek bent naar verstrooiing, zingeving of een geschenk voor je lief. Het dilemma van cultuurrelativisme is dat je wel weet wat literatuur kan zijn, maar dat je niet mag zeggen wat het moet zijn. Het oordeel wordt ingeruild voor het compromis, zodat er geen sprake meer kan zijn van een canon en zodat het verzameld werk een souvenir wordt: je hebt nu die honderden bladzijden van zo’n schrijver gekocht, maar doe je ermee?
Het lijkt ondoenbaar om die ontwaarding te stoppen. Zeker als je de lat te laag legt, voegen cultuurpessimisten daar grif aan toe. De leescultuur wordt een chronisch gebrek aan kennis verweten. Enerzijds is het onmogelijk om de klok terug te draaien en de artes liberales weer te propageren op scholastieke wijze, anderzijds is het onmenselijk onderwijs te laten bepalen door de bruikbaarheid ervan en dus het vormingsideaal volledig los te laten. Die patstelling heeft tot de gekende excessen geleid: vorming is vervangen door rendement en nut, jonge mensen worden benaderd als eencellige idioten en curricula werden aangepast om ‘nauwer aan te sluiten bij hun leefwereld’. Rond heel die infantilisering is een industrie gebouwd die carrières en politieke mandaten produceert. In die context wordt een verzameld werk uitsluitend nog gemaakt voor bejaarde lezers die zich de oude cultuur nog in zich meedragen. Ontsnappen uit die impasse lijkt onmogelijk.
Een groot probleem is echter de doctrinaire gelijkheid die in het onderwijs heerst, en die door de rest van de samenleving wordt overgenomen. Die gelijkheid wordt steeds strenger opgelegd, met als recentste hoogtepunt de loterij die door de Franse gemeenschap werd georganiseerd om de schoolinschrijvingen te regelen. Laat dit nu net een praktijk zijn die Rancière niet afschrikt. Vorig jaar nog stelde hij voor om het Franse staatshoofd met een loterij te laten verkiezen. Dat zou een legitiem resultaat op leveren, omdat we volgens Rancière ontzettend gelijk zijn. Ondanks alle inspanningen is net die gelijkheidsdoctrine er niet in geslaagd om voldoende gelijke kansen en sociale mobiliteit te creëren, bijvoorbeeld voor kinderen van zwakkere groepen. De oorzaak zit misschien in onze opvatting van gelijkheid, stelt Rancière. In plaats van de gelijkheid als een doel te zien, ervaart hij die gelijkheid als een principe. Als je van gelijkheid een doel maakt, zegt Rancière, dan ga je ervan uit dat er sukkelaars bestaan die je tot volwaardige mensen moet omvormen (door onderwijs of bijstand). Bijna elke ‘natuurlijke’ verantwoording van ongelijkheid (aanleg, macht, afkomst, leeftijd, afkomst) wordt vandaag onaanvaardbaar geacht. Gelijkheid van rechten en plichten voor alle burgers vormt de ruggengraat van onze grondwet. Daarom legitimeren we sociale ongelijkheid vaak door te verwijzen naar de intellectuele ongelijkheid. Kortom, mensen zijn achtergesteld omdat we ze niet slim genoeg maken. Volgens Rancière is het net die logica die de ongelijkheid bevordert. Hij pleit daarentegen voor een herwaardering van de intellectuele emancipatie. Het is wel degelijk mogelijk om jezelf aan de omstandigheden te ontworstelen en hogerop te geraken. Rancière volgt hier de inzichten van Jacotot: emancipatie is een individuele uitdaging en kan geen collectieve politiek bepalen. Ze vormt geen onderwijssysteem en geen culturele onderneming. Maar emancipatie kan telkens weer het bewijs leveren van de gelijkheid van het intellectuele vermogen.
Hoe hoopvol die boodschap ook is, het blijft onduidelijk wat je ermee kan kopen. Tenzij je emancipatie een rol laat spelen in het gebruik van web 2.0 en daardoor de dreiging van een literatuur- en traditieloos universum omvormt tot een enorme kans, een niet eerder in de geschiedenis vertoonde kans om een kennissprong te maken die in potentie iedereen begunstigt.


