woensdag 19 maart 2008

Lof van het e-book

(Ziehier de schrik van orthodox-analoge inboorlingen: de iLiad Reader.)

‘Ik wil gaan spreken van gedaanten die in nieuwe werden veranderd.’ Zo beginnen de Metamorphosen van Ovidius, een epos dat de Romeinse poeta laureata Ovidius schreef als jonge veertiger. Onlangs herlas ik fragmenten van de Engelse vertaling van de Metamorphosen op een exemplaar van de iLiad Reader, een van de bekendste boekenreaders van het moment. De vertaling was dan weer gedownload op de site Internet Archive (www.archive.org), een kolossale vergaarbak van tekst en beeld. Alleen al via het Open-Access tekstarchief van die site heb je gratis toegang tot ruim 361.000 bestanden. Een peulschil in vergelijking met de Borgesiaanse wereldbibliotheek die momenteel wordt opgebouwd via Google Book Search. Vorig jaar nog maakte Sylvia van Peteghem van de Universiteitsbibliotheek Gent een afspraak met Google om 300.000 rechtenvrije Frans- en Nederlandstalige boeken tegen 2010 online te zetten.

Een dichtbundel van 642 euro

We zitten midden in een duizelingwekkende culturele omwenteling vol paradoxen. Niet eerder in de geschiedenis kon je zo makkelijk zoveel informatie vergaren. Met één klik tover je de Metamorphosen op je scherm. Maar als gebruiker van massamedia word je steeds enthousiaster behandeld als een twaalfjarige randdebiel die net zijn eerste
lobotomie achter de rug heeft. De digitalisering zelf raast sinds de jaren negentig als een permanente revolutie de wereld rond. Hoewel de dotcombubbel miljarden euro’s kapitaal heeft vernietigd, is de digitale zendingsdrang onverkort heftig. Maar zolang een toestel als de iLiad Reader 642 euro kost, blijft de digitale revolutie een bron van nieuwe sociale ongelijkheden. Boekhandelaar Selexyz Donner in Rotterdam had er eind 2007 ruim 150 verkocht. 150 stuks. Het lijkt wel een dichtbundel.

Ten tijde van Ovidius hadden de Metamorphosen een omvang van vijftien perkamentrollen. Er was slechts een gering aantal exemplaren in omloop. Het epos werd meer voorgedragen dan gelezen. Bovendien bezat het publiek voldoende parate kennis om de talloze literaire verwijzingen te begrijpen. De iLiad Reader is in alles de tegenpool van de perkamentrol. Het ebook is onstoffelijk, oneindig vermenigvuldigbaar en ultiem vergankelijk. Nog niet zo lang geleden inspireerde de verzuring en desintegratie van de boeken uit de periode 1850-1950 ons tot een planetaire angstpsychose. Dat is allang passé. Halsoverkop worden archieven en bibliotheken integraal gescand. De vergetelheid heeft een andere vorm aangenomen, Ovidius achterna.

Het einde van de oude taalcultuur

Het niet-gedigitaliseerde deel van onze geschiedenis lijkt voorgoed verloren. De omgangsvormen, de smaak en de ambitie van de renaissance kun je niet downloaden. Terwijl net die culturele ijkpunten ruim vier eeuwen lang ons beeld van de wereld hebben bepaald. ‘We staan op het punt om afscheid te nemen van de oude taalcultuur’, schrijft de Leuvense hoogleraar Nederlandse taalkunde Joop van de Horst in De toekomst van het Nederlands, een boek dat onlangs verscheen ter gelegenheid van het 75-jarig jubileum van het Genootschap Onze Taal. Wellicht vormen wij de laatste generatie die zo sterk de nadruk legt op geschreven taal, op een eenduidig spellingbeleid, op het onovertroffen belang van lezen en schrijven als culturele waarden, op de bescherming van onze taal tegen ‘vreemde invloeden’. Dat laatste zou ons alvast verlossen van de Vlaams-nationale taalkramp die nog steeds door zovelen vol overgave wordt beleefd.

Nog heel even is het e-book een vreemde vogel in het reservaat van de letteren. Nog heel even. Is het eerste deel van het deeg geheiligd, dan ook de rest, schreef de apostel Paulus. En zo zal het ook met het e-book gaan. Uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep bracht bij haar veertigjarig bestaan in 2002 een uitzonderlijk mooi verzorgde jubileumeditie van de Metamorphosen uit. Steunkleur in het binnenwerk. Zilver op snee. Met linnen beklede cassette. Niemand kan dit object weerstaan. Maar ik wil Ovidius ook op het scherm lezen. Meer nog, ik wil het volledige corpus klassieke Griekse en Romeinse teksten permanent kunnen raadplegen, zelfs in vertaling. En de onlineversies van dertig of wat binnen- en buitenlandse kranten. De droom van een voor iedereen toegankelijke en betaalbare totaalbibliotheek is te aantrekkelijk om niet na te streven.

De menselijke kennis is haast volledig geoutsourcet. Moet je nog wel iets kennen? Bij voorkeur wel, maar je moet vooral kunnen zoeken. Elke mens heeft in 2007 gemiddeld 45 gigabyte aan digitale informatie gegenereerd. De informatieberg is eenvoudigweg niet meer beheersbaar. Laat staan dat je nog in staat zou zijn de rozen op de mestvaalt op te merken. Zo ontstaat er informatiestress en organiseert de domheid zichzelf. Vooruitgangsutopisme is een slechte raadgever. Net als de papieren bibliotheek is het e-book een welkom verlengstuk van onszelf. Maar vergeet niet te lezen.

Harold Polis

(Deze tekst verscheen eerder in De Morgen van 19 maart 2008.)

zondag 9 maart 2008

Ernst Jünger - Parijs Dagboek 1941-1942


(Ernst Jünger vluchtte als tiener uit het ouderlijke Heidelberg en nam dienst in het Franse vreemdelingenlegioen. Op de foto hiernaast staat hij geportretteerd in zijn uniform van légionnaire. Beide wereldoorlogen maakte hij mee als Duits militair.)

Slecht taalgebruik leidt tot fascisme, heeft Karl Kraus ooit beweerd. Klinkt goed, maar slaat nergens op. Zo is het Vlaams Blok Magazine hopeloos tendentieus, maar zeker niet erbarmelijk geschreven. Het antidemocratische Vlaams-nationalisme telde heel wat afgestudeerde germanisten, August Borms op kop, die in correct Nederlands over de schreef gingen. En van een poujadist als Pim Fortuyn kon je veel zeggen, behalve dat hij zijn taal niet kende. Vormelijke argumenten volstaan niet om greep te krijgen op extremisme. Als slecht taalgebruik ergens toe leidt, dan wel tot verwarring, ergernis en wansmaak. Dient een palliatieve filter om tabaksrook moreel verantwoord te maken, het geweten van moraalridders te sussen of ondraaglijk zieke mensen bij te staan? Gelukkig is er nog de literatuur, die schitterende vrijplaats waar kromspraak nog iets betekent. Vermaarde kromspraakkundigen als Céline of Pound hebben zich echter bezoedeld door een onsportieve houding aan te nemen tegenover de medemens en de democratie. Ook Ernst Jünger is zo iemand geweest. Schrijven fascistische literatoren literatuur? Of doen ze aan politiek? En volstaat de overtuiging van een schrijver om zijn werk op ethische gronden af te keuren? Als u drie keer ja antwoordt, ga naar de beursberichten. Als u twijfelt, lees verder. Ernst Jünger bezat de gave om veel te zeggen met weinig woorden. Met zakelijke beknoptheid had dit weinig te maken. Eerder dan het leven zoals het leven is te beschrijven, benaderde hij de innerlijke werkelijkheid van mensen en dingen als iets dat op zichzelf stond. Veel zeggen met weinig woorden betekende in Jüngers geval het belijden van zijn particuliere theologie. Hij verkocht graag wind. Vooral zijn dagboeken over de Tweede Wereldoorlog tonen het overdreven belang dat Jünger hecht aan zijn statische wereldbeeld. Terwijl de wereld ten onder gaat, kiest Jünger voor een strategische terugtocht naar zijn mythische innerlijke werkelijkheid. Hij beschouwt. Op 18 november 1941 noteert hij: "Wat ons het diepst bezighoudt, onttrekt zich aan communicatie, en zelfs aan de eigen waarneming." Volgens Jünger bestaat er een dimensie van de werkelijkheid waar de mens geen vat op heeft. Die irrationaliteit is de grond van het bestaan. Hoe nauwkeuriger een schrijver de tastbare werkelijkheid hiermee contrasteert, hoe dichter hij tot de kern van de waarheid doordringt. 25 oktober 1941: "De woorden zouden net als de atomen een kern kunnen bevatten waar ze omheen wentelen, een kern die men niet mag aanraken, wil men geen naamloze krachten vrijmaken."

