dinsdag 28 juli 2009

Ora et labora (over Emiel Vliebergh)

Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious
Respect voor u en mij. Respect voor de lammen en de blinden. Respect voor de blauwvoet en de grasparkiet. Ja, zelfs respect voor de goedertieren salonkatholieken die ons gratis lessen in eerbied willen geven. Respect is nodig, want we beleven de nieuwe Middeleeuwen. Onze maatschappij is zo ontmenselijkt dat er straks geen burgers meer zullen zijn, alleen nog mineure vormen van dierlijk leven: bokken, schapen, apen, struisvogels, trekpaarden, mestkevers en af en toe een vos. En als de bokken de verkiezing winnen, wordt Vlaanderen geleid door een geit.

Het is een goed bewaard geheim dat Ivan Petrovitsj Pavlov zijn theorie van de geconditioneerde reflex heeft getest op uit Vlaanderen geïmporteerde bokken. Pavlov las hen te Sint-Petersburg voor uit de eerste brief van Paulus aan de Korinthiërs: "En nu deel ik u een mysterie mee: wij zullen niet allen sterven, maar wel allen van gedaante veranderen." De Vlaamse bokken begonnen spontaan te leviteren. Hoe kan het ook anders? In vroeger tijden waren bokken bijbelvaste wezens. De verrijzenis in onvergankelijkheid lag de bokken zo na aan het hart dat ze in eigen rangen steeds weer op zoek gingen naar heiligen. Emiel Vliebergh bijvoorbeeld. Bij zijn dood in 1925 aarzelde Lode Dosfel niet om Vliebergh met pastoor Poppe te vergelijken. "Beider sterkte was de Eucharistie", schreef Dosfel. "Beiden vereenigden hun wensch naar 'Vrede en Recht in Vlaanderen' met den eisch 'Glorie aan God'. Vlieberghs leven, zijn lijden, zijn dood, zijn hemelvaart zijn vruchtbaar voor Vlaanderen."

Aan de bijbel hebben de bokken vandaag geen enkele boodschap meer, laat staan dat ze nog weten wat er in staat of zich rekenschap geven van hun feitelijke goddeloosheid. Tot ze oog in oog komen te staan met belijders van een ander geloof. Dan is de beschaving der bokken in gevaar en luiden overal de stormklokken. Het melancholische verlangen naar heiligheid blijft bij de bokken Pavloviaans en immens. Zo volstaat de beeltenis van het trekpaard in ruste uit Vilvoorde om de speekselsecretie van de doorsnee bok te doen toenemen. Wat het trekpaard trekt en of het nog wel trekken kan, doet niet ter zake. De Vlaamse bok gaat namelijk gebukt onder een schrijnend menselijk tekort en heeft een heilige nodig om voor te knielen. Als Sint-Rita, patrones van de hopeloze gevallen, op een kieslijst zou staan, zou die lijst winnen. Dat heeft de geit goed gezien.

Ook Vliebergh is zo'n heilige geweest, een heilige duivel-doet-al. Hij bereikte het toppunt van zijn macht in de jaren voor de Eerste Wereldoorlog, toen er in Vlaanderen nog echt te klagen viel. Vliebergh was het prototype van de noeste werker: hoogleraar staatshuishoudkunde, strijdend katholiek, Vlaams beweger, magistraal netwerker, ondervoorzitter van de Boerenbond, voorzitter van het Davidsfonds. In 1908 werd Vliebergh ziek. De diagnose was genadeloos: multiple sclerose. De actieradius van de eens zo rusteloze Vliebergh nam stelselmatig af. Zijn aanzienlijke politieke invloed steunde steeds meer op correspondentie en audiënties. In Vlieberghs huis aan de Leuvense Waaistraat was het een komen en gaan van Vlaamse koppen die om raad en instemming bedelden bij 'het geweten van Vlaanderen', 'de heilige van Leuven'. Op het eind van zijn leven was Vliebergh een schim met mythische proporties. Door de berusting waarmee hij zijn lot had gedragen, verpersoonlijkte hij het lijdende Vlaanderen dat naar rechtvaardigheid en opstanding dorste. Die heiligheid schitterde nog feller door het ascetisme waartoe Vliebergh zich reeds voor zijn ziekte had bekeerd. Bidden en werken, veel meer deed hij niet en hij deed het bovendien op zeer kuise wijze. In zijn hagiografie beschrijft pater Salsmans - een van de jezuïeten die vruchteloos heeft getracht Gerard Walschap 'tot inkeer te brengen' - hoe dat in zijn werk ging. Als jonge dertiger besliste Vliebergh in samenspraak met zijn spirituele begeleider, de dominicaan Chrysostomus De Saegher, dat hij nooit zou trouwen. "Zoo is Vliebergh voorgoed gevestigd op de plaats en in de werkzaamheid die de Voorzienigheid voor hem bestemde."

