vrijdag 31 oktober 2008

'Het literatuurloze universum' wint de CELT-prijs

Furl this page
De prijs voor het beste Vlaamse tijdschriftartikel van 2008 gaat naar 'Het literatuurloze universum', een tekst die ik dit jaar heb geschreven voor het tijdschrift Deux ex Machina.

Deze zeer eerbiedwaardige prijskamp wordt georganiseerd door het weekblad Knack en CeLT vzw, de vereniging van de Culturele en Literaire Tijdschriften uit Vlaanderen.

'Het literatuurloze universum' verschijnt in Boek 08 van Knack. Op vrijdag 7 november, tijdens de Knack-dag op de Boekenbeurs, wordt de prijs 'uitgereikt'.

Dit heuglijke nieuws zorgt alleszins voor dat ik voor het eerst op deze blog een bericht durf te posten dat uitdrukkelijk in de ik-persoon is geschreven, en niet als klassieke, autonome tekst is opgevat. Ik ben er de jury zeer dankbaar voor dat ze me geholpen hebben mijn schroom te overwinnen. Maar goed, omdat ik me morgen niet minder blauw zal ergeren aan het egotistische gezwets van web 2.0-gebruikers, zal ik die ik-persoon met mate blijven gebruiken.

Mijn grote dank ook aan Kris Lauwerys, redacteur van Deus ex Machina, aan wie ik exact een jaar geleden voorstelde om een tekst te schrijven op basis van een lezing van me over digitalisering en literatuur. Tot mijn grote verbazing zei Kris ja. De opdracht voor die lezing heb ik dan weer te danken aan Koen Broucke, de organisator van de Nottebohmlezingen in de Antwerpse Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience. En zeer zeker gaat mijn grote dank ook uit naar Bart van Loo die de lezing bijwoonde en me er achteraf van overtuigde de tekst voor te leggen aan zijn goede vriend Kris Lauwerys.

Het bewerken van die ene lezing is toen gruwelijk uit de hand gelopen. Enkele maanden lang heb ik capita selecta uit de immense bibliotheek over digitalisering bestudeerd, alle mogelijke blogs en sites bezocht, talloze boeken gekocht etc. Om die nuttige bijscholing af te ronden, heb ik toen besloten te doen wat ik, als analoge angsthaas, tot dan had geweigerd: een blog maken, Motoronderhoud genaamd.

Ik had het niet voor mogelijk gehouden dat er in de loop van dat ene jaar zoveel zou veranderen in de analoge boekenwereld. En toch is het zover: niemand trekt nog in twijfel dat er een markt zal ontstaan voor innovatieve producten als e-books en de bijhorende e-readers. Ook niet in het boekenvak, bij de mensen die het papier vuil maken. Die revolutie zet alles op losse schroeven; van auteur tot boekverkoper, iedereen zal zich een nieuwe rol moeten toeëigenen (en dat is het juiste werkwoord, want vanzelf zal het niet gaan). Het boek zal niet het kind van de rekening worden als we erin slagen ons gebrek aan kennis over web 2.0 weg te werken. Digitale angst, intellectueel nihilisme en gecultiveerde domheid hebben geen enkele zin meer. We gaan zeer boeiende en turbulente tijden tegemoet.

woensdag 29 oktober 2008

Vroeger las het beter (aflevering 1)


Op een of andere occulte manier heb ik in de loop der jaren heel wat afleveringen van HET BOEK IN VLAANDEREN verzameld. Vooral de vroege afleveringen lonen de moeite. Tot in de jaren dertig stonden de leden van de Vereeniging van Letterkundigen met hun adres in dat fameuze jaarboek. Kon je meteen je beklag doen als die roman was tegengevallen. Maar vele malen vreemder is het aantal nieuwe Nederlandstalige boeken dat toen door de leden van de VBVB (de voorloper van boek.be) werd aangeboden. Schrikbarend weinig. Fondslijsten leken eeuwig mee te gaan. Ah, dat waren pas tijden! Of toch net niet. De keuze was zo arm dat je spontaan een andere taal zou willen lezen.

Dat alles speelde zich niet af bij de oude Grieken, maar zeer dichtbij. Toen ik vorige week in een Brusselse file stond, viel me een van die vreselijke, dichtgemetselde stadskankers op. 'Gudrun' stond er op wat ooit het uithangbord was geweest.

Vanavond lees ik op p.53 van HET BOEK IN VLAANDEREN 1932 reclame voor de, uiteraard, zeer katholieke en zeer Vlaamsgezinde boek- en muziekhandel Gudrun, aan de Jacqmainlaan 98-100. Die Jacqmainlaan was tijdens een groot deel van de twintigste eeuw het zenuwcentrum van de Belgische pers (lees hierover 'De Standaard. Het levensverhaal van een Vlaamse krant' van Gaston Durnez).

Ga er maar eens kijken, aan de Jacqmainlain 98-100. Als je heel stil bent, hoor je onder het plaveisel de Zenne borrelen. En met wat verbeelding zie je een etalage met het driedelige Christusuren van Teophilus, geïllustreerd door de toen onvermijdelijke Joz. Leonard (prachtuitgave 50 frank).

...en als bij wonder heb ik het bewuste gebouw teruggevonden via flickr. De foto is van Frank Dhooghe.Add to Technorati Favorites

woensdag 22 oktober 2008

Hoe de OPEC de toekomst van de literatuur bepaalt


(Wenen, 10 juli 2008: persconferentie van Abdallah Salem el-Badri, de huidige voorzitter van de OPEC en wie weet de toekomstige sterke man van Boek.be, De Standaard der Letteren, De Morgen Uitgelezen, Knack en Het vrije Waasland.)


Echte literatuurliefhebbers komen met de wagen en geven vet gas. De onvolprezen Thomas L. Friedman beschrijft in The New York Times van dinsdag hoe de Amerikanen de afgelopen maanden hebben gereageerd op de exploderende benzineprijs. Ze bleven vaker thuis, gebruikten meer openbaar vervoer en kochten kleinere wagens. De prijs van de benzine is echter onder de 3 dollar gezakt (per gallon, niet per liter). Friedman houdt zijn hart vast voor wat komen gaat: Amerikanen die en masse weer hun SUV van stal halen om naar het koopcentrum of de bakker te scheuren. Echt vreemd is dat uiteraard niet. De Amerikaanse bakker ligt meestal niet om de hoek. Dus ja, de tegenvallende verkoop van om het even welke dienst of product heeft in Amerika geen klein beetje te maken met wat er aan de pomp gebeurt. De huidige voorzitter van de OPEC, de Lybiër Abdallah Salem el-Badri, heeft meer invloed op de verkoopcijfers van het Amerikaanse boekenvak dan twintig recensies in The New York Times.