Op zoek naar lezers

Uiteraard is een nieuwe schoolbus en een degelijk uitgerust klaslokaal van het allergrootste belang, net zoals het primordiaal is dat een landmeter kan meten en een metser kan metsen. Maar de intrinsieke intellectuele emancipatie kan niet worden aangeleerd als een vaardigheid, hoe graag we dat ook zouden willen. Je kan mensen wel vormen zodat ze tot emancipatie in staat zijn, en die emancipatie moet een centrale rol krijgen in de samenleving. De literatuur moet een nieuwe plek vinden in die constellatie.
Verzamelde werken worden gelegitimeerd door verzamelaars en mensen die niet meer overtuigd moeten worden. Lezers lezen echter geen verzamelde werken, maar losse teksten of apart uitgegeven romans. Een verzameld werk kan ons de mogelijkheid bieden om ruwe diamanten uit de collectie op te delven en die vondst te gebruiken om andere lezers te overtuigen. In Le Nouvel Observateur schreef Philippe Sollers eind vorig jaar een ontroerend stuk over de verzamelde tv-kritieken van François Mauriac, de katholieke Franse Nobelprijswinnaar die zo’n verpletterende invloed heeft gehad op Nederlandstalige schrijvers van zijn generatie, Gerard Walschap op kop. In die tv-kritieken komt Mauriac naar voren als een genadeloos observator die de brug slaat tussen zijn wereld van gisteren en de moderniteit. Zo’n vondst noopt tot herlezen (bijvoorbeeld de roman Le Nœud de vipères) van een oeuvre dat toch eerder een belegen of degelijke indruk wekt – zo heeft leescultuur altijd gewerkt. Maar goed, dat inzicht van Sollers vergt toch wel wat voorkennis. En omdat die voorkennis gemiddeld genomen gering zal zijn, verliezen velen hun koelbloedigheid en roepen ze op tot een met zachte dwang uitgevoerde intellectuele (maar eigenlijk morele) heropvoeding van de massa, die zo’n oekaze uiteraard op gejuich zou ontvangen. Daar sta je dan met je verzameld werk.
Op de marktplaats worden roepers bevoorrecht, of het nu om zemenlappen of romans gaat. Web 2.0 vertoont veel gelijkenissen met de markt, omdat de rangorde allesbepalend is. Toch kan die literatuur niet zonder geheugen, zonder teksten en feiten die niet noodzakelijk in een rangorde zichtbaar zijn. Sterker nog, literatuur is verleden tijd. De spanning tussen literatuur en werkelijkheid wordt gemeten aan de herinnering en haar vele vermommingen. Elke poging om bij de tijd te blijven lijkt gedoemd om te mislukken, zeker nu literatuur enigszins machteloos achter de grote hedendaagse vormvernieuwing aan hinkt. Negentiende-eeuwse meesters als Balzac en Dostojewski ontwierpen kathedralen, monumentale romans die de paradoxen van hun tijd huisvestten. Hun leesbaarheid is de onze niet meer. Na twee wereldoorlogen, radio, tv en de globalisering beleven we een alomvattende pluraliteit van morele ijkpunten, geloofsovertuigingen, groepsmythes en culturele sferen. In een ijltempo verbreedt de kloof tussen burgers die zich goed voelen bij dat nomadische bestaan en burgers die zich in hun diepste wezen bedreigd weten door de genadeloos oprukkende wereld. Beide groepen hebben gelijk. Het probleem is dat er nauwelijks nog over een gemeenschappelijke taal beschikken om die ervaringen uit te wisselen en begrip te tonen. In een ideëel verleden is literatuur zo’n taal geweest, zeker toen de geschreven cultuur nog een natievormende dimensie of een morele betekenis had. Uiteraard houdt die toestand al zeer lang aan. Maar web 2.0 heeft die ontwikkeling fundamenteel versneld. We zijn op zoek naar lezers, naar elkaar, naar deelgenoten, naar onszelf. Web 2.0 helpt en hindert ons bij die vermoeiende oefening, drukt ons met de neus op de feiten: literatuur is op zoek naar een tweede adem, naar een doorleefd verband, naar deelgenoten, naar mede-autodidacten.
Nee, dan het verzameld werk. Traag, lomp, afstandelijk, meer verplichting dan keuze, en om die reden alleen al niet geschikt voor de hedendaagse consument. Gemakkelijk slachtoffer van het culturele populisme: wie koopt die dingen nog? In al zijn onhandige overdaad bezegelt het verzameld werkt het lot van de moderne schrijver. Hij opereert in een negorij die verlicht moet worden.