Jünger is op zijn sterkst als leerling-tovenaar die ziet wat wij niet zien, diepzinnige commentaar leverend bij het pittoreske panorama van Parijs. Zijn aandacht gaat uit naar architectuur, monumenten, historische steenhopen, het roemrijke verleden. Onschuldige toeristische bespiegelingen, ware het niet dat Jünger deel uitmaakt van de Duitse bezettingsmacht en werkt bij het kabinet van het militaire oppercommando. Dit detail zorgt voor vervelende situaties, bijvoorbeeld wanneer Jünger assistentie moet verlenen bij de executie van een door de krijgsraad berechte Duitse soldaat. Jünger brengt die scène vrij klinisch in beeld. Hij is wel aanwezig, maar is vooral met zichzelf bezig en gaat volledig op in zijn "innere Emigration". Van het moment dat de doodsbange jonge soldaat moet aantreden voor het vuurpeloton, onthoudt Jünger het vliegje dat de veroordeelde van zich af tracht te schudden. Dezelfde lichtzinnige afstandelijkheid kenmerkt Jüngers beeld van bezet Parijs. Hem valt vooral de Duitse bewegwijzering op die het grondplan van de stad een nieuwe indeling lijkt te geven. En wanneer Jünger in het gezelschap van een andere Duitse officier de Franse sterren Arletty en Sacha Guitry ontmoet, noteert hij haast kinderlijk naïef: "Naar aanleiding van deze lunch waren zo'n twintig politieagenten in de buurt geposteerd." Kuifje in bezet Frankrijk.

Wie het voeren van oorlog ervaart als een contemplatieve bezigheid, kan het zich uiteraard niet permitteren de feiten onder ogen te zien. Als Jünger tracht te verklaren wat er zich rondom hem afspeelt, weidt hij uit over de natuurwetten en de diepere drijfveren van de menselijke soort. De combinatie van loodzware Duitse ernst, hoogdravende flauwekul en verstilde beschrijvingen heeft tragikomische effecten. Zou hij die onzin nu echt geloven, of houdt hij ons voor de gek? 23 november 1941: "Wanneer men omsingeld wordt en er geen uitweg is, hoort men zich bekend te maken als een oorlogsschip dat zijn vlag hijst." Zie ginds komt de stoomboot uit Duitsland weer aan. Gaandeweg wordt duidelijk dat Jünger zich in zeer weinig onderscheidde van de Duitse officieren uit de legendarische tv-serie Allo allo. Het Parijs dagboek van Ernst Jünger doet nog het meest denken aan The Damned van Luchino Visconti, een film die geheel en al bestaat uit hyperesthetische waanbeelden. Visconti's gewild decadente portret van de opkomst van het Duitse fascisme verzinkt in impressionisme, iets waar ook Jünger zich niet uit kan losmaken. Parijs dagboek ademt de sfeer van de ondergang van de burgerij, met al haar normen en waarden. Te midden van de puinhopen tracht Jünger de aristocratische chic te handhaven, in het volle besef dat het fascisme ook de aristocratie naar het leven staat. Jünger keurde het nazi-regime af, niet uit pacifisme, maar vooral omdat het geen nette heren waren. Het ideaal van de nieuwe fascistische mens had weinig te maken met het Pruisische chauvinisme dat Jünger zo graag etaleerde. Zijn ervaringen als luitenant van het 73e regiment Hanoverse fuseliers op het slachtveld van de Eerste Wereldoorlog vormden een bron van schoonheid. Jüngers dagboek In Stahlgewittern (1920) is een rapsodie van zuiverheid en wapengekletter. Voor Jünger werd de Eerste Wereldoorlog gevoerd door mannen met eergevoel, mannen die loutering zochten in de dood. De strijd bracht Darwins evolutieleer in de praktijk. In het essay Der Kampf als inneres Erlebnis (1922) vergelijkt Jünger de oorlog met de geslachtsdaad en noemt hij haar "ein Naturgesetz". De aristocraat Jünger liep niet hoog weg met de populistische manipulaties van het nazi-regime, hoewel hij altijd gefascineerd bleef door de mythologische leidersfiguur. Het oeuvre van de rechtse, conservatieve Ernst Jünger is getekend door een dubbelzinnige code die nauwelijks te kraken valt. Zijn morele verantwoordelijkheid heeft altijd ter discussie gestaan. Jüngers antwoord was even hardnekkig als aannemelijk: "Nach dem Erdbeben schlägt man auf die Seismographen ein. Man kann jedoch die Barometer nicht für die Taifune büssen lassen, wenn man nicht zu den Primitiven zählen will." Schiet niet op de pianist.

Harold Polis

(Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van 29 mei 2002.)

zondag 2 maart 2008

Voor een paar negers meer (over Emile Vandervelde)


(Emile Vandervelde en Hendrik de Man, jaren twintig.)

Afgrijzen en wroeging zijn niet langer ons deel wanneer het Belgische koloniale palmares ter sprake komt. We hebben bekend dat we Lumumba een beetje hebben vermoord. We hebben er een beetje voor gezorgd dat Umicore, het vroegere Union Minière, de Kongolese burgeroorlog een beetje minder aanwakkert door niet meer illegaal in coltan te handelen. Wanneer de vulkaan Nyiragongo de stad Goma in de as legt en vierhonderdduizend (400.000) mensen op de vlucht jaagt, sturen we een defecte C130 met een beetje hulp. De Belgische regering is niet zo'n heel klein beetje trots Kabila junior een vriend te noemen, ook al is het een door nepotisme aan het bewind gebrachte dictator die toch een beetje de mensenrechten aan zijn laars lapt.

Honderd jaar geleden was er van beetjes geen sprake. Leopold II zoog zijn Kongo Vrijstaat leeg tot de wilde rubberplant even zeldzaam was als de dodo. De inlandse bevolking onderging de ellende als een aftelrijm. Leopolds dictatuur hield op in 1908. Toen waren ze met ruim acht miljoen minder. Een cijfer dat nog veel hoger lag als men de overblijvers telde bij handopsteking.