Dat was Pierre Assouline ook al opgevallen. Die neemt op zijn blog een bericht van de Amerikaanse selfpublisher Morris Rosenthal over: Amazon zou voor het eerst in zijn geschiedenis een grotere jaaromzet hebben gehaald dan Barnes & Noble. Omdat Assouline allerminst een kwaaie vent is, geeft hij het bericht sec weer. Het vloeken laat hij over aan anderen. Rosenthal vertelt op zijn blog omstandig over het negatieve effect van de olieprijs op de boekenverkoop. Alweer Kaddhafi! Nog even en Jean-Marie Dedecker kan weer een complot ontmaskeren.

Assouline, Friedman en Rosenthal grijpen terug naar een voorspelling die je de afgelopen maanden wel vaker leest: een recessie zal het belang van het internet nog doen toenemen. Hoe minder transport- en stockagekosten, hoe beter. De verschuiving van 'print and warehouse' naar 'data warehousing and print' komt op die manier weer een stap dichter. Tot dan is het heerlijk toeven aan de pomp.

Up yours too, Michel Houellebecq!


(Hier links Houellebecq op 9 juni in Warshau. Vrijdagavond 10 oktober bij Café littéraire droeg hij dezelfde jas.)

Vrijdagavond 10 oktober geen seconde gemist van Café littéraire, het nieuwe literatuurprogramma op France2. Daniel Picouly is uiteraard een onovertroffen slijmbal die zijn gasten ophemelt tot ze spontaan beginnen te leviteren. Maar hij behandelt de kijker niet als een onnozelaar. Dat is vandaag al heel veel, Walter Grootaers. Bovendien spreekt Picouly zeer aangenaam Frans, wat altijd te verkiezen is boven beschaafd Liers. Die Picouly had midden oktober Michel Houellebecq en Bernard-Henri Levy in de uitzending. Beide mannen hebben samen een boek geschreven, Ennemis publics, waarin ze elkaars leven en werk ontleden. Een onwaarschijnlijke combinatie die twee, de afgelikte nouveau philosophe versus de cassandra van de middenklasse.

Ik heb het boek besteld en dus nog niet gelezen, maar ik ben zeer nieuwsgierig of de ijdeltuiterij van Levy en Houellebecq op papier werkt. Ondanks zijn inzet voor de honger in Afrika en andere wereldrampen is Levy allesbehalve een aangenaam mens. Zo'n type dat met geheven vinger roept dat het gaat regenen wanneer de druppels al vallen. Hij is best tot rake inzichten in staat (zoals zijn dissectie van druilerig links in Ce grand cadavre à la renverse), maar kan de eigenwaan niet laten. En Houellebecq, tja, die is vooral zichzelf. Met andere woorden, je verstaat hem amper. Walter Grootaers had zeker geroepen: 'Staat de micro niet aan, Michelleke?' In Frankrijk valt men de goden van de Parnassus echter niet lastig.

Of net wel? Levy en Houellebecq gingen maar door over de aanvallen op hun integriteit. 'Het probleem tegenwoordig', zei Houellebecq, 'is dat de mensen zo onbeschoft zijn.' Levy was één en al begrip en hekelde het boek dat de moeder van Houellebecq, Lucie Ceccaldi. over haar zoon had geschreven. Ceccaldi, die haar zoon consequent 'rejeton' noemt en niet 'fils'. Als zeer vermogend beheerder van venootschappen is Levy ook niet altijd vrij van kritiek gebleven. En toen het over de rechtszaken ging die Houellebecq wou aanspannen, riep Levy plots uit dat ze het duel weer moesten invoeren. Dat was tenminste nog een gezonde manier om een conflict te beslissen. Geen gedoe of tijdverlies. Gewoon het musket vastnemen en pang. Michel fluisterde haast onhoorbaar dat hij de rechtbank verkoos.

Eerder dit jaar overigens organiseerde uitgever Luc Pire op de Foire du Livre in Brussel een gevecht in regel met Thomas Gunzig. Auteursrechten vormden toen de inzet van het handgemeen. Het duel in het boekenvan is dus bezig aan een comeback. Gelukkig ontsnap ik de dans, want ik mag als ex-gewetensbezwaarde levenslang geen wapens dragen.