Respect voor boer en tuinder. Respect voor ongeboren leven en van pijn verrekkende stervenden. Ja, zelfs respect voor de Dietse stam, zij het met mate. In de Waaistraat te Leuven, waar Vliebergh leefde en stierf, heeft de Boerenbond nog steeds kantoren. De heilige van Leuven was dan ook een van de oervaders van de verzuiling. Vliebergh ijverde voor een volksontwikkeling die de standenverschillen intact liet. Onderwijs, verenigingsleven of politieke actie, alles moest conform de eigenheid van de diverse beroepssectoren worden georganiseerd. En om de Vlaamse beweging weer katholiek te maken, engageerde hij zich ten volle in de katholieke drukkingsgroep Eigen Leven. Vliebergh had in 1906 een cruciaal aandeel in de oprichting van Hooger Leven, het weekblad voor ontwikkelde katholieke Vlamingen. Hetzelfde Hooger Leven nam eind jaren twintig Gerard Walschap in dienst, een redacteurschap dat faliekant afliep. Walschap hield er een viscerale afkeer van kwezelachtig geloof en kerkelijke kuiperijen aan over. Ook het literaire tijdschrift Dietsche Warande en Belfort heeft zijn ontstaan te danken aan Vliebergh. Zeven jaar lang was hij redactiesecretaris, in een periode dat katholieke Vlaamse intelligentsia met Groot-Nederlandse ambities aansluiting zochten bij de Hollandse buren. De toenadering liep af met een sisser en staafde Vliebergh in de overtuiging dat Nederlanders en Vlamingen elkaar maar half verstonden. Het feit dat een orthodox-religieuze, antisocialistische en antiliberale technocraat als Vliebergh twee belangrijke culturele tijdschriften heeft opgericht, is een van de vele historische voorbeelden die aantonen hoe verschillend literatuur in Vlaanderen en Nederland kan functioneren. De oprichting had veel meer met politiek tout court dan met cultuurpolitiek te maken. Het was niet zozeer de taalstrijd die Vliebergh interesseerde, dan wel de vorming van een goed opgeleide elite die de Vlaamse samenleving kon vooruithelpen.

Emiel Vliebergh, een oude bok zoals ze niet meer worden gekweekt. Op zijn bureau prijkte naar verluidt deze waarschuwing: 'Ontneem geen tijd aan mensen die veel werk hebben.' Hij was er klaar voor toen het einde kwam. "Als ik sterf, ga ik mijn geluk in. Ik ga van den dood tot het leven, onthoud dit wel!" Nadat men hem het Heilig Oliesel had toegediend en de pauselijke zegen met volle aflaat had gegeven, stelde men hem voor een laatste keer de hostie te ontvangen. Vliebergh, jurist tot in de kist, weigerde. Hij had 's ochtends al gecommuniceerd. Twee keer 'Ons Heer' ontvangen op dezelfde dag, dat mag niet! Het Kerkelijk Wetboek werd erbij gehaald. Het mocht toch.

Dood van een klaproos (over W.N.P. Barbellion)

Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on DeliciousNiets. Dat gebeurde er in het leven van de Brit W.N.P. Barbellion tussen 1908 en 1912. Zeker, hij koesterde bescheiden verwachtingen, maar zijn hoogseizoen was ten einde, nog voor hij goed en wel besefte dat hij het toppunt van zijn kunnen had bereikt. Barbellion leed aan acute pech, die de vorm aannam van multiple sclerose. Hij stierf op zijn dertigste. Door zelfstudie had hij zich als zoöloog bekwaamd. Zijn levensdroom was laboratoriumonderzoek. Het liefst hield hij zich bezig met het ontleden van insecten en kleine zoogdieren. Die ervaring kwam van pas bij de proefondervindelijke benadering van zijn belangrijkste onderzoeksobject: zichzelf. Gemeten aan de sores van anderen zijn de mokerslagen van het lot afwisselend erg of ergerlijk. Zodra doffe ellende aan het papier wordt toevertrouwd, krijgt het een gulden rand die sterker blinkt naarmate er meer lezers hun handen over laten glijden. In die zin is The Journal of a Disappointed Man een schitterend boek, dat zijn glans ontleent aan de precieuze miniaturen van Barbellions ondergang. Hoe zwaarder de ziekte doorwoog, hoe scherper Barbellion formuleerde en hoe duidelijker hij voor een publiek schreef. Vooral tijdens de laatste levensjaren vulde hij zijn dagboek met dromen en nachtmerries die hij rechtstreeks ontleende aan zijn wanhoop, een geestesgesteldheid die zich bij Barbellion uitte in kolkende bespiegelingen over nutteloosheid. Klagen was voor hem een kunst.