Op 20 augustus 1908 keurde de Kamer van Volksvertegenwoordigers de annexatie van Leopolds Kongo Vrijstaat goed. In ruil voor kwijtschelding van de gigantische sommen die België aan zijn vorst had geleend, mocht de staat zich eigenaar noemen van de meest rendabele Afrikaanse kolonie. Emile Vandervelde, eminent kamerlid en socialistisch voorman, trok eind juli met de pakketboot naar Kongo. Hij wilde zich ervan vergewissen of België geen kat in de zak kocht. Een rubberkolonie was een mooi ding, maar de prille, voornamelijk Britse mensenrechtenbeweging had de publieke opinie ervan overtuigd dat rubber mensenlevens kostte. Met zijn dagboek wou Vandervelde de zin van een goed koloniaal bewind aantonen en de Belgen geruststellen. "Je crois bien", schreef hij, "qu'on oubliait de donner la chicotte aux travailleurs noirs, pendant les séjours que nous faisions dans les postes." La chicotte, de bullepees, was het ware nationale symbool van Kongo Vrijstaat. Nu de Belgische staat de macht overnam, zou alles beter worden, menselijker, beschaafder. Vandervelde stelde zich op als een gematigd pragmaticus. Mede daardoor kreeg hij in Adam Hochschilds boek over Leopold II de rol van verlichte politicus. Iemand die zich het lot van de zwarte aantrok. Les derniers jours de l'Etat du Congo brengt echter aan het licht dat Vanderveldes ruimdenkendheid even breed of smal was als de brutomarge van Belgiës handelsbalans.

De belangrijkste stelling van het reisdagboek luidt: "Il n'y a que deux moyens de faire travailler les hommes: les terroriser ou les prendre par leur intérêt." Vandervelde was zeker geen tegenstander van het kolonialisme. Rubber bracht geld op en met dat geld kan het lot van de Belgische onderdaan worden verbeterd. Zijn grootste bekommernis betrof efficiënt uitbuiten. Voor Vandervelde had Leopold II een fantastische taak aangevat, alleen had de uit grootheidswaanzin en ivoor opgetrokken vorst het verkeerde systeem uitgedokterd om zijn winstbejag te verzadigen. Kortom, kolonialisme was een kwestie van vormgeving. Gedwongen arbeid, slavernij en lijfstraffen vond Vandervelde niet meer van zijn tijd. Beter was het de domme negertjes in baar geld uit te betalen. Het bleven wel domme negertjes: "Il est incontestable que le noir aime mieux faire le lézard au soleil que de travailler au-delà de ce qui est indispensable à la satisfaction de ses besoins élémentaires." De domme neger behoorde niet tot het doelpubliek van de socialist Vandervelde. De kleine man wel. In 1908 beschikte die nog niet over een volwaardig stemrecht. De domme neger beschikte domweg over niets. Het was de domme neger zelfs niet gegund te kiezen tussen zweep of hongerloon.

In de buurt van Basongo knutselde een kolonist een Belgische vlag in elkaar ter gelegenheid van Vanderveldes bezoek, eind augustus. De kolonist liet de lokale eenheid van de Force Publique achter de vlag lopen. Niet zonder trots noteerde Vandervelde dat dit wellicht het eerste Belgische militaire defilé was in de nieuwe kolonie. En zo gaat het maar door. Te Boma speelde een orkestje in het station de Marseillaise. Vandervelde was razend enthousiast. De kolonisten die hun technische verwezenlijkingen toonden, kregen nog meer applaus. En onderweg van post naar post maakte Vandervelde zich vrolijk over de afgezakte borsten van Kongolese vrouwen. Als die ene verdwaalde socialist in Kongo zulk een flapperende onzin uitkraamde, hoe gedroeg de voltallige Kamer van Volksvertegenwoordigers zich dan toen Kongo ter sprake kwam? Het antwoord is wellicht zo beschamend dat de vraag het best retorisch blijft.

Wie een weide koopt, krijgt er de fauna en flora bij. Voor Vandervelde, en met hem al zijn collega's, was Kongo een weide die moest opbrengen. De domme negers waren een noodzakelijk kwaad. Ja, er liepen paters en pastoors rond die de domme neger leerden rekenen en schrijven, maar Vandervelde keurde de klerikale bemoeizucht af. De staat zou het beter doen. En zo vat Les derniers jours de l'Etat du Congo perfect de kern van het kolonialisme samen: de gekoloniseerde is een commercieel product dat zijn enige reden van bestaan ontleent aan de kolonisator.

Begin september 1908 voer Vandervelde de Kongostroom af, richting binnenland. De overweldigende natuur stond voor hem in schril contrast met de afzichtelijke mensen die er woonden. "Décidément l'homme, à l'état de nature, ou près de l'état de nature, n'est pas beau!" In het beste geval waren domme negers gedweeë huisdieren. De woeste natuur beangstigde Vandervelde. Echt veilig voelde hij zich pas op het terras van de wufte gouverneur van Boma, waar de rode hibiscus zo welig tierde dat het erop leek "que nous n'avions pas quitté l'Europe". Elders vond hij het uitzicht op de boorden van de Kongostroom bijna even mooi als de Kempen. Vandervelde wist geen raad met Kongo en zijn inwoners, net zomin als vele generaties Belgische politici na hem. De kolonialen die hij bezocht - omstreeks 1910 waren er dat 3.000 - waanden zich op Mars. Drieduizend kolonialen stonden tegenover ruim vijftien miljoen Kongolezen en wat beschreef Vandervelde in zijn dagboek? Kleffe natuurbeelden en boekhoudkundige bedenkingen van gewestbeheerders. Les derniers jours de l'Etat du Congo is een zeldzaam hoogtepunt van vervreemding. De enige manier waarop Vandervelde iets zinnigs kon zeggen over het Fremdkörper Kongo, was door de kolonie te behandelen als een groot uitgevallen volkstuin.

(Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van 30 januari 2002.)

Jackie en Joan Collins ongekuist


(Joan Collins als starlet, ergens in de jaren vijftig: "Ik heb grotere dingen uit een bloemkool zien kruipen.")

Onder het plaveisel het bordeel. Zo heeft Jackie Collins de strijdkreet van mei '68 vertaald, 'sous les pavés, la plage'. Als een van de best verkopende auteurs van de afgelopen dertig jaar heeft ze haar inspiratiebron nooit verhuld: het morele moeras van Hollywood. Collins is ervaringsdeskundige. Ze had in de jaren zestig een korte, mislukte filmcarrière in de slipstream van haar oudere zus Joan Collins. Die maakte als tienerster furore in Britse B-films en werd door 20th Century Fox naar Amerika gehaald om Elizabeth Taylor van haar troon te stoten. In plaats van de eeuwige roem kreeg Joan Collins een abonnement op verwaarloosbare rollen.


Koninginnen van de pulp

Toen Joan Collins in 1954 aan de slag ging bij 20th Century Fox wilde superproducer Darryl F. Zanuck haar koste wat het kost naaien. Zanuck had een gouden replica van zijn geslacht laten maken om de meisjes te intimideren. Collins ontsnapte de dans dankzij haar gevatte antwoord: "Ik heb grotere dingen uit een bloemkool zien kruipen." Zij zat aan de knoppen, niet de eindeloze rij filmlui die ze niet zelden zonder tact afwerkte. Zo beleefde ze tijdens de jaren zestig een vruchtbare periode die bekendstond als 'The British Open', wat in Collins' geval letterlijk te nemen was. Kortom, deze vrouw had levenservaring te over. Op latere leeftijd schreef ze een reeks autobiografische boeken waarin ze onfortuinlijke zusters handige tips gaf om zich minder dik en ongelukkig te voelen. Haar grootste literaire triomf boekte ze in 1996 toen een rechtbank in New York besloot dat Random House een voorschot van 1,3 miljoen dollar moest betalen aan Collins voor een door de uitgeverij geweigerd manuscript. Tot op heden een wereldrecord. Het duurste niet gepubliceerde manuscript aller tijden droeg de omineuze titel The Ruling Passion.