maandag 6 oktober 2008

Over de toekomst van het tijdschrift

Dromen van papier

Alles gaat digitaal. Daarover valt niet te redetwisten. En wat dan nog? Tien jaar geleden hebben we die discussie al eens gevoerd. Toen konden we schouderophalend doen alsof de literaire cultuur aan de digitale revolutie zou ontsnappen. De hyperventilerende nieuwlichterij in tijdschriften als Wired en bij schrijvers als Douglas Coupland vormde hoogstens een prachtig vormgegeven gimmick. De autistische wereld van de schermslaven van Microsoft die Coupland beschreef in zijn klassieke roman Microserfs is vandaag echter de universele norm geworden. En de literaire cultuur zelf zit verkeert in zwaar weer. Al was het maar omdat er steeds meer mensen opgroeien voor wie de papieren cultuur volslagen irrelevant is. Bovendien slagen we er niet voldoende in om onze literaire en culturele traditie opnieuw uit te vinden. In die omwenteling worden alle gedrukte media meegesleurd, ook de literaire en culturele tijdschriften.
Poëziemagazines zoals het Australische Jacket magazine bestaan uitsluitend online. Van de ruim driehonderd Engelse poëzietijdschriften is er een tachtigtal dat geen papier meer gebruikt. Poëzie is productneutraal en heeft het bij elke technologische overgang gered, van het papyrus tot de e-inkt. En nu in elk taalgebied het afscheid van de oude boekencultuur wordt voorbereid, staat de digitale versie van de poëzie klaar om tegemoet te komen aan de wensen van de lezer. Het circuit van poëzietijdschriften heeft nooit een enorme omvang gehad, maar sinds de poortwachters van de papieren poëziebastions in ijltempo hun macht verliezen, explodeert de beschikbare hoeveelheid poëzie. Rond 2000 schreven meer dan een miljoen Nederlanders regelmatig een gedicht. Om zich werkelijk schrijver te kunnen noemen, hadden ze vroeger het imprimatur nodig van een lezer, redacteur of een uitgever die met symbolische literaire macht bekleed was. Die toverspreuk is niet meer nodig. Iedereen pleurt zijn teksten in massale hoeveelheden op het internet of bestelt een aantal kopieën via een printing on demand-aanbieder. Een ISBN-nummer is gratis. De stap naar het schrijverschap heeft niets meer om het lijf. Slechts een fractie van die teksten komt in de boekhandel te liggen en krijgt aandacht in de reguliere media. Niet eerder in de geschiedenis hebben we zo ontzettend veel gedichten kunnen publiceren – wat niet betekent dat al die teksten ook worden gelezen. De gedachte alleen al dat het klassieke tijdschrift in die omstandigheden nog nodig zou zijn, lijkt elke verbeelding te tarten. Waarom zou het begeleiden van debutanten, het publiceren van waardevolle teksten, of het legitimeren van schrijvers en opinies beperkt blijven tot slecht verdeelde papieren tijdschriften met een minuscuul lezersbereik en een prehistorische publicatiefrequentie? Uiteraard biedt de literatuurgeschiedenis ronkende tegenvoorbeelden. In een historische poging om het grote publiek te bereiken bracht het Nieuw Wereldtijdschrift literatuur in magazinevorm. Die cruciale NWT-jaren (1984-1997) waren bijzonder invloedrijk, maar leverden ook het bewijs dat een als magazine vermomd literair tijdschrift het gewoon niet haalt. Het grote publiek negeerde het nicheblad NWT, ook omdat alle reguliere printmedia in die periode definitief ontzuilden en zich als magazines begonnen te gedragen: lange reportages, artistieke zwartwitfotografie, columns, diepte-interviews (met schrijvers), baljurken, champagne en esthetisch verpakte ellende. Vandaag is de aanwezigheid van literatuur, essay en kritiek in kranten en tijdschriften echter zo efemeer geworden, dat het belang van gedrukte en online nichebladen toeneemt.
In de gangbare theorie over de implosie van de gedrukte media zou het poëzietijdschrift er beter voor staan dan de generalistische krant. Het zijn de kranten die ten dode opgeschreven staan, niet de nichebladen. In 1961 kon wijlen Arthur Miller nog beweren dat ‘a good newspaper, I suppose, is a nation talking to itself’. Het is een uitspraak die thuishoort in het museum. Wereldwijd bezitten de reguliere media niet meer het monopolie op de gedeelde ervaring, de humanistische uitwisseling van ideeën of de vorming van het collectieve geheugen. Bovendien daalde tussen 1990 en 2004 het aantal werknemers in de Amerikaanse krantenindustrie met 19%. Het percentage is ontleend aan The vanishing newspaper, een uitmuntend helder boek waarin Philip Meyer de reeds geterroriseerde printindustrie nog meer nachtmerries bezorgde. Meyer voorspelt dat de laatste krant in het eerste kwartaal van 2043 in de bus valt.
Voor Europese landen zijn er geen vergelijkbare cijfers voorhanden – en misschien is dat maar beter. Al wie de laatste drie decennia mediageschiedenis enigszins kent, herinnert zich de accumulatie van bloedbaden bij stopzettingen, fusies en een eindeloze reeks herstructureringen. In Vlaanderen vormen de CIM-cijfers (persmetingen van het Centrum voor Informatie over de Media) van Gazet van Antwerpen een ideale barometer: die dalen al ontelbare jaren op rij. Het afremmen van het lezersverlies is vaak de enige zinvolle optie. Onderzoek naar lezersprofielen van Nederlandse kwaliteitskranten brengen dan weer steevast aan het licht dat de abonnees ouder worden en eenvoudigweg doodgaan, wat weinig opbeurend nieuws is in een markt die vooral draait op abonnementen. In België daarentegen is de losse verkoop koning en kunnen lezers via krantenwinkels geprikkeld worden met schelpen, kralen en talloze bonnenacties.
Het succes van de krant als kermiskraam verhult echter de fundamentele malaise van de gedrukte media. Mediawatcher Eric Alterman citeert in een recent essay in The New Yorker Bill Keller, de executive editor van The New York Times: ‘At places where editors and publishers gather, the mood these days is funereal. Editors ask one another, “How are you?,” in that sober tone one employs with friends who have just emerged from rehab or a messy divorce.’ En dat terwijl Kellers The New York Times als een van de meest dynamische kwaliteitskranten de moed heeft getoond om online volledig gratis te worden, in een poging om lezers, pageviews en advertentiedollars te vrijwaren. The New York Times is het bezit van een beursgenoteerd uitgeversbedrijf dat aandeelhouderswaarde tracht te creëren en dus niet uit idealisme handelt. En toch staat hier geen fout: de onlinekrant is al enkele maanden volledig gratis.

Als The New York Times, nota bene een commercieel product, gratis is, waarom zou je dan betalen voor een poëzietijdschrift? En waarom geeft Streven zichzelf niet voor nop weg? Literaire en culturele tijdschriften benaderen de kosteloosheid, maar zitten in een unieke positie: hun bestaan is niet verbonden aan reclame. Als je de werkelijke kostprijs per exemplaar zou berekenen, dan is zo’n tijdschrift eenvoudigweg onbetaalbaar duur. Daarom krijgen de bladen relatief veel geld toegestopt door de gemeenschap. En kunnen ze uitsluitend overleven door het onvermijdelijke liefdewerk. Dat zal nooit anders zijn. Discussies over het geringe bereik van gedrukte tijdschriften zijn puur tijdverlies en voeden zelden meer dan de eigenwaan of het cultuurpessimisme van de vraagsteller. De meest recente opflakkering van dit gejeremieer vond plaats in Nederland nadat NRC Handelsblad op 15 februari een oproep lanceerde om de vaderlandse literaire tijdschriften te saneren: hun bereik is zo gering geworden dat ze zich beter zouden hergroeperen. Niet zozeer die volstrekt legitieme vaststelling roept vragen op, als wel de discussie die losbarstte. In het Cultureel Supplement werden reacties van De Revisor, De Gids en Bunker Bill geplaatst op het stuk van journalist Karel Berkhout. Veel boosheid en minachting vloeide weg naar blogs en discussiefora. Maar de digitale omwenteling zelf kwam slechts zeer terloops aan bod. Er is geen beter voorbeeld te vinden van wat Geert Joris, algemeen directeur van Boek.be, ‘Glaubensunwilligkeit’ noemt: de onwil om te geloven in de onvermijdelijke komst van het digitale boek en van de digitale leescultuur. Hopelijk gaat het ook echt om onwil, en niet om een uiting van reactionair fetisjisme, een tekort aan ondernemingszin of een gebrek aan kennis. In die drie laatste gevallen zou de literaire cultuur zichzelf immers veroordelen tot de volstrekte marginaliteit. Onwil kun je daarentegen nog corrigeren. Soms.
Web 2.0 beheerst ons leven, maar tijdschriften en magazines lijken de dans te ontspringen: ze houden hun lezers bij, zijn beter bestand tegen de erosie van de advertentiemarkt en moeten dus minder compromissen sluiten om te overleven. Er zijn tal van sterk uiteenlopende verklaringen voor dit fenomeen, maar de eerder aangehaalde Philip Meyer wijst op het succes van specialisatie. Hoe beter je je doelgroep kunt omschrijven en hoe trouwer je magazine de redactionele missie uitvoert, des te groter is de kans dat je ook mensen vindt die er geld voor willen geven. Vaak wordt daaraan toegevoegd dat magazines ook beter kunnen inspelen op het verlangen van lezers naar een object. Magazines worden vormgegeven, ontworpen en dies meer. Kranten daarentegen zijn niet meer dan met inkt besprenkeld dood hout – ondanks of eerder dankzij het feit dat de krantenvormgeving lijdt aan permanente revolutie. In het slechtste geval heb je een volstrekt zinloos tijdschrift dat uitsluitend achterhaalde teksten bundelt. In het beste geval klopt die redenering volledig, zoals bij het ronduit fantastische Monocle. Dat magazine werd in februari 2007 opgericht door de legendarische bladenmaker Tyler Brûlé, die eerder het qua stijl al even richtinggevende blad Wallpaper had gemaakt. Monocle, dat eerder op een boek dan op een tijdschrift lijkt, omschrijft zichzelf als ‘a comprehensive global briefing under a single editorial brand’.
Monocle draait dus op het oude verhaal van de grootste talenten uit de universele eredivisie van de journalistiek die samenkomen om kunstjes uit te voeren. Overal in de westerse wereld wordt er nog volop geld geïnvesteerd in zulke vehikels. Papierfetisjisme is echter een afwijking met een versheiddatum. Vooraleer de haan drie keer heeft gekraaid zullen de meeste lezers hun leesvoorkeuren loskoppelen van het klassieke gedrukte object, het boek of het tijdschrift. De Amerikaanse publicist Jeff Gomez beschrijft in het essentiële Print is dead. Books in our digital age hoe razendsnel die dematerialisering zal gaan. Zodra er een valabele, aantrekkelijke en betaalbare e-bookreader wordt aangeboden, zal het verzamelde westerse consumentendom meteen zo’n exemplaar willen. Of zijn we allen vergeten hoe razendsnel iedereen een iPod had? Vandaag heb je al redelijk luxueuze toestellen, zoals de iLiadreader of de Kindle. En het aanbod e-books neemt fors toe. Misschien speelt het ontbreken van een universeel format de dematerialisering van het boek nog wat parten, maar veel meer dan een uitstel van executie is het niet. Digitaal lezen is in technisch opzicht een koud kunstje. Schermslaven doen nu al niets anders. En bovendien denkt er niemand meer dat Rome en Frankfurt zullen verpulveren als straf voor de dematerialisering van de literatuur. In het aprilnummer van Lire geeft schrijver Frédéric Beigbeder schoorvoetend toe dat het elektronische boek geen fictie meer is: ‘Honnêtement je n'arrive encore pas à décider si ce sera le sommet du ridicule, ou un luxe extraordinaire, ou la fin du monde.’