Na elke leugen wordt Pinocchio's neus langer en zo gaat het ook met dagboekschrijvers, de meesters van de illusie. Ze wenden schaamteloze oprechtheid voor. Ze wensen de pen als scalpel te hanteren. Ze bakenen een persoonlijk reservaat af en nemen van daar uit de tekens waar, de dagelijkse nonsens, de vlucht van de vogels, het verstrijken van de tijd. Onder de loep van de dagboekschrijvers is alles een aanleiding tot zelfbeklag. Wanordelijke anekdotiek krijgt een verhaallijn, muggen worden olifanten en neuzen langer. Wie er zelf voor zorgt dat zijn dagboek wordt gepubliceerd, zegt de waarheid vaarwel en hult zich voorgoed in nevelen. The Journal of a Disappointed Man kwam enkele maanden voor Barbellions overlijden uit. In zijn laatste dagboeknotitie had hij zich al verzekerd van een theatrale doodstrijd: "Walg van mezelf." Toenmalige lezers waren er ongetwijfeld van overtuigd dat de heldhaftige Barbellion na deze woorden rochelend in elkaar was gestort en de geest had gegeven.

Er is geen aanleiding om te denken dat de kladboeken van deze begenadigde zeurkous een realistisch beeld schetsen van zijn werkelijkheid. De slepende ziekte ontnam hem de lust om zijn miezerige bestaan naar waarheid te notuleren, wat toch niet veel had opgeleverd. En als hij zich manifesteerde als boekhouder van de dood, dan alleen om aan te tonen dat in de voorspelbaarheid van zijn dagen de kern van het mysterie schuilde. Te hooi en te gras speelde Barbellion met de idee van verlossing. Hij dacht niet zozeer aan een nekschot, als aan een inzicht dat zijn onnutte leven de dynamiek zou geven die het ontbeerde. Als het graf eenmaal in zicht komt, zit God op het vinkentouw. Barbellion liet zich niet ringeloren door religieuze spitsvondigheden, hoewel le pari van Pascal nooit ver weg was. Pascal verkeerde in goede gezondheid toen hij bedacht dat het geen zin had niet te geloven. Voor een man die weet hoe kort het pad naar het kerkhof zal zijn, volstaat de kansberekening niet om hem ervan te overtuigen zijn zielenheil uit te besteden aan een of ander onbewogen ordenend principe. Geconfronteerd met de absolute nietigheid van zijn leven joeg Barbellion een grootsheid na die erop gericht was door middel van zijn notities los te komen van de zwaartekracht, op te lossen in metaforen, uit elkaar te spatten in explosieve adjectieven. Kortom, literatuur was zijn wraak voor de misdaad van de natuur. De homeopathische dosis verbeelde levenslust bracht niet de minste verbetering in de betreurenswaardige staat van zijn lichaam. Terwijl zintuigen en ledematen door verlamming in het ongerede raakten en Barbellion zich zag veranderen in een denkende klomp vlees, was de hoop op redding allang vervlogen. Hij had van zichzelf een literair artefact gemaakt. The Journal of a Disappointed Man is zonder meer een concours in zwaarmoedigheid. Het onderscheid tussen oprechte en gespeelde treurnis blijft duister. Barbellions hang naar esthetiek geeft hierin de doorslag. Hij hoedde zich ervoor de ordinaire kant van de aftakeling in de verf te zetten. Het hele boek staat vol met beschrijvingen zoals die van 13 februari 1911: "Voel me als een stuk uitgetrokken borduurwerk, of een niet ontwikkeld negatief, of een kwal op stelten, of een slijmerig kikkervisje, of een snuitkever in een noot, of een gebakken paling. Met andere woorden en kort gezegd: ziek." De lijfelijke betrekkelijkheden speelden slechts een rol in zoverre ze bijdroegen tot het grote wordingsproces dat hij voor zichzelf en de mens zag weggelegd. Er zat een groot prediker in hem, eentje die uitentreuren de met kwaaltjes en bekommernissen gevulde dagen uitrafelde en van zingevend commentaar voorzag. Heel zijn korte leven was een optelsom van nuffige scènes die hij vakkundig herhaalde. Alleen de kleur van het gebruikte carbonpapier zorgde voor schakeringen. Op de koop toe was Barbellion een saai mens, ongeacht de invloed van zijn ziekte. Zijn lievelingsschrijvers leveren het beste bewijs. Darwin mocht dan hoog in zijn achting staan, Henri Bergson vond hij onovertroffen. De Darwiniaanse evolutietheorie is een bij uitstek lineair systeem dat van nul tot oneindig leidt en waarbij de variatie beperkt blijft tot de historische opeenvolging van de soorten. Bergson, die Darwin als uitgangspunt neemt, benadrukt in zijn filosofie van het élan vital hoe alles naadloos in elkaar overvloeit. Stilstand werkt op de lachspieren, stelt Bergson in Le rire. Uiteraard adoreerde de grotendeels immobiele en humorloze Barbellion net dit ene boek.