Jackie en Joan zijn de gezusters Brontë van de naoorlogse pulpliteratuur. Uiteraard heeft Joan ook romans op haar actief, maar die steken bleek af tegen de furieuze epen die Jackie ons heeft geschonken. Toen Jackie in 1968 debuteerde met de roman De wereld loopt vol getrouwde mannen stond ze niet alleen met haar libertijnse fantasieën. De grote sensuele hit van het moment was het ontwapenend openhartige The Love Machine van Jacqueline Susann. Een pageturner over een tv-baas die zich op industriële schaal aan vrouwen vergrijpt. Susann was als eerste vrouwelijke megaseller doorgebroken met Valley of the Dolls (1966), een droefgeestige roman over drugsverslaving in de coulissen van Hollywood. Er zijn tot op heden 30 miljoen exemplaren van dat pillenboek verkocht. Ook Susann schreef op basis van haar ervaringen als mislukte actrice. De legendarische boekenpaus Michael Korda, hoofdredacteur van Simon & Schuster, had al eerder door dat er potentie zat in die semi-autobiografische literaire rek- en strekoefeningen. Hij gaf Harold Robbins uit en maakte van Jacqueline Susann een ster. Van Korda is de volgende legendarische vergelijking opgetekend: "Portnoy's Complaint van Philip Roth gaat over masturbatie. The Love Machine over succesvolle heteroseks. Als er rechtvaardigheid bestaat, krijgt The Love Machine de bovenhand, want het is zonder meer een stap in de goede richting.'


Heimwee naar het korset

Schrijft Jackie Collins literatuur, bedrijft ze een gefictionaliseerde vorm van emojournalistiek of tracht ze gewoon haar boterham te verdienen? In elk geval heeft ze zich bekwaamd als producent van literair glijmiddel. In tegenstelling tot nogal wat van haar collega's gunt zij haar vrouwelijke personages wel een beter lot dan de mannen. Het systeem-Collins is onfeilbaar. Telkenmale schetst ze met grove trekken een onverzadigbare mannenverslindster en haar slachtoffers, zoals in haar verfilmde meesterwerk Hollywood Wives: "Waarom schenen vrouwen altijd zoveel inzicht te hebben in de dingen die de mannen zeiden?" Bovendien is alles gebaseerd op bestaande figuren en feiten die, zo herhaalt ze uitentreuren, in het echt vele malen erger zijn. Collins' proza is dan ook geen verdichting van de werkelijkheid, maar een gekuiste versie ervan. De grote heraut van het vrijmoedige leven is eigenlijk een zeer burgerlijke moraliste. In haar oeuvre - wereldwijd reeds 450 miljoen exemplaren verkocht - ensceneert ze een slaapverwekkende exercitie voor borsten en billen. Lust is niet de drijfveer van haar personages, maar wel een tot geloof verheven pathetiek. Het lijkt alsof er in haar boeken een immer snikkende en ontgoochelde afgod wordt aanbeden. Het geluk kan alleen worden afgesmeekt door er als een roedel hormonaal gestoorde konijnen tegenaan te gaan. "Hij kuste haar opnieuw. Deze keer kuste ze hem terug, en hun monden ontmoetten elkaar in wederzijdse vreugde." De enige sensualiteit in deze verhalen is de niet te stillen heimwee naar het Victoriaanse taboe. Het korset had tenminste nog inhoud.

Harold Polis

(Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van 27 februari 2008.)

maandag 25 februari 2008

De wet van Gaston (Burssens)


(De titelpagina van Burssens' dichtbundel 12 Nigger-Songs.)

O Vlaanderen, land der Gastonnen! De populairste Gaston heet Berghmans. Deze wenende clown leerde zijn volk lachen. Een andere Gaston, Eyskens genaamd, was groothandelaar in raison d'état. Hij genoot grote faam als staatshervormer en negervriend. Gaston Geens, zaliger gedachtenis, belichaamde het apostolaat van de technologische revolutie. Zijn reconversie van keuterboer tot bladerunner had als motto 'wat we zelf doen, doen we beter'. De uitspraak van Geens brengt tot op heden ellende teweeg. Kijk naar wat er ons op 11 juli te wachten staat. De Belg in ons heeft tenminste het recht te doen alsof niets hem kan schelen. Als het van de Vlaamse regering afhangt, vinden we samen het Vlaming-zijn weer uit, moeten we hoera roepen en aanschuiven bij de van staatswege gesubsidieerde barbecue. Deze groteske uiting van domheid is een perfecte illustratie van de wet van Gaston: wie het wiel uitvindt, valt op zijn bakkes. Van alle Vlaamse Gastonnen is Gaston Burssens de enige geweest die de wet van Gaston op sublieme wijze heeft beschreven, met dank aan Paul van Ostaijen.

De dichter Burssens toonde hoe onmogelijk, onnozel, bovenwerkelijk, onderbewust of onecht werkelijkheid kan zijn. Zijn geliefde wapens waren het sofisme en het chiasme, met andere woorden, flauwekul verkopen en alles op zijn kop zetten. In zijn beste gedichten vindt Burssens het wiel uit en valt hij op zijn bakkes, omdat hij uit moedwil vergeet hoe hij het wiel moet gebruiken. 15 juli 1949: "Men moest niet altijd denken over de dingen die men doet. En vooral moest men het waarom en het waartoe radicaal kunnen uitsluiten. Het is lang niet gemakkelijk zo banaal te zijn. Moest het totaal onmogelijk zijn, ik zou nooit een woord op papier zetten." Onechtheid was voor Burssens geen doel, maar een middel. Zo bevat French en andere cancan (1935) pastiches die elk op een andere manier zijn vormgegeven. In 12 nigger-songs (1946) vertaalt Burssens de sonnetten van Vidye Kalombo, een denkbeeldige Katangees die "de oorlog heeft meegemaakt op alle fronten, ook in Vlaanderen". Dit onooglijke, uiterst onwelvoeglijke en dodelijk sarcastische bundeltje over de oorlog wordt in grootsheid slechts overtroffen door die andere openbaring in zakformaat, Mijn kleine oorlog van Louis Paul Boon. Het is geen toeval dat Boon en Burssens het goed konden vinden met elkaar. Zij deelden een afkeer voor droogkloten, hielden van averechtse kunstenaars en vonden Max Havelaar fantastisch. Burssens herlas Max Havelaar vaak. In zijn dagboeknotitie van 12 september 1949 noemt hij het een "verontstoffelijkt" boek, "een meesterwerk geschreven door Anonymus". Ook Max Havelaar beantwoordt aan de wet van Gaston. Het boek is zijn maker boven het hoofd gegroeid.