Uiteraard is die ommezwaai onze cultuur fundamenteel aan het veranderen. In het intussen beruchte rapport To read or not to read van de National Endowment for the Arts wordt met harde feiten aangetoond dat de digitalisering wel degelijk tot ontlezing leidt. De hedendaagse lezers, en vooral de exemplaren die na de val van de Muur zijn geboren, bewegen zich als digitale inboorlingen die hun weg moeten zoeken in de chaos. Het internet is een onintelligent geordende puinhoop waar niemand op dezelfde manier zoekt en vindt. Die ontastbare onduidelijkheid heeft het voordeel dat mensen verplicht worden om zelf op pad te gaan. Het nadeel is dan weer het verdwijnen van ijkpunten, richtingaanwijzers en vaste waarden. De kans is veeleer gering dat zo’n jeugdige digitale inboorling de papieren bibliotheek als startpunt neemt van een zoektocht naar literaire verwantschappen en publicatiemogelijkheden – wat overigens geldt voor alle vormen van ontspanning, entertainment of kennisoverdracht. Bovendien is de digitale inboorling geen eenduidige lezer of consument, maar een prosumer, iemand die tegelijkertijd consumeert en produceert, leest en meeschrijft. Wellicht is dat het belangrijkste inhoudelijke gevolg van de digitale revolutie die zich onder onze ogen voltrekt.
In The New York Times vertelde professionele blogster Emily Gould onlangs het relaas van haar heftige en korte blogcarrière die tot nationale bekendheid leidde. Op het moment dat ze bezweek onder de immense druk die haar rol met zich meebracht, kreeg ze dagelijks honderden antwoordmails en geposte commentaarstukken. Memorabel is de manier waarop Gould haar werkmethode reconstrueert: een virtueel gesprek met duizenden mensen die meedenken, tips geven, kritische commentaar leveren. Gould heeft met andere woorden in haar eentje het klassieke redactiewerk heruitgevonden. Dat eindeloze gesprek is het begin en het einde van elke succesvolle redactie. Het maken van inhoudelijke keuzes en het onder woorden brengen van de argumenten die tot keuzes hebben geleid: ook in een papierloos universum zal dat de kern van de zaak blijven.
Tot voor kort werkten gedrukte media in een gesloten circuit waarvan de output altijd een object was dat te koop werd aangeboden. Alle stadia in het redactie- en productieproces vonden als het ware achter gesloten deuren plaats. Dat was de ultieme fase van de omwenteling die Gutenberg teweeg had gebracht: de rimpelloze orde. Zetters voelden zich niet geroepen om een editoriaal te herschrijven. Net zomin als lezers de macht hadden om te bepalen welk nieuws er werd gebracht. En de schrijvers, die zaten ergens te schuilen op een veilige plek in de bedrijfskolom. Vandaag is die orde een steeds vager wordende toestand. Wereldwijd lopen de inkomsten van gedrukte media terug. Alle uitgevers zijn, de ene al wat wanhopiger dan de andere, op zoek naar een manier om het verloren marktaandeel terug te winnen, liefst op een manier die ook geld opbrengt. Dat valt echter vies tegen. Dit belooft voor het moment dat de digitale omwenteling de boekenwereld definitief verandert.
Uiteraard is het duidelijk wat wel werkt: de prosumer plezieren en zijn impulsen gebruiken om het publieksbereik te vergroten. Dat is bijvoorbeeld gebeurd bij de meesterlijk gevoerde marketing rond de Harry Potter-boeken, waarbij orthodoxe fans op tal van manieren werden gesteund bij het belijden van hun Pottergeloof. Een ander voorbeeld zijn de tijdschriften en kranten voor de massamarkt; die zijn verworden tot cadeaupakketten. In combinatie met die weggeefdrift hebben printuitgevers sites en communities gebouwd waar lezers voortdurend bij de les worden gehouden. Want de lezer is extreem ontrouw geworden. En bovendien verwacht hij in toenemende mate dat informatie gratis beschikbaar is.
In het tweede deel van de jaren negentig heeft de muziekindustrie slagzij gemaakt, en nog steeds zitten de muziekuitgevers, die voormalige kolossen met universele geldingsdrang, in het nauw. Hun industrie is eenvoudigweg geïmplodeerd. De neergang begon vanaf het moment dat muziekopnames niet meer noodzakelijk op een fysieke drager hoefde te staan. Niemand had voorzien dat downloaden zo snel zo’n universeel succes zou worden. Voor de digitale inboorling is het idee dat iemand geld zou geven in ruil voor een schijfje met enkele liedjes volslagen idioot. Het is alsof je iemand die gewend is te fotograferen met zijn gsm zou verplichten om een daguerreotype te maken.
Wat kan een cultureel maatschappelijk maandblad als Streven daar tegenin brengen? Een redactie, inhoudelijke keuzes, kritische zin en een ouderwets traag publicatieritme, zodat er teksten en onderwerpen aan bod komen die geen plek meer krijgen in de reguliere media. Iedereen moet zich de culturele metamorfose van het begin van de eenentwintigste eeuw eigen maken. Hoe sneller, hoe beter. Die opdracht geldt eigenlijk nog intenser voor een blad dat niet extreem te lijden heeft onder de commerciële druk die zo’n paradigmawissel veroorzaakt: gebruik de technologische innovatie ten goede. De andere optie is de vergetelheid. Het grote niets wenkt voor alles en iedereen die niet digitaal zal bestaan. Uiteraard lijdt die verlatingsangst soms tot imbeciele acties, zoals uitgeverij Penguin die experimenteert met interactieve fictie. Auteurs sturen korte verhalen rond via Google Earth, blogs en… Twitterberichten. Maar het zet de zaken op scherp. Als je vindt dat de oude (literaire) cultuur in de marge thuishoort, ga dan vooral niet online.
In 1938 van de vorige eeuw schreef de romantische reiziger Arthur van Schendel in De wereld een dansfeest dat het leven een ritmisch probleem is. Die echo van Henri Bergson, voor wie ‘le mouvement est la réalité même’, klinkt vandaag zwakker, omdat onze beschaving ouder en melancholischer is geworden; het venster op de wereld biedt voor ons al te vaak een blik op wat we achter ons hebben gelaten. Maar dat is gezichtsbedrog. Alles moet opnieuw, dus ook het kantiaanse verstandshuwelijk tussen mechanisme en vitalisme, tussen mens en techniek. Het nadenken over die omwenteling en de gevolgen ervan voor cultuur, samenleving en economie moet nog meer dan vroeger ook gebeuren op plekken waar er een redactionele dynamiek bestaat en kritische distantie wordt nagestreefd. Laat het leven dan maar, veel meer dan vroeger, een communicatief probleem zijn, met een heterogener en virtueler publiek. Een tijdschrift als Streven kan daar alleen maar zijn voordeel mee halen.