8 mei 1911: "De ziel van de klaproos vlamt in me. Zij moet mijn bloem zijn." Enkele jaren later, toen Hein met de zeis hele generaties jongemannen wegmaaide op de slachtvelden van Europa, volgde de zwaar gehandicapte Barbellion in de kranten hoe de oorlogswaanzin zijn aangekondigde dood tot een bespottelijk fait divers herleidde. Het was het enige moment in The Journal of a Disappointed Man dat Barbellions reservaat geen bescherming bood tegen de wereld.

Bang konijn (over John Updike)

Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious
Ook in de boeken van John Updike schijt de duivel op de grootste hoop. De verhalen van de dit voorjaar overleden Amerikaanse schrijver zijn natuurgetrouw opgevat. Ze gaan over seks, dood en de eeuwige drang naar de nooduitgang. Je komt altijd mensen tegen voor wie het leven een gezondheidswandeling lijkt en romanpersonages die net het tegendeel beleven. Een van die personages is Harold C. Angstrom, alias Rabbit. In zijn jeugd geniet Rabbit succes als basketballer. Eens de volwassenheid toeslaat, is het gedaan met de pret. Zijn nederlagen en pyrrusoverwinningen lezen als een bloemlezing schlagers. Maar Updike is een echte schrijver die de autobiografie veinst, geniaal mompelt, uit een gedachte een hoofdstuk puurt, uit een vallend blad een verhaallijn. Zo komt het toch goed. Met tussenpozen van ruim tien jaar heeft Updike vier delen toegevoegd aan de Rabbit-cyclus. Het is een mijlpaal in de Amerikaanse letteren die herontdekt mag worden: Rabbit, run, Rabbit redux, Rabbit is rich en Rabbit at rest.

Amerika is van kust tot kust een hyperbool, een XL-pretpark voor grote mensen met grote dromen en angsten. Ons geheugen is volgeladen met close-ups van Manhattan, Times Square en 7th Avenue. Maar het aardse tranendal lijkt in niets op een filmset en zeker niet op New York. Daarom plaatst Updike zijn antiheld in een verfomfaaide provinciestad in Pennsylvania.

In het eerste deel van de cyclus, Rabbit, run (1960), is Rabbit een late twintiger voor wie middelmaat in de plaats is gekomen van het verwachte groots en meeslepend leven. Hij heeft een vernederende baan, een huilbaby en een vrouw die te veel drinkt. Om zijn ziel te redden gaat Rabbit op zoek naar ongeremde seks en trekt hij in bij een prostituee. Rabbit betaalt zijn vrijheid met zijn eigen vlees en bloed. Zijn zatte, wanhopige vrouw laat de baby verdrinken in bad. Vaarwel grootse dromen. Rabbit volgt zijn instinct en slaat op de vlucht.

De grote mythe van de maakbare samenleving is dat er voor elk probleem een oplossing bestaat. Updike onttakelt die mythe door in elk van de vier delen van de cyclus nieuwe muren op te trekken waar hij Harold Angstrom tegenaan laat lopen. Het meest penibele deel van de cyclus is Rabbit redux (1971). Als dertiger blijft Rabbit rusteloos zoeken naar een manier om zijn jeugd terug te halen. Hij maakt zich wijs dat alles nog steeds mogelijk is en geeft zijn modale leven glans door dolenthousiast deel te nemen aan de seksuele revolutie. Rabbits tribale afterparty van de summer of love heeft echter meer weg van een uit de hand gelopen Tupperware-demonstratie. De aanwezigen laten zich een hoop onbruikbare rommel aansmeren. Op geen enkele doos past een deksel.