De wet van Gaston was zeker van toepassing op Boon. Die wilde met zijn ontsporende boeken de ondergang van het socialisme, de spoken van de Kapellekensbaan en de angst voor de bom bezweren. Waar Boon waarschuwde voor het armageddon, zou Burssens het eerder aanmoedigen. Burssens schrijft op 10 juni 1949: "Dank zij de atoombom, de waterstofbom en wat er op volgt of niet meer op volgt, gaan wij de laatste oorlog tegemoet. Faute de combattants...! De inzet is nu: het Nihilum. Moest ik mij vergissen, het zou alleen maar jammer zijn." Het typeert Burssens, een man die in zijn dagboek liefst over uitersten bericht. Terwijl het onweert en bliksemt boven de Schelde beschrijft hij hoe de aangemeerde oceaanreuzen veranderen in spookschepen. Zijn hond Boy valt varkens en poedels aan, bijt een enorme waterrat dood en Burssens mijmert dat de mens met zijn concentratiekampen geen haar beter is dan een beest. Burssens doodt een insect en observeert nauwkeurig hoe het lijk wordt opgepeuzeld door zijn soortgenoten, die hij van "primitief-menselijke instincten" verdenkt. 24 december 1950: "In Mexico heeft een stier zijn horen tussen de ribben van een toreador gestoken. Goed zo!" In het voorjaar van 1950 barst de koningskwestie los en balanceert het land op de rand van de burgeroorlog. Burssens ervaart dit als een moment waarop de waanzin haar ware gelaat toont. 2 februari: "Het bloed vloeit nog niet; het komt hopelijk nog wel. Ik zie met een sadistisch verlangen het ogenblik tegemoet waarop zij elkander zullen verscheuren tot alleen nog hun staarten overblijven." Na de doden van Grâce-Berleur schrijft Burssens: "De eerste moordenaars zijn opgetreden en de eerste idioten zijn gevallen. De gendarmen hebben gisteren drie manifestanten doodgeschoten. Morgen mars op Brussel, met nog meer doden en nog meer moordenaars. Wel bekome het hun!" Burssens wil het groot anarchistisch geschut inzetten tegen die weerzinwekkende onzin. Het wordt volgens hem "weer eens tijd de schimmen van Bakoenin, Kropotkin, Reclus en Ravachol op te roepen om hen te verzoeken eens en voor altijd in ons midden te blijven". Een oproep die tot aanbeveling strekt, zeker nu de barbecue van 11 juli de wet van Gaston in werking doet treden.

In zijn dagboeken toont Burssens zich een sensibel en sinister observator. Hij heeft een hekel aan boekhouders van het hart zoals André Gide of Jules Renard, dagboekschrijvers die zichzelf net iets te enthousiast ontrafelen voor het oog van de lezer. Klinkt het niet, dan botst het. Burssens: "'t Was niet zozeer een vraag van duur // dan van sporadisch met de tijd te gokken. // Want ik heb nooit het wiel gestoken in de stokken // van 't rad van avontuur." Voor de oude Burssens was avant-garde een artistiek gestroomlijnde vorm van amor fati, ontdaan van de zo gehate "persoonlijke emoties". Wat doet een krasse knar die denkt dat Descartes zich heeft vergist en "coïto ergo sum" heeft willen schrijven? Hij voert gesprekken met geile Franstalige vrouwen. Hij voelt zich op zijn best bij een haperend bewustzijn, met behulp van slaapmiddelen of in de nabijheid van zijn hond. Wanneer Burssens rondrijdt in de wagen met Boy in de passagiersstoel ervaart hij gedachteloze gelukzaligheid. Zuivere lyriek loopt op vier poten en kwispelstaart. Of zweeft rondom Burssens heen als de geest van zijn vroeg gestorven wapenbroeder Paul van Ostaijen. Burssens tracht de herinnering aan de "geliefde argonaut" Van Ostaijen heel scrupuleus levendig te houden. Eens grotesk, altijd grotesk. 18 februari 1950: "Vierenvijftig jaar! Als ik mijn kale schedel betast heb ik de indruk dat ik mijn haren nog moet krijgen. Zo jong voel ik mij."

Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van 3 juli 2002.

Julien Green: de laatste katholiek


Het graf van Julien Green in de Sankt Egid kerk, in de Karinthische hoofdstad Karnten (Oostenrijk).

Geloof is het grootste taboe van onze tijd. Een lege kerk betekent allerminst dat er geen gelovigen meer zouden zijn. De massale ontkerstening heeft er niet voor gezorgd dat de mens minder met dood en verlossing bezig is. Let's face it, de reden waarom wij geen wereldkampioen voetbal zijn geworden en de Brazilianen wel, heeft alles met Jezus te maken. De Brazilianen speelden als FC Emmaüsgangers, droegen T-shirts waar op 'Jezus saves you' stond en baden na afloop van elke gewonnen partij drie weesgegroeten en een onzevader. Hun doelman heeft zelfs het hele WK op zijn knieën de goal verdedigd, om vergiffenis af te smeken voor de heidense tegenstrevers. Het is dan ook God die het doelpunt van Wilmots heeft afgekeurd, niet de scheidsrechter. Aimé Antheunis weet dat. Hij staat voor de schier onmogelijke opdracht om de rode duivels in een recordtempo om te vormen tot goede katholieken. De tactische besprekingen zijn vervangen door een uur bezinning. De bond heeft intussen een dozijn bijbels en het verzameld werk van Julien Green besteld.

Green zou de verlichte voetballer met piëteit hebben beschreven, net zoals hij een zwak had voor late bekeringen, onverwachte roepingen, stille mirakels. De late middag vond Green het mooiste moment om de bijbel te lezen. Zijn Parijs gedroeg zich dan als een monster dat zich knorrend en briesend, maar vooral gezapig naar de avond sleepte. Zich bij die omstandigheden verdiepen in de bijbel gaf hem de ervaring tegelijk veraf en nabij te zijn. Dat laatste, er zijn én er niet zijn, beantwoordde volledig aan de mystieke houding die Green zich eigen had gemaakt. Eenzaamheid is voor Green een bron van verlangen en angst. Alleen in de stilte kan hij God horen, maar God houdt meestal zijn mond. De straffende God van de Pentateuch is bij Green een zwijgende God, niet minder wreed en even alomtegenwoordig. Ook in zijn bijbelse voorkeuren toont Green zich oudtestamentisch. Vooral de profeten spreken hem aan, het parlando van de dichter Jeremia en de bloeddorstige fantasie van de raaskallende Ezechiël. Deze bij uitstek literaire teksten verwoorden uitbundig hoe de mens wordt verscheurd tussen opstand en onderwerping, en wat voor goeds de overgave aan de gratie Gods ons zal brengen. Het is een kwestie van tactiek. Ik hoop dat Antheunis goed oplet.

Een exuberante stijl gaat Green zeer bewust uit de weg, wat deels zijn fascinatie voor de profeet Ezechiël verklaart. Ondanks zijn diepe gelovigheid deinst Green ervoor terug om al te openlijk over spirituele ervaringen te schrijven. Hij heeft het uiteraard wel gedaan, naar eigen zeggen zelfs zeer uitgebreid, maar die delen van het dagboek heeft hij niet bestemd voor publicatie. Een strijdend katholiek was Green niet. Half badinerend verdedigt hij begin 1955 de stelling dat een mens zijn geloofsbelevenis als een groot geheim moet koesteren. Het is vreemd om te lezen dat Green pleit voor afzijdigheid, terwijl hij noteert hoe hij dag na dag wordt geconsulteerd door gewone gelovigen. Green houdt letterlijk spreekuur en debatteert over geloofskwesties met studenten, nonnen, pastoors, collega's. Een van die gesprekspartners is Jacques Maritain. Hij, de heraut van het intellectuele apostolaat in de twintigste eeuw, had ook Green bekeerd. Het was Greens tweede bekering, in 1939, na jaren van losbandig gedrag. Althans, zo beweert Green. Hij zal het ook nooit nalaten zich stiekem met Augustinus te vergelijken, een kerkvader die zijn carrière begon als kroegtijger en vrouwenloper. Bij Green is het een en al discretie zodra het verderfelijke verleden ter sprake komt. Je kunt je dan ook moeilijk voorstellen dat in deze uiterste bedachtzame, secuur formulerende man een losbandig beest schuilt. De homo Green worstelde wellicht meer met zijn geaardheid dan met de zwijnerijen die hij tijdens zijn jonge jaren had uitgespookt. Het adagium van P.C. Boutens - "O daar is geen die eenzaam gaat als ik!" - is ook op Green van toepassing, een man die, net als Boutens, zijn homofiele verlangens wegschreef. Zodra Greens hormonen zich roeren, waarschuwt hij in zijn dagboek dat de 'demon' weer op de loer ligt. Bij een minder geniaal schrijver als Green zou die schroom een uiting van bigotterie zijn. Green komt ermee weg omdat hij nu eenmaal niet voor de vleselijke lusten leeft, maar het hogere nastreeft. Lust is een obstakel dat de verrijking van zijn geestesleven in de weg staat.