Meer is meer

Alles is leesbaar en beschikbaar, dankzij web 2.0. Dit verandert de inzet van heel wat discussies op fundamentele wijze. Meer is meer. Bereikbaarheid wordt ogenschijnlijk steeds minder een issue. Dat er steeds meer boeken worden gemaakt, lijkt echter steeds minder keuzemogelijkheden op te leveren. Het grootste deel van de tijd weten we eenvoudigweg niet wat er is verschenen. Alle mainstreammedia hebben het opgegeven om voluit te berichten over literatuur. Ook zij zijn niet bij machte om alle nieuwigheden te rapporteren, en bovendien past die bezigheid in geen enkel zakelijk profiel. De media hebben de volwassenheid bereikt en dus moeten ze keuzes maken. Volledigheid en grondigheid zijn symptomen van een vieze ziekte. Als het belijden van aperte onbenulligheid en apodictische prietpraat garant staat voor orgiastische ervaringen, dan bieden hedendaagse media de tantrische variant aan. In de Spaanse herberg van de media is zelfs het vinden van goed beargumenteerde nieuwskeuzes een heikele onderneming. En als dit voor literatuur al zo moeilijk is, hoe erg moet het dan niet gesteld zijn met de ernstiger dingen des levens, de berichtgeving over onze democratie, politiek, internationaal nieuws. Terwijl het aantal manieren waarop we nieuws vergaren de afgelopen jaren exponentieel is toegenomen, lijkt het nieuws anoniemer te worden. Dat is een kantelmoment voor de publieke toekomst van de literatuur.
Net als het schrijversschap is het verzameld werk belangrijker dan de onderdelen. Of je nu de schrijver beleeft als een volledig autonoom subject dat teksten aflevert als resultaat van de innerlijke zieleroerselen, of je beschouwt die schrijver als een modernistische mimespeler die op kritische wijze de wereld tracht te bezweren, literatuur heeft een sterk generiek karakter. Om literatuur een rol te laten spelen bij web 2.0 is het wenselijk om daar tegenin te gaan en elke literaire tekst zijn eigenheid en perspectief te laten bewaren; als beleving van de romantische autonomie of van de avant-gardistische drang om de beperkingen van diezelfde autonomie te doorbreken.

Mag ik dit gesprek van u?