Harold Polis

Bronnen

Eric Alterman, ‘Out of Print. The death and life of the American newspaper’, The New Yorker, 31 maart 2008.
Frédéric Beigbeder ‘Le livre est mort, vive le livre?’, http://www.lire.fr/chronique.asp/idR=142/idTC=11/idC=52222
Karel Berkhout, ‘Oprollen die bende’, in NRC Handelsblad, 15 februari 2008 (http://www.nrc.nl/kunst/article937127.ece/Oprollen_die_bende).
Jeff Gomez, Print is dead. Books in our digital age, Hampshire, 2007.
Emily Gould, ‘Exposed. What I gained – and lost – by writing about my intimate life online’, The New York Times Magazine, 25 mei 2008.
Philip Meyer, The Vanishing Newspaper. Saving Journalism In The Information Age, Missouri, 2004.
Het rapport ‘To Read or Not to Read’ kun je downloaden op http://www.nea.gov/research/toread.pdf
De referaten van de studiedag Uitgeverij, boekhandel en bibliotheek in de digitale wereld: partners of opponenten? kun je downloaden op http://www.boek.be/Nederlands/Home/boekbe/page.aspx/1062
http://jacketmagazine.com/00/home.shtml
http://www.poetrylibrary.org.uk/magazines/
www.monocle.com
www.wetellstories.co.uk
http://www.wolfmagazine.co.uk/

(Dit stuk verscheen eerder in het jubileumnummer van Streven, oktober 2008.)

maandag 15 september 2008

De macht van het getal

(Het wafelijzer: een instrument dat de Belgische politiek heel wat diensten heeft bewezen.)