Updike heeft geen compassie met Harold Angstrom. Rabbit moet en zal de gevolgen van de Amerikaanse naïviteit tot in zijn vezels voelen. Rabbit redux is een voor Updike atypisch razend boek, kwaad, agressief. Literair moralisme met de hamer. Updike laat zich weinig gelegen aan engagement of ideologie. Daarom maakt hij van Harold Angstrom een apolitieke middenklasser uit suburbia. Die verguisde middenklasse bevat voor Updike de kern van de menselijke zijnswijze: een meervoudige, onverzoenbare dubbelzinnigheid. We zijn mensen en beesten tegelijk, sterfelijke wezens die dromen van onsterfelijkheid, die zo zelfbewust leven dat aardse genoegens niet volstaan, nooit. Seks helpt om een illusie van verlossing te beleven. Updike noemt het een vorm van 'prometeïsch protest'.

Dus elk van ons waant zich God, terwijl we niet meer dan een bende prutsers zijn, vaak zonder alibi. Tot het einde en tegen beter weten in blijft Rabbit geloven. Dankzij de immense zeggingskracht van Updikes proza wordt het onvermijdelijke lot van Rabbit aannemelijk. Het heeft wellicht ook te maken met de intentie van de auteur. Updike getuigt van wat hij rondom hem in Amerika ziet gebeuren en heeft zich daarbij ooit vergeleken met de auteurs van het Boek der Psalmen. Even welbespraakt is hij in elk geval. Aan godsbesef ontbreekt het hem ook niet. De God die de protestantse Updike heeft herkend bij Søren Kierkegaard, maar vooral bij de theoloog Karl Barth, is de absoluut andere. Als die God bestaat, dan is hij te vinden in de niet op te lossen dialectiek van het menselijk bestaan, waar tegenstellingen voortdurend met elkaar botsen: geloof en twijfel, komedie en tragedie, seks en dood. Toch is Harold Angstrom allerminst verzonnen door een christelijk schrijver die God wil eren in al wat hij doet. Updike: 'Ik ben slechts een schrijver die elke zondag naar de mis gaat.'

Harold Polis

(Deze tekst verscheen eerder in De Standaard van 26 juni 2009.)

donderdag 28 mei 2009

De toekomst van de vooruitgang

Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious
Ook de Belgische politiek wordt beheerst door machteloosheid. Andere Europese natiestaten kunnen nog doen alsof ze niet boven hun stand leven. Van dat voorrecht kan de Belgische regering slechts dromen. De staatschuld, de gevolgen van de vergrijzing en de crisis lijken onbedwingbare fenomenen. Dekking zoeken is de boodschap. Herman Van Rompuy, de Belgische eerste minister, stuurt daar niet onterecht op aan. Er wordt tijd gewonnen en gebeden voor een oplossing. Alles wordt overwogen. Zo zouden staatswaarborgen, infrastructuurinvesteringen en maatregelen als de tijdelijke werkloosheid voor bedienden aanzienlijke hoeveelheden jobs kunnen redden, terwijl intussen de economie weer aantrekt, hopelijk. Het grote nadeel van zo’n scenario is dat het een politieke beslissing is die ingaat tegen het orthodoxe nutsdenken. En dus wordt er overheidsgeld in de balansen van bedrijven gepompt, in de hoop dat het tij keert.
Play and pray. Een orthodoxe economische strategie is het niet, maar het blijft momenteel de beste optie. Uiteraard zijn er velen, zeker ook politici, met een goede kennis van deze strategie – die in andere omstandigheden misschien ‘opportunisme’ wordt genoemd. De tijden zijn echter niet meer wat ze geweest zijn, zeker niet voor politieke professionals. Zij kunnen geen eer behalen aan de economische crisis, omdat ze weinig macht hebben in een globale economie, in het door subsidiariteit gereguleerde Europa. Toen Kris Peeters het ministerpresidentschap overnam van Yves Leterme staken de oude verankeringsidealen de kop op: de referentieaandeelhouders van Vlaamse bedrijven moeten Vlaams zijn en blijven. En de beslissingscentra ook. Een nobel streven voor sommigen, maar tegelijk een vorm van kwaadaardige zinsbegoocheling. Bovendien hebben de vervloekte omstandigheden net het tegendeel in de hand gewerkt, omdat we het hebben toegelaten dat er in een klein land bancaire mastodonten ontstonden. De ondergang van de Belgische banken, en voordien de uitverkoop van de energieproducerende nijverheid, heeft de economie en het spaargeld voor een belangrijk deel overgeleverd aan calculerende buurlanden die een open economie combineren met economisch nationalisme. En dat laatste geloof, zo weten we sinds Greep naar de markt van Olivier Boehme, is altijd het nastreven van een politiek doel met economische middelen.
Nationalisten en regionalisten aan weerzijden van de taalgrens blijven toch eerder vaag over de manier waarop we als economische drenkelingen het hoofd boven water moeten houden. Iedereen roept dat er bespaard en gematigd moet worden, en organiseert drijfjachten op zoek naar schuldigen en profiteurs. Maar over de kern van de zaak wordt zedig gezwegen: matiging en het optrekken van de pensioenleeftijd. De massale en door velen onvoorziene waardevermindering van onze collectieve en individuele rijkdom luidt het einde van een tijdperk in. In ruil krijgen we een bescheidener welvaartsmodel dat minder solidariteit garandeert, omdat er minder centen zijn om die zorg gelijk te verdelen. Maar wat moet er in de plaats komen van het kapitalisme dat ons zulke goede diensten heeft bewezen?