Het openbare gesprek over literatuur heeft lange tijd de waarde van teksten en hun schrijvers bepaald, en heeft zelfs een bijdrage geleverd aan de opbouw van de moderne samenleving. Dat is nu niet meer zo. Het humanisme als historisch fenomeen, de door een grote groep mensen gedeelde studie van de bronnen van de westerse beschaving, is voorbij. In het beste geval is het humanisme vervangen door archiefonderzoek. Het publieke debat hierover heeft de vorm aangenomen van archeologie waarvan de resultaten op colloquia worden besproken.
Omdat ook mainstream media afhaken, verhuist het openbare gesprek over literatuur naar festivals, ‘amateurs’, poëzieavonden, bloggers, leesclubs, zelfhulpgroepen, bekende mensen die eindejaarsvragen beantwoorden, en hopelijk zoveel mogelijk naar het net. Die losvaste vereniging van enthousiastelingen is vaak nog de enige omgeving waar literatuur in de volle breedte aan bod komt en waar blijkt dat de literaire ervaring ten enenmale de ontspanningscultus overstijgt.
Dit alles heeft uiteraard alleen zin als de legitimering van literatuur mee de betekenis ervan bepaalt. Elk onderdeel van ons dagelijkse leven kan worden losgekoppeld van zijn betekenis. En dat geldt zeker voor literatuur, schrijvers en teksten, die ook een bestaan als consumptieartikelen leiden. In die context heeft een verzameld werk evenveel betekenis als een familieverpakking koekjes of een belachelijk dure sierlamp. Het verzameld werk kampt met een niet gering aantal mogelijke nadelen: de kostprijs is immens, de auteur of zijn erven liggen dwars, de editeur haalt de deadline niet, (delen van) archieven blijven gesloten, het object is een logistieke ramp (vanwege het gewicht of de omvang) en heeft een nadelige impact op de balans, voorraadschuwe boekhandels geven niet thuis, ketens bestellen niet wegens de geringe commerciële verwachtingen, media bespreken het verzameld werk niet wegens te moeilijk (of ze bespreken het eerste deel als evenement en daarna niets meer; of er wordt geen recensent gevonden).
Zonder het grote gesprek over literatuur verliest een verzameld werk zijn functie. Zo’n alomvattende collectie teksten geeft aan ingewijden van de literaire cultuur de kans om de deur naar de schatkamer te openen. Maar dan moeten er wel voldoende ingewijden of souvenirjagers zijn. Een discussie over de canon wordt niet zelden gevoerd om een status quo in stand te houden en dus argumenten te vinden die pleiten voor de ongelijkheid in kennis. William Marx is het archetype van de diepe denker die de toegang tot de tempel wil beperken tot een select publiek. Dat de literatuur niet de status heeft die ze zou moeten hebben, beweert Marx in zijn potsierlijke essay Het afscheid van de literatuur, heeft niets met de literatuur te maken, maar met de instelling van het publiek. De lezer is namelijk een luiaard die voor gemak en ontspanning kiest.
In de redenering van Rancière is de canon geen oplossing, maar een groot deel van het probleem. De manier waarop de afgelopen jaren in Nederland en helaas ook steeds vaker in Vlaanderen een literaire canon misbruikt wordt als ideologisch instrument (bij gemeenschapsvorming of inburgering) bevestigt dit. Bijna zonder uitzondering wordt er van zo’n canon een negentiende-eeuws waanbeeld geschetst: een eentalig, monocultureel, homogeen (en analoog) systeem dat op ieders hard schijf moet worden gezet. Het is alsof de literatuur wordt teruggebracht tot een zuivere allegorie. Een wereld die uitsluitend naar zichzelf verwijst en daardoor ten langen leste betekenisloos wordt, omdat zij elke band met de werkelijkheid ontbeert en die werkelijkheid zelfs verloochent. Die vermaledijde werkelijkheid is immers zowel vlak, chaotisch, eenvoudig en onbegrijpelijk. In die omstandigheden wordt het belang van literatuur groter, niet het verzameld werk, maar vooral de schrijver die in zijn verhalen literatuur en werkelijkheid op elkaar loslaat.
Dit is allesbehalve een pleidooi voor sentimentaliteit, toegepaste literatuur en gelegenheidslyriek, maar wel voor literatuur die door een meerderheid wordt beleefd als een belangrijk communicatiemiddel. In plaats literatuur te gebruiken als een excuus voor het tekort aan gelijkheid van onderwijskansen, de ontlezing, de ondergang van het avondland, de problemen van de multiculturele samenleving, de neergang van de ‘kwaliteitsmedia’, of de kloof tussen ‘het volk’ en ‘de elite’, zouden we de literatuur moeten teruggeven aan de literatuur: door haar te behandelen als een zichzelf permanent vernieuwend hedendaags medium, dat zowel analoog als digitaal is, en door meer vertrouwen hebben in het oordeelsvermogen van de lezer als individu. Het is vandaag de vandaag de enige toekomstgerichte optie, tenzij je de literatuur de plek wil geven die keramiek in de beeldende kunst heeft: een sympathieke, wat achterhaalde techniek. In dat opzicht is het verzameld werk doorgaans een oefening in heimwee naar een overzichtelijke wereld. Een lege doos dus, die we opnieuw moeten vullen.

Harold Polis

Bronnen

Paul Greenberg, ‘Bail out the writers!’, in: The New York Times van 9 december 2008.
William Marx, Het afscheid van de literatuur. De geschiedenis van een ontwaarding 1700-2000, Vertaling Katelijne De Vuijst, Querido, 2008.
Jacques Rancière, De onwetende meester. Vijf lessen over intellectuele emancipatie. (Vertaald en ingeleid door Jan Masschelein), Acco, 2007.
Philippe Sollers, ‘Mauriac à la une’, in: Le Nouvel Observateur van 27 november 2008.

(Deze tekst verscheen, onder de titel 'De lege doos', in het allerlaatste nummer van het tijdschrift Yang, nummer vier van de jaargang 2008.)

dinsdag 17 maart 2009

Workshop boekencultuur anno 2009

Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious
KASK & Hogeschool Gent nodigen uit:

Het boek: wat/nu?
Studiedag over de toekomst van het boek

Donderdag 23 april 2009 in de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten, Hogeschool Gent
Van 9 AM - 6 PM
Registratie: 10 euro, gratis voor studenten

Schrijf je in op deze webpagina.

Het boek is een ding, een artefact, een leesmachine. Een boek wordt geschreven, gezet, vormgegeven en uitgegeven. Deze evidentie wordt anno 2009 op de helling gezet. De digitale revolutie richt volgens sommigen veel schade aan: mensen ‘lezen’ niet meer intensief, maar zappen, lezen heel fragmentair en oppervlakkig. Er is een grote discrepantie tussen analoog en digitaal lezen.