In 1956 breekt de Hongaarse opstand uit, een feit dat Green sec vermeldt, zoals alle andere feiten. Zijn afschuw van politiek was immens en religieus geïnspireerd. De waan van de dag kan geen werkelijkheid zijn, zelfs geen substituut ervan, omdat God er ten enenmale in ontbreekt. Alleen in relatie tot God heeft leven zin. Om dat te weten te komen, moet je Green in het Frans lezen. De twee delen Green in Privé Domein geven een totaal vertekend beeld van de schrijver. De spirituele dagboekpassages zijn niet opgenomen in de Nederlandse vertaling.

Green stond allerminst buiten zijn tijd, maar voor hem was een dagboek vooral bedoeld om persoonlijke ervaringen de betekenis te geven die ze ogenschijnlijk niet hebben. Schrijven wordt dan een oefening in interpreteren. Het is de reden waarom de dagboeken van Green zo'n grote rol spelen in de dagboeken van Daniël Robberechts. Green laat ontzettend veel weg, herleidt de anekdotiek tot een minimum en meet zichzelf boventijdelijke dimensies aan. Robberechts wil met zijn 'dynamische zelfbeschrijving' op een haast objectieve manier berichten over de veranderingen die hij al schrijvend ondergaat, wat meer bekentenissen oplevert en minder bespiegelingen.

Met voorsprong is Green de meest obscene dagboekschrijver van de twintigste eeuw. Niemand overtreft de angstaanjagende precisie waarmee hij jarenlang zijn meditaties over zichzelf, de mensheid en God heeft ontrafeld. Hij gaat altijd recht op zijn doel af. Vergeleken bij Green is Léautaud een seniele idioot die alleen over katten lult. Pavese is een lafaard die zijn taak als schrijver niet te boven kwam en er dan maar een eind aan maakte. Green zette door en werd achtennegentig. Zelf heeft hij zijn dagboek opgevat als een eerbetoon aan zijn God, maar dit titanenwerk is evengoed een krachtige belijdenis van individualisme. Als zijn dagboek een boodschap had, zo verklaarde Green midden jaren zeventig, dan was het een boodschap gericht aan de mens als individu: "Défends-toi, reste toi-même, sois fidèle à toi-même." Een kreet die vanaf heden hopelijk ook in de kleedkamer van de rode duivels zal weerklinken.

Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van 24 juli 2002.

dinsdag 5 februari 2008

Het wederzijds huwelijksbedrog

Over de (on)mogelijkheid van een gezamenlijk letterenbeleid in Nederland en Vlaanderen

Nederlands is een dialect dat aan de Noordwestelijke rand van het Europese continent wordt gesproken. Ziehier het grootste probleem: we zijn niet met zoveel, het Engels is belangrijker en het Frans is mooier. Mede om het Nederlands iets meer volume te geven verzamelt de Taalunie Nederlandssprekenden uit Europa en de overzeese gebieden. Met enige overdrijving kun je dit een poging tot Neerlandofonie noemen, naar analogie met de Francofonie. Een gezamenlijk Nederlands-Vlaams letterenbeleid vormt een emanatie van die toestand – het is ook een officiële opdracht van de Taalunie. Als dit de doelstelling is, dan moeten we hopen dat we het beter doen dan de Franstaligen. Naar aanleiding van het voorbije Salon du Livre, gewijd aan de Francofonie, verschenen er tal van bittere artikelen. Zo liet de Zuid-Afrikaanse filosofieprofessor Achille Mbembe optekenen in Le nouvel Observateur van 16: ‘Le projet officiel francophone est une affaire de chefs d’Etats qui, par définition, n’intéresse personne de sérieux. Les institutions de la francophonie sont, quant à elles, une immense bureaucratie linguistique qui manque de souffle […]. Elles sont au service de petits réseaux très fermés de clients qui vivent sur une rente juteuse – la rente linguistique.’ Mbembe, en velen met hem, stellen die lethargische eigendunk aan de kaak. De Francofonie als een amorf geheel waarvan de legitimering op mythes berust, met als opvallendste mythe: de taal zelf. De mooiste uitspraak in dit rondje Frankrijk-bashing (want de niet-Franse Franstaligen keren zich uiteraard tegen de culturele hegemonie van Parijs) kwam van de in Amerika werkende Congolese schrijver Alain Mabanckou: ‘Je n’ai pas choisi la langue Française, je l’ai trouvée chez moi, dans la boue, dans le quartier, dans le terrain de foot, comme les autres langues du Congo.’ De taal is een instrument. Niet meer, niet minder.

Die pragmatische houding is veel aantrekkelijker om de toekomst van het Nederlands en van de Nederlandstalige literatuur te vrijwaren. De taal is niet gans het volk. En de taal is zeker ook niet gans de cultuur, wat de beginselverklaring van de Taalunie nog steeds doet vermoeden. Een gemeenschappelijke taal- en letterenstrategie gebaseerd op cultuurpolitieke mythes (de taal is gans de cultuur) is gedoemd om de ondergang van het Nederlands te bespoedigen. Er is namelijk geen gedeelde Vlaams-Nederlandse cultuur, alleen een gemeenschappelijke taal. De taal zou ons in staat kunnen stellen om elkaar beter te leren kennen, wat we zeker niet doen. We lezen elkaars kranten niet, bekijken elkaars programma’s niet. Wel lezen we elkaars schrijvers, zij het met mate en zonder de context van hun werk altijd te begrijpen. Een kwart miljoen verkochte exemplaren van Knielen op een bed violen Jan Siebelink? Dat kwart miljoen lezers woont vlakbij mij, maar Siebelinks roman staat ontzagwekkend ver van me af. Als gesprekspartners zijn Vlaanderen en Nederland voor eeuwig en altijd op elkaar aangewezen. Maar in plaats van te doen alsof we een cultuur delen (een gedeelde cultuur die niet bestaat), zouden we beter de moeite nemen om elkaar beter te leren kennen en dus ook elkaars schrijvers. Als opdracht van een gemeenschappelijk letterenbeleid lijkt me dat al een hele klus.