Over Greep naar de markt van Olivier Boehme

Ook de afgelopen maanden, tijdens de meest afgrondelijke dieptepunten van de crisis die de Belgische federatie in haar greep houdt, ratelden de rekenmachines ononophoudelijk. Het is een van de vermogens die de mens blijkbaar het laatste verliest, nadat alle andere vormen van redelijkheid verdwenen zijn: het vermogen om te rekenen. En dus is iedereen van het laagste tot het hoogste bestuursniveau druk aan het calculeren geslagen. Ook tal van belangengroepen, denktanken en studiekringen hieven samen dit meerstemmige lied van het grootst mogelijke voordeel aan. Je pleegt geen karaktermoord op de moderne mens als je stelt dat de tijden nu eenmaal geen ruimte laten voor een overschot aan solidariteit en belangeloosheid. In het beste geval, zoals vele onderzoeken naar betrokkenheid in gezinsverband uitwijzen, is ons engagement van intentie veranderd. We helpen niet meer omdat het moet, maar omdat we willen. In het slechtste geval kiezen we voor een overspannen utilitaire aanpak, waarbij het moreel goede eenvoudigweg de maximalisatie van het geluk betekent of het optellen van de morele kwaliteit van de gevolgen. Die calculus speelt ook in elk communautair debat een rol.
Toen in mei jongstleden een rondvraag bij Vlaamse huisartsen aan het licht bracht dat een belangrijke minderheid van hen rokers uit de sociale zekerheid wil weren, werden dezelfde argumenten gehanteerd die het communautaire debat over gezondheidszorg ondoorzichtig maken. Een bij voorkeur lineaire kostenbesparing vormt daarbij het belangrijkste criterium. De suggestie luidt dan dat het wegknippen van Wallonië en Brussel geld spaart, wat de facto goed is voor de Vlaming. (In zowat alle andere communautaire debatten wordt dezelfde denkfout tot ideologie verheven: post hoc ergo propter hoc.) Los van het feit dat interregionale en interstedelijke verschillen niet zelden even significant zijn als de verschillen tussen de gemeenschappen, blijft het overduidelijk dat het werkelijke probleem in de gezondheidszorg structureel, maatschappelijk en bijgevolg ethisch is.
Sinds enkele jaren zit de publieke besteding in de federale ziekteverzekering in een groeipad van 4,5% boven op de inflatie. Maar de besparingskoorts plaagt de gezondheidszorg al veel langer. ‘Gezondheidszorgbeleid is begrotingsbeleid geworden’, schrijft professor Marc De Vos. De Belgische patiënt betaalt nu al ruim 30% van de gezondheidszorg zelf, via het remgeld en de aanvullende verzekering. Te pas en te onpas wordt er geschermd met angstaanjagende buitenlandse voorbeelden (Amerika! Nederland!) van geprivatiseerde sociale zekerheid die onvermogende burgers overlaten aan willekeur en filantropie. Of die voorbeelden wel zo angstaanjagend zijn is maar de vraag. Na de opgave van Hillary Clinton als presidentskandidaat schreef Paul Krugman in The New York Times (9 juni 2008) dat eigenlijk geen enkele Amerikaan tegen sociale zekerheid is. Bovendien heeft een aantal hervormingen, zoals de als bot ervaren welfare reform waarmee voormalig president Bill Clinton het programma Aid to Families With Dependent Children schrapte, het politieke debat gezuiverd van discriminerende tendensen. ‘Klaplopers die op kosten van de gemeenschap leven’ zijn een gedroomd thema voor populisten van diverse pluimage. Om hen de wind uit de zeilen te nemen, moet je dus niet het symptoom maar de oorzaak aanpakken.
Omgezet naar de Belgische situatie kan dit bijvoorbeeld betekenen dat het geen zin heeft om vast te houden aan de mythe van een gratis universele gezondheidszorg; die mythe is onhoudbaar, strookt niet met de praktijk en bevordert de calculus waarbij vermeende valspelers (‘Walen in ziekenkas’, ‘Marokkanen met twaalf kinderen’) de zwarte piet krijgen. Achter het mistgordijn van de zogezegde universele gezondheidszorg laten we nu al legale selectiemethodes toe die ongehinderd harder worden. Probeer als hartpatiënt maar eens een hospitalisatieverzekering te krijgen. De onvermijdelijke hervorming van onze sociale zekerheid zal alleen maar kans op slagen hebben in de mate dat de private sector en de overheid een integraal beleid voeren. Wie dit debat reduceert tot de communautaire dimensie bezondigt zich aan volksverlakkerij. Het is bovendien misdadig om mensen wijs te maken dat de Vlaamse Gemeenschap dankzij de splitsing van België voldoende financiële ademruimte zou creëren om de gevolgen van de vergrijzing op te vangen.
De recentste bevolkingsvooruitzichten (2007-2060) van het Federaal Planbureau geven geen aanleiding tot uitbundigheid. De projectie van het planbureau toont dat Vlaanderen (en in mindere mate Wallonië) op termijn uitsterft. Het door Vlaanderen doodgezwegen en verguisde Brussel is de enige regio waar de geboortecoëfficiënt het vervangingspercentage van 2,1 kinderen per vrouw (licht) overstijgt – dankzij de migratie. Tussen 2000 en 2060 zou de Belgische bevolking ouder dan tachtig met bijna een miljoen toenemen. Overigens neemt ook de gemiddelde leeftijd nog steeds toe; in 2030 bedraagt die 81,17 jaar voor een Belgische man en 87,03 jaar voor een Belgische vrouw. Wie, in hemelsnaam, zal al die pensioenen betalen, zal al die rusthuisbedden verschonen en zal al die zwaarbehoeftige oudere ouderen verzorgen? De hoeveelheid geld en energie die nodig is om dit te bolwerken laat zich moeilijk becijferen. Slechts één optie rest ons: een combinatie van uitbundige procreatie, gekozen migratie, economische groei en sloterdijkiaans enthousiasme. Het is de Duitse filosoof Peter Sloterdijk, op late leeftijd vader geworden, die in zijn trilogie Sferen immers een langgerekt pleidooi houdt contra de melancholische behoudsgezindheid en pro vitalistische levensvreugde. En waarom niet. De kans is eerder gering dat we in onze regio een bevolkingsoverschot moeten vrezen.

Die demografische component had in het recente verleden een radicaal andere betekenis. Tijdens de moeilijke passages van de negentiende-eeuwse industrialisering, vooral na 1850, trokken grote groepen Vlaamse volwassenen naar Wallonië op zoek naar werk. Bovendien zochten tot 1914 ruim 300.000 Belgen hun heil in Frankrijk. Voorwaar niet uit luxe. Het emancipatorische ideaal van de burgerlijke Vlaamse beweging wordt gevvindt een oorsprong in de wens om aan die ellendige feiten te ontsnappen: sociale promotie door een betere kennis van de (volks)taal. Uiteraard is er de liefde tot de taal en al het schoons dat die liefde teweeg heeft gebracht, maar er waren dus ook Vlaamsgezinden die aan het rekenen sloegen. Of beter: die wilden rekenen. In Vlaamsgezinde kringen was eind negentiende eeuw geen discours ontwikkeld voor economische thema’s. De nadruk lag op taal, schone letteren en onderwijs, dingen die niet meteen veel brood op de plank brengen. In Greep naar de markt schetst historicus Olivier Boehme hoe de Vlaamsgezinde intellectuelen de wetenschap inschakelden om hun zaak vooruit te helpen. Het is een even overrompelend als moedig boek.
De waanzinnige Eerste Wereldoorlog is het motorische moment van de Vlaamse Beweging. Boehme reconstrueert die sociaaleconomische omwenteling als een ideeënstrijd van een voorhoede. Na de relatief brave negentiende-eeuwse taalminnaars is het de beurt aan mannen die voluit de macht willen herverkavelen. De erfenis van Lodewijk de Raedt speelt hierin een cruciale rol. De Raedt is een van de eersten om de Vlaamse Beweging te voorzien van een economische verantwoording. Bovendien, zo stelt Boehme bij herhaling, is De Raedt de eerste die de Vlaamse economie uit het luchtledige plukt en territoriaal bepaalt. De economische noden liggen in Vlaanderen anders dan in Wallonië. Zover stonden we begin deze eeuw dus ook al. De Raedt definieert in zijn systematisch opgebouwd economisch flamingantisme een eentalige monoculturele ruimte waarin Vlaamse cultuur een waarde op zich heeft en dus ook de gehele samenleving en de economie mee vormgeeft.
In een minutieus opgebouwd verhaal van welhaast 960 pagina’s ontleedt Boehme koelbloedig de verhoudingen tussen nationalistische ideologie, economische programma’s en de diverse economische belangen die daarmee samenhangen. De belangrijkste conclusie is dat je al die componenten niet op een eenduidige manier kunt samenbrengen. Boehme toont dat het economische nationalisme van bij het begin ervan een nationalisme met economische middelen is geweest. Het geld komt op de tweede plaats. Vlaanderen staat voorop. Voor Boehme is dat zelfs de corebusiness van het economische nationalisme. Het meest sprekende voorbeeld dat Boehme hiervan geeft, speelt zich af tijdens de voorbereiding van het Belgisch-Nederlandse waterwegenverdrag, meteen na de Eerste Wereldoorlog.
Toen Geert Wilders onlangs Vlaanderen opeiste voor Nederland kon hij op veel bijval rekenen van Vlaams Belang-voorzitter Bruno Valkeniers. De voormalige commercieel directeur van Hesse-Noord Natie acht klaarblijkelijk het belang van de Antwerpse haven ondergeschikt aan dat van de Rotterdamse concurrent. Het is maar de vraag of zo’n toekomstbeeld champagnekurken doet knallen aan de dokken en in de bestuurskamers van het havenwezen. Laat staan dat iemand een zinnige verklaring kan geven voor de historische dimensie van Valkeniers’ abdicatie. Voor Boehme vormt dit geen probleem. Hij beschrijft in Greep naar de markt hoe een aantal Vlaamse radicalen uit de postactivistische beweging de gelegenheid aangrijpt om te collaboreren met Rotterdamse havenbaronnen. Het bedrijfskapitaal van de Antwerpse haven was Brussels en Franstalig, en dus vonden deze extremisten het aannemelijker om de Antwerpse havenbelangen ondergeschikt te maken aan Rotterdam – in de hoop dat het Brusselse en Franstalige kapitaal daarmee ‘een nederlaag’ zou leiden. Centrale rol in die tragikomedie is weggelegd voor Herman Vos, een ambitieuze studax. Zelfs in het parlement speelde Vos duikboot voor de Nederlanders. In 1928, een jaar na het kapseizen van het waterwegenverdrag, organiseerde Vos mee de hysterie rond de Bormsverkiezing, die uitdraaide op een referendum over amnestie. In 1933 richtte Vos mee het Vlaamsch Nationaal Verbond op. Maar nog datzelfde jaar koos hij als sociaaldemocraat voor de unitaire Belgische Werkliedenpartij. Van de ene bocht naar de andere.