Het ‘papieren boek’ wordt bedreigd. Andere leesattitudes dringen zich op. Men leest fundamenteel anders op een scherm, een e-book of de gsm. Ook de uitgevers van boeken, kranten en tijdschriften begeven zich op virtuele paden. Het is evident dat ook typografen en vormgevers voor nieuwe uitdagingen staan. Er zal immers meer aandacht en energie besteed worden aan lettertypes voor het scherm.

Auteurs, kunstenaars en lezers schuwen het experiment niet. Gesofisticeerde software en apparatuur prikkelen de cultuurminnaar.

Het ‘papieren boek’ is dus ‘maar’ een medium onder de media geworden. Zijn wij, de nieuwe lezers, op weg naar een nieuwsoortig elektronisch humanisme?

Programma

Voormiddag (Lezingen):

9.00: onthaal & koffie
9.30: inleiding Danny Dobbelaere
10.00: Uitgeven in 2009/De toekomst van het uitgeven: Philip Vanneste (Innovatiecentrum, Kortrijk)
10.30: Paper events. Archeologie & actualiteit van het kunstenaarsboek: Johan Pas (Koninklijke Academie voor Schone Kunsten Antwerpen)
11.00: pauze (koffie)
11.30 uur: Schermtypografie (of: lezen, schrijven en zetten tussen analoog en digitaal): Fred Smeijers (letterontwerper/professor digital typography aan de Hochschule für Grafik und Buchkunst, Leipzig)
12.00: E-literatuur. De schrijverlezer; hypertext; literatuur als verbale kunst; naar een nieuwe tekstcultuur...: Arie Altena (Frank Mohr Instituut Interactive Media and Environments Groningen)

12.30: lunch

Namiddag (Workshops):

14.00: inleiding workshops
14.30: start workshops (verschillende locaties)
1/ Uitgeven in 2009
Harold Polis (Meulenhoff/Manteau)


2/ Kunstenaarsboek
Hans Theys (Uitgever/docent KASK)

3/ Schermtypografie
Gerard Unger (letterontwerper/professor typografie Leiden, Reading)

4/ E-literatuur
Dirk Leyman (De Morgen)

5/ Meertalige typografie
Jo De Baerdemaeker (letterontwerper /doctorandus Reading University)

16.30: Plenaire zitting/verslaggeving;
coördinatie: Hans Vandevoorde (VUB/UG)
Aansluitend: Slotwoord Gerard Unger
18.00: einde

Tentoonstellingen in de marge:
-topstukken uit de collectie van de bibliotheek en het archief KASK
-boekwerken van studenten

Adres:
Lezingen in zaal Horta, KASK, Jozef Kluyskensstraat 2, 9000 Gent.

zondag 1 maart 2009

Rolande met de Bles


Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious
(Elisabeth Teissier speelde Rolande in de kille verfilming van Roland Verhavert. Hier een van haar andere glansrollen, Moira in de B-film La rose échorchée.)

Dat het allemaal potverteerders en profiteurs zijn. Beleggers wisten toch waaraan ze begonnen? Al die aandeelhouders, grootkapitalisten, herenboeren: naar de openbare onderstand ermee, of een derderangsstrand in Turkije. Tot slot sturen we Rolande met de bles op hen af, de vervaarlijke lichtekooi uit de lichtstad. Geen familiefortuin ontsnapt aan haar roofzucht. Die Parijse slet is het hardste personage dat Herman Teirlinck heeft bedacht. Ongrijpbaar en verpletterend tegelijk. Ze knijpt de gefortuneerde mannen die voor haar charmes vallen zachtjes dood.

Teirlinck is al een oude man wanneer hij de sensuele verwoestingen beschrijft die Rolande aanricht. Dat schrijven ging niet zonder slag of stoot, getuige de doorwrochte titel: Rolande met de Bles. De XXXX brieven aan Rolande door Renier Joskin de Lamarache. Nederlandse tekst met liminaire nota (1944). Aanvankelijk wilde Teirlinck het boek zelfs in het Frans beginnen, in een poging om de Franse briefroman te benaderen. Net als in Les Liaisons Dangereuses van Cholderlos de Laclos brengt Teirlinck de dwaalwegen van de verleiding zo meedogenloos mogelijk in kaart. Het verhaal wordt geënsceneerd als een schaduwgevecht. Rolande komt in de roman nergens rechtstreeks aan het woord. Het drama wordt tot leven gewekt in de brieven die de Brabantse adelborst Renier de Lamarache aan Rolande stuurt.