Bij kometen of klimaatwijzigingen staan er predikers op die het naderende onheil trachten te bezweren. Ook nu de overvloed in eb is veranderd. Er wordt gretig met vingertjes gezwaaid. Morele superioriteit is een goedkope luxe voor wie de verpaupering belijdt. Terwijl het ware armoedebeleid nog te vaak als een verplicht nummer wordt opgevoerd. Naar aanleiding van de Werelddag van Verzet tegen Armoede eind vorig jaar werd nog eens benadrukt dat ruim een op de zeven Belgen in armoede leeft. Dat cijfer is de afgelopen jaren verbazend stabiel gebleven. We hebben tijdens de vette jaren niet alleen verzuimd om de staatsschuld te doen dalen. Het is dan ook ongemeen cynisch dat de economische crisis en het persoonlijke verlies van rijkdom door sommigen als heilzaam worden bestempeld. We moeten nu eenmaal met minder leren leven. Minder werk. Minder geld.
Oud-trotskist Lionel Jospin leidde eind jaren negentig de Franse regering en introduceerde de 35-urenweek. Jospin was een overtuigd verdediger van de lump of labour-denkfout: er is slechts een welbepaalde hoeveelheid werk die je kunt verdelen, dus kun je meer mensen minder werk geven. Gelukkig voor de Franse economie zijn er talloze achterpoortjes om aan die regeling te ontsnappen, los van de algemene vraag of het wel aan de staat is om op zo’n ingrijpende manier het werk van de burgers te organiseren. Ook in sommige Duitse industriële bedrijfstakken is de 35-urenweek ingevoerd. Duitsland heeft enorme inspanningen geleverd om zijn industriële activiteiten op peil te houden, het schrappen van werkuren was een van de kunstgrepen.
De vader van die arbeidsduurvermindering was Herbert Hoover, de Amerikaanse president die zijn land door de eerste fase van de Grote Depressie van de jaren dertig leidde. Hoover, een quaker uit Iowa, was de Obama van zijn tijd die het kwade trachtte te verjagen door voluntarisme te prediken. Zijn aanpak van de Depressie was eerder ongemakkelijk, omdat te veel maatregelen te laat kwamen en het omgekeerde effect hadden. Zo was het niet slim om de belastingen in 1932 zeer fors te verhogen, op het moment dat ruim 25% van de Amerikaanse beroepsbevolking zonder werk zat. Als straks blijkt dat de huidige crisis niet op een catastrofe is uitgedraaid, dankzij het doortastende optreden van regeringen en centrale banken, dan zal dat voor een groot deel aan Hoover te danken zijn. Ben Bernanke, de voorzitter van de Fed, heeft de depressie van de jaren dertig obsessioneel bestudeerd en heeft zich eigenlijk een leven lang voorbereid om niet dezelfde fouten te maken als in 1929. Protectionisme was toen een van de grote drama’s die mee de oorlog hebben veroorzaakt.
Er is geen reden om meewarig terug te blikken op een episode uit de twintigste eeuw die vandaag, zogezegd, nooit meer zou kunnen voorkomen, omwille van globalisering of vermeende morele progressie. Het was Hoover, de man die tijdens de Eerste Wereldoorlog de Belgen van de hongersnood had gered, die begin jaren dertig armen samenbracht in tentenkampen en honderdduizenden Mexicanen deporteerde naar Mexico om op de arbeidsmarkt plaats te maken voor Amerikanen. Met minder leren leven is een geweldig vooruitzicht.
Als de hoeveelheid arbeid niet eindeloos is, dan zeker ook de welvaart. Op die manier wordt het symptoom voorgeschreven om de ziekte te bestrijden. De beste manier om de crisis te bestrijden zou dan zijn het loslaten van de groei en met nog minder te leren leven. De gecrashte aandelenfondsen van de zestigplussers zijn misschien virtueel, de welvaartsdaling is dat zeker niet. Er zijn geen gegronde redenen om de huidige actieve generatie en hun kinderen het vooruitzicht op welvaart te ontzeggen. Onze huidige levensstandaard en maatschappijstructuur is net gebaseerd op economische groei, open samenlevingen en een stabiele democratie. Hoewel het groeipad aan de feiten zal worden aangepast, blijft vooruitgang een noodzaak. Maar hoe dit te bereiken?