Misschien is het tijd dat het Comité van Ministers de opdracht geeft om de uitgangspunten van de Taalunie grondig te herzien. Het politieke credo van de Taalunie heeft de val van de Muur ruimschoots overleefd. Sinds de ondertekening op 9 september 1980 van het Verdrag inzake de Taalunie lijkt er geen fundamentele verandering te zijn opgetreden. Artikel 2, paragraaf 1: ‘De Taalunie heeft tot doel de integratie van Nederland en de Nederlandse gemeenschap in België op het gebied van de Nederlandse taal en letteren in de ruimste zin.’ Klinkt dit niet uitermate vreemd en geforceerd? Hoezo, integratie? Hoezo, in de ruimste zin? In welk groter geheel zouden we dan wel moeten integreren? Integratie, ik denk er nog niet aan. Het woord alleen al. Het zijn net alle afwijkingen en onverzoenbare verschillen die de culturele verhoudingen tussen Nederland en Vlaanderen kleur geven. De verschillen nemen bepaald niet af, worden tastbaarder en dus interessanter. We moeten ze koesteren. Er wordt al zoveel eenheidsworst gedraaid. Laat ons dus alsjeblieft niet verzoenen wat niet verzoend kan worden. Laat ons blijmoedig flirten en vreemdgaan, zoals in het blijspel van Pieter Langendijk, Het wederzijds huwelijksbedrog, en net als een van de hoofdpersonages uitwijken naar Brussel – de enige echt kosmopolitische stad in de omgeving.

De doelstelling van de Taalunie werkt ook als een mistbank die het uitzicht op de werkelijke problemen en uitdagingen belemmert. Het hardnekkige handhaven van die haast mystieke, maar op weinig gebaseerde ‘gemeenschappelijke cultuur’ haalt de wind uit de zeilen. Het streven naar culturele integratie van Nederland en Vlaanderen is in het slechtste geval een prijzig excuus om verantwoordelijkheden te veronachtzamen. Zoals bij het ontbreken van een boekenprogramma op de VRT: het komt er, samen met een cultuurnet… maar wel in samenwerking met de NOS. Misschien. Ooit. Zou kunnen. De RTBF is overigens de enige openbare omroep in de Benelux die nog een boekenprogramma op tv brengt, het onvolprezen Mille-feuilles.

Een bloeiende boekencultuur valt niet uitsluitend samen met een hogere boekenverkoop of een positief bedrijfsresultaat bij uitgeverijen. Zonder publiek geen applaus. Er moeten steeds nieuwe generaties lezers worden gevormd. De bestaande lezers moeten zo goed mogelijk worden bereikt. Het boekenaanbod moet voldoende gevarieerd en kwaliteitsvol zijn. Die drie langetermijndoelen vormen een permanente zorg, zowel voor het boekenvak als voor de overheden in Nederland en in Vlaanderen. Ze moeten dan wel beiden hun verantwoordelijkheid nemen en zich niet verlaten op een al te gezamenlijk letterenbeleid.

De uitdagingen zijn immens. Niet eerder in de moderne geschiedenis van zowel Nederland als Vlaanderen zijn er zo veel nieuwe Nederlandstaligen geweest: lange wachtlijsten bij de taalopleidingen, gekleurde scholen, vaarwel homogene cultuur. Het is bovendien decennia geleden dat de sociale ongelijkheid – taalachterstand speelt hierbij een belangrijke rol – zo zichtbaar toeslaat. Intussen hebben Vlaamse hoger opgeleiden minder tijd om te lezen (wat blijkt uit meerdere onderzoeken van de TOR-groep onder leiding van Marc Elchardus (VUB)) en zijn het voornamelijk de oudere hoger opgeleiden die de klassieke leescultuur in stand houden. En volgens het Nederlands Planbureau verandert het verband tussen opleidingsniveau en leesgewoontes drastisch: het is steeds minder vanzelfsprekend dat hoger opgeleide mensen veellezers van kwaliteitsboeken zijn.

Het boekenvak is geen oase die losstaat van de maatschappij, het letterenbeleid al evenmin. Begrijpen we voldoende hoe onze wereld verandert en hoe we ons moeten aanpassen? Ja, er is de problematiek van de vaste boekenprijs, het grote distributievraagstuk (CB or not CB), de alsmaar krimpende levensduur van een boek of de vormvereisten van de barcode. Zaken die zonder probleem kunnen worden besproken in Vlaams-Nederlandse cenakels. Hoe belangrijker de context echter, hoe moeilijker zo’n gesprek vordert. Er zijn grenzen aan de gemeenschappelijkheid, ook wat de taal zelf betreft.

In Antwerpen, de grootste Vlaamse stad, heeft eenderde van de kinderen het Nederlands niet als moedertaal. Een recent onderzoek naar de resultaten van het Vlaamse decreet betreffende Gelijke Onderwijskansen (GOK) in de Limburgse mijngemeenten toont vergelijkbare cijfers. (In Weliswaar. Welzijnstijdschrift voor Vlaanderen, april-mei 2006, pp. 27-31.) In een tiental Genkse scholen loopt het aantal leerlingen dat thuis geen Nederlands spreekt op tot meer dan 50%. Deze kinderen leven in een complexe taalsituatie. Niet alleen is het Nederlands vaak geen thuistaal; als het al gesproken wordt, verschilt het erg van het Standaardnederlands. Veel jongeren denken dat ze prima Nederlands spreken, maar hanteren een verbasterde tussentaal. Hoewel de jongeren de omgangstaal op het einde van de lagere school vrij goed onder de knie hebben, blijken hun woordenschat en taalvaardigheid te beperkt om het secundaire onderwijs zonder problemen te doorlopen. Die taal is hun te abstract. Ook deze kinderen zijn toekomstige lezers.

Genk is verre van uniek. Het onderzoek waar ik naar verwijs, heeft vooral aandacht voor de band tussen kansarmoede en sociale achterstelling. Door de toegenomen culturele diversiteit in onze samenleving is taal plots weer een bepalende sociale factor geworden – een toestand die zeer herkenbaar is voor wie de geschiedenis van de Vlaamse beweging kent. Ook in Nederland zijn er vele Genken, plaatsen waar het onderwijs ontwricht is en de overheid bijna op maat moet werken. Dezelfde symptomen gaan echter gepaard met afwijkende omgevingsfactoren. Nederland en Vlaanderen verschillen hier sterk. Een voorbeeld. Om te voorkomen dat vele Franstaligen die hun kinderen naar het Nederlandstalig onderwijs sturen, onterecht zouden profiteren van het budget van Vlaamse decreet betreffende Gelijke Onderwijskansen (GOK), is de thuistaal geen indicator. Daardoor verdwijnen heel wat kinderen uit de GOK

-statistieken en worden ze niet geholpen. Dit krijg je als Vlaming en Belg nooit uitgelegd aan een Nederlander, tenzij die laatste politiek correspondent met standplaats Brussel is. Net zoals je met de gevolgen van de Mammoetwet en het eeuwige gepruts aan het Nederlandse onderwijsstelsel niet moet afkomen bij Vlamingen, tenzij ze er zelf het slachtoffer van zijn geworden. Ook deze aspecten van onze taal, taalverwerving en taalproblemen, kun je bezwaarlijk regelen op een bilateraal Vlaams-Nederlands niveau. Hoewel de situatie absoluut niet uniek is in Europa, wijken de omstandigheden in beide gebieden toch heel sterk af.

Soms is de Nederlandse literatuur een geloofskwestie. Dat blijkt uit het voorwoord bij Altijd weer vogels die nesten beginnen van Hugo Brems. De auteur kiest ervoor om de literatuur van Nederlanders, Vlamingen, Surinamers, Zuid-Afrikanen en Antillianen samen te behandelen. ‘Dat is een keuze die uitgaat van de overtuiging dat de Nederlandstalige literatuur één geheel is, zonder daarom ook op voorhand aan te nemen dat zij een homogeen geheel zou zijn.’ (Brems 2006:14) Deze geschiedenis van de Nederlandse literatuur kun je, correctie, moet je lezen als een poging om samenhang te brengen waar veelheid en verscheidenheid heerst. Het klinkt allemaal zeer aannemelijk, maar ondanks de ronkende argumenten geloof ik niet in het dogma.