Ruim tien jaar geleden publiceerde Boehme Revolutie van rechts en intellectuelen in Vlaanderen tijdens het interbellum. Daarin bracht hij al een verrassende lezing van de verwarring die zich meester maakte van Vlaamse intelligentsia in de jaren twintig en dertig. De Eerste Wereldoorlog bracht dood, verderf en maatschappelijke chaos. Overal in Europa predikten jongeren het geloof in de ondergang van de oude cultuur. De bourgeoisie was kop van jut. ‘Elke bourgeois is een kleine dramaturg’, schreef Tristan Tzara in een van zijn dadaïstische manifesten. De staatloze Roemeense Jood Tzara maakte tabula rasa met de voorspelbare dramaturgie, het gezond verstand, de goede smaak. Samen met hem was een hele generatie Europeanen bereid om de gevestigde orde onderuit te halen. Niet zelden ging dat engagement verder dan artistieke fratsen. Zeker in België kreeg het tabula rasa een politieke, activistische dimensie.
Nog belangrijker was dat het hoofdzakelijk rurale en gelovige Vlaanderen in de moderniteit werd gesmeten. Het bleef niet zonder gevolgen. In dat katholieke Vlaanderen trokken velen mee op met de rechtse revolutie via de tussenweg van hun religieuze problemen. De moderniteit joeg de brave burger zo op stang dat antirationalisme, dadendrang en idealisme (en ook het onvermijdelijke fatalisme) populair werden. Heel wat mensen namen in die verwarrende periode zeer scherpe bochten, laverend van mening naar ideologie alsof het topsport was. Boehme deed in Revolutie van rechts een begrijpende, grondige en doortastende lectuur van de toenmalige bronnen om dat bochtenwerk te kunnen volgen. Maar om de volle omvang van Herman Vos’ ogenschijnlijk tegenstrijdige beslissingen te vatten, heb je dus nog meer studie nodig: Greep naar de markt.
De periode die Boehme onderzoekt, biedt een versplinterde Vlaamse Beweging: allemaal uitersten. Ofwel is het een benepen reservaat vol groupuscules die elkaar rommelig bekampen. Ofwel een feitelijke vereniging van talentvolle mensen die vooruit willen in het leven. Activisten als Liederik (pseudoniem voor Joris Fassotte) droomden hardop van de Meir als een Vlaams Wallstreet. Aan brandende ambitie geen gebrek, maar tussen droom en daad stonden nogal wat obstakels. In de eerste plaats de Vlaamse Beweging zelf. Boehme schuwt de hilarische petites histoires niet, zoals het moment waarop de zeloten rond het tijdschrift Vlaanderen beslissen om een ‘Vlaamse’ versie op de markt te brengen van de Nederlandse vertaling van John Maynard Keynes’ The Economic Consequences of Peace. Het aangepaste voorwoord moest ‘den Vlaamschen lezer’ aansporen zich los van de chauvinistische (belgicistische, pro-Franse) pers in de wereldpolitiek te oriënteren. En wat te denken van de regering-De Broqueville die in 1934 onder meer valt over het protest in sommige delen van het kinderarme Wallonië tegen de financiële last van de kinderbijslagen voor het kinderrijke Vlaanderen?
Niet eerder is die sociaaleconomische geschiedenis zo uitvoerig in kaart gebracht, van Lieven Gevaert tot de Kredietbank, van Floris Couteele tot Marnix Gijsen, van het Limburgse en het Waalse steenkool tot het Albertkanaal. Dat mag dan al een enorme verdienste zijn, een nog grotere prestatie is de niet-aflatende kritische zin waarvan Boehme blijk geeft. Die drang om te begrijpen zorgt ervoor dat hij onnoemelijk veel clichés, idées reçues en vooroordelen uit en over de Vlaamse beweging rechtzet. Onder meer de economische conflicten rond het Limburgse en het Waalse steelkool enerzijds, en de uitbreiding van de Antwerpse haven en het Albertkanaal anderzijds tonen aan dat de Vlaamse economie ook in het interbellum niet één en ondeelbaar was – net zomin als dat vandaag waar is voor de economie, maar ook voor de welzijns- en gezondheidszorg.

‘In Vlaanderen’, zo schrijft Boehme, ‘zijn groepen actief (geweest) die met de Vlaamse kwestie als argument ook een bepaalde maatschappelijke visie hebben willen realiseren. […] De Vlaamse beweging – of moeten we zeggen een reeks van Vlaamse bewegingen? – heeft de economie alvast in één belangrijk opzicht mee bepaald: ze heeft de bestaande structurele verschillen op economisch gebied, die de Vlaamse provincies en arrondissementen als geheel konden doen aftekenen tegenover de Waalse provincies en arrondissementen als geheel, weten te institutionaliseren (vooral via defederalisering van bepaalde bevoegdheden).’ Dat is een cruciaal citaat, zowel in dit boek als in de recente geschiedenis van de Belgische federatie.
De communautaire tweespalt werkt vooral goed op voorwaarde dat het bestaan van twee aparte volkeren wordt verondersteld. De nationalistische constructie van het Vlaamse volk kan pas renderen als er een Vlaamse economie aan vasthangt, die vervolgens in conflict komt met de Waalse tegenhanger, en met het Franstalige en centralistische Brussel. Door de interne verdeeldheid van de Vlaamse Beweging in het interbellum kon er echter geen sprake zijn van een gedeelde Vlaamse sociaaleconomische agenda. Bovendien bleven katholieke, socialistische en liberale flaminganten de economische eenheid van het land verdedigen. Mede omdat ze geloofden dat de Vlamingen mettertijd sowieso het overwicht zouden krijgen.
Sinds 1965 hebben Vlamingen echter de volstrekte meerderheid in de Kamer van Volksvertegenwoordigers. ‘De voorbije twaalf maanden is er een geweldig open debat op gang gekomen over de staatshervorming’, zei Piet Van Waeyenberge, de notoire Vlaamse grootaandeelhouder en oprichter van de Warande, in De Tijd (24 mei 2008). ‘Het dossier moet gedeblokkeerd worden. Want het status-quo is geen optie. Als de verdere regionalisering onmogelijk blijkt, is er één ander alternatief: de terugkeer naar een unitair België waar de meerderheid de macht uitoefent. En de meerderheid, dat zijn de Vlamingen.’