Politieke essays die in de aanloop tot de Europese verkiezingen geschreven, laten weinig ruimte voor de creativiteit die we vandaag zo hard nodig hebben. Hoewel de verzamelde stukken in Rood zonder roest. Een sociaaldemocratie voor de 21e eeuw de juiste maatschappelijke, economische en bestuurlijke problemen inventariseren, blijft het grote plan achterwege. ‘Het ultieme doel’, zo schrijven de samenstellers Carl Devos en Rudi Vander Vennet, ‘van het socialisme is gelijke vrijheid voor iedereen. Gelijkheid is de voornaamste hoeksteen van rechtvaardigheid.’ Er kan geen sprake van zijn het wiel weer uit te vinden – zelfs niet nu de crisis socialisten een gedroomd argument geeft om hun zaak te bepleiten. Die ambitie zit ook niet in het boek, dat eerder een uitnodiging bevat om aan piecemeal engeneering te doen: grote problemen los je op door telkens kleine beslissingen te nemen die door de bevolking worden gesteund. Daar kan niemand tegen zijn, maar als dit de kern van het socialistische handelen bepaalt, waarin onderscheidt het socialisme zich dan eigenlijk nog van andere democratische politieke bewegingen?
Het is Karl Popper die het begrip ‘piecemeal engeneering’ heeft gemunt, in The open society and its ennemies, het livre de chevet van de liberale regeringspartij Open Vld. In Pleidooi voor een nieuw liberaal offensief tracht Mathias De Clercq hetzelfde anders te verwoorden. De Gentse schepen van Economie, Jeugd en Werk is een van de coming men van de liberalen en speelt die rol ook in zijn Pleidooi... De tekst is zeer retorisch en klinkt bij momenten beter dan hij leest. Zoveel hardhorigheid was wellicht gebaat met meer brutaliteit en minder citaten uit de wereldbibliotheek. Maar goed, er zijn intussen drie partijen die zich liberaal noemen (Lijst Dedecker, SLP en Open Vld) en er is een wereldwijde crisis die in de schoenen wordt geschoven van een losgeslagen kapitalisme dat velen gelijkschakelen met liberalisme. Je moet dus heel hard roepen onder liberalen om aanwezig te zijn. En daarmee heb je de burger nog niet duidelijk gemaakt hoe je tijdens de crisis moet besturen.
Op momenten dat politici van alle gezindten tijd winnen en bidden voor een oplossing lijken ideologische tegenstellingen hun belang te verliezen. Ook dat is een evergreen van de vox populi: bestuurders die problemen oplossen zonder aan politiek te doen. Zelfs een dictator als Stalin deed echter aan politiek, en hij deed dat uitmuntend en wreed, zo lees je in de schitterende Stalinbiografie van Simon Sebag Montefiore. De oplossing zit wellicht niet in minder, maar net in meer politiek. Als de belangentegenstellingen tussen groepen en individuen in de Russische samenleving ten volle tot hun recht waren gekomen, dan was er ook geen ruimte geweest voor een dictator. Zo is ook de huidige economische crisis geen vraagstuk dat door enkele hoogopgeleide verlichte zielen moet worden opgelost, maar door ons allemaal.