Het bestaan van een Nederlandstalige literatuur betekent niet dat er geen Nederlandse én een Vlaamse literatuur zouden zijn. Ik geloof niet dat men beide zo dwingend moet samenbrengen zoals dat is gebeurt in Altijd weer vogels die nesten beginnen. Waarom heeft de Taalunie geen twee boeken betoelaagd: een Vlaamse en een Nederlandse geschiedenis? De naam van de Taalunie verklaart alles: omdat er slechts één Nederlandse literatuur is, die zich één en ondeelbaar gedraagt.

Het grootste deel van de tijd kan het me geen barst schelen of die gedeelde cultuur nu bestaat of niet. Boeken maken en verkopen is al moeilijk genoeg om al te veel tijd aan pseudo-ontologische bespiegelingen te wijden. Maar op sommige momenten kan ik er eenvoudigweg niet omheen. Daar is ze weer: de vermeende gemeenschappelijke cultuur. Het monster van Loch Ness.

Naar verluidt had de Vlaam vroeger een minderwaardigheidscomplex ten opzichte van den Ollander. Het meest beroemde voorbeeld in de literatuur is uiteraard de wat benepen reacties op de uitspraken die Jeroen Brouwers eind jaren zeventig deed over de Vlaamse literatuur. Die literatuur werd geschreven door mensen die een bezemsteel in plaats van een ganzenveer hanteerden. Zij werd daarom, zo onthulde Brouwers, herschreven. Meestal door barbarismen wiedende Nederlanders. Tussenkomen, onderlijnen, akkoord zijn met, wij doen u opmerken dat… schrappen die handel! Brouwers zelf, maar ook iemand als Jan Greshoff waren taaltuiniers met naam en faam. Greshoff nam het werk van Marnix Gijsen onder handen. Het was toch een beetje heiligschennis om over dit restauratiewerk te praten. De stille verontwaardiging bevestigde – overigens terecht – het vermoeden van de Vlaamse schrijver als spuier van gallicismen. Het retorische geweld van die schotschriften heeft niet aan kracht ingeboet. Maar over dat de kern van de zaak kun je vandaag alleen denken: et alors?

Intussen hangt de slinger van het meetinstrument dat literaire kwaliteit aangeeft aan de andere kant. Arjen Fortuin ontwaart een ‘Vlaamse literaire golf’ die, net als de (tijdelijke) Vlaamse theatergolf begin jaren negentig, de onvruchtbare Nederlandse laagvlakte overspoelt. Als er onder druk van dit enthousiasme meer kansen zouden komen voor Vlaamse schrijvers in Nederland, dan moeten we champagne drinken. Er is echter geen aanleiding om te vermoeden dat het plots fundamenteel makkelijker zal worden om Nederlandse lezers een boek van een Vlaamse schrijver te doen kopen. Het probleem met die golftheorie is dat ze wordt uitgeroepen door een lid van de bevoorrechte culturele minderheid, een criticus, iemand van wie je hoopt dat hij over een perfecte bilaterale literaire kennis beschikt. Een uitzondering dus. Gewone lezers en boekhandelaars zijn niet zonder reden veel minder begaan met extravagante keuzes. Als een Nederlandse debutant het al moeilijk heeft in de Nederlandse boekhandel, waarom zou een Vlaamse debutant het dan makkelijker hebben? En vice versa.

Het Vlaamse boekenvak heeft de laatste vijftien jaar een sterke professionalisering doorgemaakt, op alle niveaus. Gelukkig hoeven auteurs die in Vlaanderen wonen niet meer op bedevaart naar Amsterdam om een goede uitgever te treffen. Door die inhaalslag ontstaat er in het Nederlandse taalgebied een bipolair uitgeefsysteem en verschuift de nadruk naar samenwerking. Vlaanderen en Nederland functioneren heel anders, als land, als maatschappij, als cultuur (Vlaanderen is ook geen land, het is onderdeel van een federale staat). De boekenbranche en de leescultuur vormen geen uitzondering.

Het door Brouwers feilloos ontlede Vlaamse minderwaardigheidscomplex zindert nog wat na. Want behalve de Vlaamse kromschrijver is de ginnegappende Vlaamse drukker/uitgever met baard of marxistisch oorlogsverleden een cliché dat nog altijd niet volledig is verdwenen. Boeken, en vooral literaire werken, hebben uitsluitend een waarde als zij in Nederland worden uitgegeven, liefst nog in Amsterdam. Ook worden de boeken bij voorkeur in Nederland gedrukt, gecorrigeerd, persklaargemaakt en als het kan ook verramsjt of door de papiermolen gehaald. Dat staat niet alleen chique, het in Nederland gedrukte boek is zogezegd van betere kwaliteit, ook qua typografie en boekverzorging. Ziehier een staaltje van flapperende onzin: dat uitsluitend de boeken die in Nederland, meerbepaald Amsterdam, zijn gemaakt een nihil obstat verdienen. Niemand die van buiten de randstad komt, zal de idolatrie begrijpen waarmee menige Vlaming naar Amsterdam kijkt. De crisis die het Vlaamse boekenvak in de jaren tachtig teisterde, ligt allang achter ons. Brems besteedt veel aandacht aan die periode. Het is toen dat de Vlaamse schrijvers van belang uit pure noodzaak naar Amsterdam zijn gevlucht. Hoewel slechts een minderheid van de Nederlandse uitgevers voeling heeft met wat er zich in Vlaanderen afspeelt, teren ze nog steeds allemaal op deze mythe.

De mythe van de vlucht naar Amsterdam wordt mee in stand gehouden door een andere mythe: die van de ‘gedeelde cultuur’. In Vlaanderen is dit een stuk van de geschiedenis. Tijdens de Vlaamse ontvoogdingsstrijd nam de band met Nederland immers mythische proporties aan. De strijd ligt gelukkig achter de rug, maar de mythe blijft overeind. Weinig Nederlanders beseffen hoezeer Vlamingen opkijken naar Amsterdam. Weinig Vlamingen beseffen dat Nederlanders, zeer terecht, een zakelijker houding innemen. Nederland: volksopstanden, massieve ontevredenheid, politieke moorden, een economische crisis en Rita Verdonk. Niets deugt er zogezegd nog, behalve het uitgeverijwezen!

Om het spookbeeld van de Francofonie te vermijden, moet die idolatrie volledig verdwijnen. Ze werkt op de lange duur in het nadeel van de Nederlandstalige letteren. Onze literatuur – als ik haar dan toch één keer gemeenschappelijk bezit mag noemen – zal in leven blijven door zichzelf voortdurend te vernieuwen en voorwaarden te scheppen waarin nieuwe schrijvers een publiek kunnen bereiken, zowel in Nederland als in Vlaanderen. Dit veronderstelt een sterke literaire cultuur in Vlaanderen en in Nederland, elk met eigen bladen, critici, prijzen, uitgeverijen en een eigen letterenbeleid. Hopelijk zal daardoor in onze relatie de verlichte zakelijkheid zegevieren: samenwerking en geen integratie, pragmatiek en geen ideologie.

Harold Polis

(Dit stuk verscheen in 2006 in het tijdschrift Boekman, nr.67.)

Brief aan Pascal Chabot

Beste Pascal Chabot , Met veel plezier heb ik uw nieuwe boek Avoir le temps. Essai de chronosophie (Puf) gelezen. Ik raad het iedereen aa...