Harold Polis

Bronnen
Olivier Boehme, Greep naar de markt. De sociaal-economische agenda van de Vlaamse Beweging en haar ideologische versplintering tijdens het interbellum, LannooCampus, Leuven, 2008, 986 blz., 39,95 euro.
Olivier Boehme, Revolutie van rechts en intellectuelen in Vlaanderen tijdens het interbellum: ideeënhistorische bijdragen, Acco, Leuven, 1999.
De bevolkingsvooruitzichten (2007-2060) van het Federaal Planbureau kun je downloaden op www.plan.be
Marc De Vos, ‘Het Belgische sociaal model is allang geen model meer’. Zie: www.itinerainstitute.org

(Deze tekst verscheen ook in Streven van september 2008.)

zaterdag 6 september 2008

De geschiedenis van O


(1953: Dominique Aury, Jean Paulhan en schrijver-criticus Marcel Arland.)

Yves Leterme gepiercet. Dat zou pas een boek zijn. En waarom ook niet. Het genot en zijn afwijkingen vormen voor ons een basisrecht. Zelfs ascese wordt verkocht als wellness. Hoewel het vroeger niet beter was, blijft het een eerbare zaak zich met het verleden te meten, schrijft de bittere Tacitus in zijn Annales. Sinds hij de grote klerezooi van de tweede eeuw na Christus beschreef, is er alsmaar intenser genoten en plezier gemaakt. Tout va très bien, Madame la Marquise. Die extase hebben we uiteraard te danken aan de permanente bevrijding waarvan we allen het slachtoffer zijn.

Zonder L’histoire d’O was er van onze sadomasochistische huis-, tuin- en keukencultuur geen sprake geweest. Het schandaalboek van Pauline Réage werd ooit gezien als een evergreen van de bevrijding van de bekrompen westerling. O is een mooie jonge vrouw die zichzelf volledig overgeeft aan haar minnaar, een Britse fat genaamd sir Stephen. Ze wordt naar een kasteel gevoerd in Roissy en uitvoerig gebruikt. Vooral het wanhopige einde van L’histoire d’O is echt geslaagd. O gaat ten onder aan haar onvrijheid en lijkt daarin op die andere tragische letterheld, K uit Het proces. Ook de occulte zakelijkheid waarmee Réage het misbruik van O beschrijft, is vintage Franz Kafka.

O zoals in oneindige bevrijding door onderwerping. De kerk, het corset, de sokophouder, de typemachine, de dopkaart, mes en vork. Allemaal dingen waarvan we ons hebben bevrijd. Maar de strijd gaat op aloude trotskistische wijze door. Aan wie niet voelen wil, zullen we de vrijheid democratisch opleggen. Illegalen, Franstaligen, profiteurs, humanisten, Belgen, gelovigen, demente bejaarden en al wie nog geen project heeft ingediend voor Vlaanderen in Actie. Zogoed als iedereen staat op de wachtlijst voor een menswaardige bevrijding, die bij voorbaat ook rebels, eigenzinnig en onconventioneel zal zijn. De betekenis van die adjectieven is inmiddels zo sterk veranderd, dat je dekking moet zoeken zodra iemand ze in je bijzijn hanteert. Ook het succes van L’histoire d’O berust op een interpretatiefout.

De eerste druk van L’histoire d’O (600 exemplaren) verscheen in 1954 bij de Parijse uitgever Jean-Jacques Pauvert, die toen naam maakte met het verzameld werk van Sade. Zijn tijdgenoten werden nog kwaad om een blote tiet en dus sloeg L’histoire d’O in als een bom. Het werd helemaal gezellig toen het Franse gerecht een verbod uitvaardigde om reclame te maken voor het boek – wat de stelling bevestigt dat reclamebureaus de censuur hebben vervangen. Het schandaal in de literatuur is zelden meer dan een ritueel voor goedgelovigen, zoals bij L’histoire d’O. Iedereen staarde zich blind op de porno in het boek en hield een lofzang op de intellectuele durf van de auteur. Daar zat nu net het probleem. Want wie was die auteur? Niemand wist wie zich achter het pseudoniem Pauline Réage verschool.

Men vermoedde dat L’histoire d’O een grap was van een gevestigde naam, André Gide of Raymond Queneau. Misschien was het wel de schrijver van het voorwoord bij het boek, Jean Paulhan. Die überintellectueel had tot 1940 het belangrijkste Europese literaire tijdschrift van dat moment geleid, het illustere La Nouvelle Revue Française. Hij was tevens een held van het verzet en een van de gezichten van uitgeverij Gallimard. Paulhan pestte zijn medewerkster Dominique Aury door te zeggen dat vrouwen niet in staat waren erotiek te schrijven. Aury was niet de eerste de beste. Ze had het werk van Evelyn Waugh, Virginia Woolf, F. Scott Fitzgerald en T. S. Eliot in het Frans vertaald. Voor haar literaire verdiensten werd ze opgenomen in het Légion d’honneur. Aury, die ruim twintig jaar jonger was dan Paulhan, bleef zijn maîtresse tot aan zijn dood in 1968. De liefde werd geconsumeerd in hotelkamers, ‘met de blik op het polshorloge gericht’.

In 1994 publiceerde The New Yorker een interview met een onbekende 87-jarige vrouw: Dominique Aury. Ze onthulde dat ze L’histoire d’O had geschreven als een liefdesbrief voor Paulhan. ‘Ik schreef het boek voor hem, om zijn interesse te wekken, om hem te plezieren. Ik was niet jong meer en bezat geen uitzonderlijke schoonheid. Ik moest iets anders vinden.’ Alle nog levende getuigen kwamen aan het woord in de fascinerende documentaire Writer of O (2004) van de Amerikaanse cineaste Pola Rapaport. Pauline Réage had haar ware gelaat getoond, maar Dominique Aury bleef een mysterie.

Harold Polis

(Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van 20 augustus 2008.)

Brief aan Pascal Chabot

Beste Pascal Chabot , Met veel plezier heb ik uw nieuwe boek Avoir le temps. Essai de chronosophie (Puf) gelezen. Ik raad het iedereen aa...