In Les Liaisons Dangereuses is het de pruikentijd die eraan moet geloven. Het Franse ancien régime wordt in dat boek voorgesteld als het toppunt van decadentie en corruptie. Ook Teirlinck toont een samenleving die aan zichzelf ten onder gaat. Renier vecht tijdens de Eerste Wereldoorlog als piloot aan het front. In 1917 ligt hij halfblind in een Parijs ziekenhuis, waar hij wordt verzorgd door een verpleegster met wondere gaven, Rolande genaamd. Wanneer Renier haar na de oorlog weer opzoekt, blijkt ze in een peperdure hoerenkast te werken. Een schoonheidssalon, zo noemt Teirlinck het. Dat klinkt uiteraard preutser dan het is.

In die Académie de Beauté wordt de sensualiteit bedreven als een wetenschap. Dat maakt een enorme indruk op Renier, die besluit om er zijn erfenis in te investeren. Vanaf dan loopt het fout. Want Parijs is ver weg van zijn plechtstatig kasteel aan de rand van het Pajottenland, tussen Edingen en Halle. Renier denkt en handelt als een bezetene. Hij laat zijn verloofde in de steek, schoffeert zijn familie en dumpt zijn enige zoon bij de paters jezuïeten. Halsoverkop vlucht hij naar Parijs, vast van plan om zich in de armen van Rolande te storten. Uit Reniers brieven blijkt echter dat hij jaagt op een schim. Rolande verzint de ene uitvlucht na de andere om Renier te ontwijken. En wanneer Rolande uiteindelijk toch toegeeft en korte tijd in zijn Brabants kasteel komt wonen, nadat hij iedereen er heeft weggejaagd, draait de affaire op een volslagen mislukking uit. ‘Ik heb het aan mijn eigen tong gehoord wat ge dan zijt, mevrouw: de klassieke entôleuse, een alledaagse oplichtster, een slet.’

Alles in Rolande met de Bles ademt ondergang. Het geslacht van de Lamaraches sterft roemloos uit. Reniers eerste vrouw bezwijkt in het kraambed. Zijn enige zoon is gehandicapt – hij mist een hand. En Renier zelf, de trotse landjonker, vervolmaakt zich als talentloze fils-à-papa, een omhooggevallen drol die in de toekomst van gisteren leeft.

Niemand kan Rolande krijgen. En de man die het toch waagt om aan haar jarretelles te frunniken stort zichzelf in het verderf. Uiteraard valt die eer een Vlaming te beurt, een onnozelaar en plattelandsaristocraat op de koop toe. Iemand die zich veilig waant in zijn dorp en zenuwachtig wordt van de grootstad. Renier wordt overmand door een treiterig gevoel van treurnis. Het is geen razernij. Machteloosheid drijft hem in de armen van het ongeluk. En dat noodlot kan niet anders dan Parijs zijn, de plek die de passie vermoordt en dromen klein maakt. Het is een populair thema geweest bij de vele twintigste-eeuwse Vlaamse kunstenaars die een omweg langs Parijs hebben gemaakt. Lees Een zachte vernieling van Hugo Claus. Maar geen enkel personage uit die traditie handelt zo amoreel als de Rolande van Herman Teirlinck.

Rolande is zelfs prehistorisch slecht. Toen Teirlinck haar bedacht, werd hij ‘door de sappen der aarde met kracht aangegrepen’. Geheel in de sfeer van de late jaren dertig verheerlijkte Teirlinck de levenslust en de onoverwinnelijke natuur. Terwijl er toch bijzonder weinig te bejubelen was en vitalisten niet zelden warmliepen voor Hitler. Maar Teirlinck was nu eenmaal een onvoorspelbare man van ‘twaalf ambachten en dertien overwinningen’ (dixit August Vermeylen). En dus stelde hij moeder natuur voor als een hoer uit Parijs. Faut le faire.

Harold Polis

(Dit stuk verscheen eerder in De Standaard der Letteren van 27 februari 2009.)

Brief aan Pascal Chabot

Beste Pascal Chabot , Met veel plezier heb ik uw nieuwe boek Avoir le temps. Essai de chronosophie (Puf) gelezen. Ik raad het iedereen aa...