Het recht op vooruitgang kun je verdedigen met ethische argumenten die zowel op onszelf als op de samenleving zijn gericht. Sinds de Verlichting is vooruitgang een waarde geworden die wordt beleefd door het merendeel van de bevolking, los van religieuze of politieke overtuigingen. Uiteraard zijn er vreselijke aberraties (geweest), maar de systematische beoefening van de vooruitgang heeft onze samenleving gemaakt tot wat ze vandaag is. De creatie van nieuwe welvaart zal hoe dan ook plaatsvinden binnen de grenzen van een op vooruitgang geënte samenleving. Evenals de kritiek op die welvaart zelf, omdat zij eveneens is vermarkt. Mogelijk is die toegepaste ethiek een van de manieren om ons uit het moeras te krijgen. Tot voor kort was bijvoorbeeld duurzaam ondernemen een scheldwoord voor halfzachten uit de non-profit. De afgelopen jaren speelt het concept echter een steeds belangrijker rol bij ondernemingen en consumentengedrag.
Na de kladaradatsj van de dotcombubble begin deze eeuw heeft het zakenleven zichzelf een gedragscode trachten op te leggen. Voor Nederlandse beursgenoteerde ondernemingen werd die corporate governance code in 2003 uitgewerkt door Morris Tabaksblat en de naar hem vernoemde commissie. Meer transparante jaarrekeningen, een betere rapportage aan de raad van commissarissen, een versterking van de zeggenschap én een bescherming van de aandeelhouders: allemaal maatregelen die ertoe moesten leiden dat de continuïteit van ondernemingen op een controleerbare, oorbare en duurzame manier werd verzekerd. Het Belgische bedrijfsleven volgde de aanbevelingen van een code die aanvankelijk door Maurice Lippens werd begeleid. De ironie van de geschiedenis is uiteraard dat dezelfde Lippens als voorzitter van de raad van bestuur van Fortis een gebrek aan transparantie werd verweten en werd uitgeroepen tot de grote schuldige in het bankendebacle dat eind 2008 de bodem onder de Belgische staat wegsloeg.
De zucht naar economische transparantie heeft ons niet noodzakelijk goede diensten bewezen. Sinds begin 2005 moeten Europese beursgenoteerde bedrijven rapporteren volgens de IFRS-regels, een boekhoudkundige standaard voor jaarverslagen. Een van de gevolgen is, kort samengevat, dat je aankoopprijs van activa niet meer kunt afschrijven over een aantal jaren, maar per boekjaar tegen hun fair value moet noteren, dus tegen de marktprijs van het moment. Uiteraard, schande over bedrijven en overheden die geïnvesteerd hebben in herverpakte rommelkredieten, maar heel wat ellende is toch ook ontstaan ondanks een ogenschijnlijk correcte risicospreiding en rapportering.
De volgende stap in corporate governance is dus ongetwijfeld het benadrukken van meer ethische afwegingen. Bijvoorbeeld dat de vrije markt morele en ethische principes nodig heeft, omdat we de afgelopen jaren immorele toestanden zouden hebben beleefd. Misschien hadden we de crash kunnen voorkomen, als we die sacrosancte waarden intenser hadden beleden. Het was dan ook opmerkelijk nieuws toen niemand minder dan Jack Welch, oud-CEO van General Electric, in de Financial Times het blind nastreven van aandeelhouderswaarde laakte. Welch, een ijzervreter en notoir saneerder, nam op zijn site echter zijn woorden terug: ‘Look, the job of a leader and his or her team is to deliver to commitments in the short-term while investing in the long-term health of the business. Bottom line: that’s management. Good managers know how to eat today and dream about tomorrow at the same time.’ Het kapitalisme is noch een geestelijke oefening, noch een ethisch dispuut.

Met enige aandrang zoeken de Belgische overheden naar manieren om innovatie te bevorderen en te exploiteren. Een toekomst als doorvoerland, hangar van Europa of kampioen van de half afgewerkte producten is geen aanlokkelijk beeld. Andere Europese regio’s en landen doen echter net hetzelfde, zodat we niet kunnen volstaan met halve maatregelen en goede bedoelingen. De individuele wil om vooruit te gaan en voort te doen wordt cruciaal.
Er is geen andere optie, tenzij je wordt bedwelmd door de lokroep van moralistische sirenen zoals economist John Gray. In zijn boek Zwarte mis houdt hij een pleidooi tegen de utopieën die uit de Verlichting zijn voortgekomen, waarbij hij zowat alle politieke bevrijdingsideologieën verbindt met de christelijke heilsgedachte en de komst van de Messias. Dat levert spectaculaire passages op, want Gray is ongenaakbaar in het afmaken van antireligieuze wereldverbeteraars en schrijft zo goed dat hij met alles wegkomt. Toch is waarde van Zwarte mis bescheiden, zeker op een moment dat je, zoals vandaag, eerder concrete inzichten verwacht. Grays eloquente apocalyptiek is vooral een excuus om zijn theorie van het menselijk tekort te doen weergalmen. Stalin, Hitler, Pol Pot: zie je wel dat morele vooruitgang een illusie is. Het kwade, de hebzucht incluis, zit zo diep in de mens dat je het alleen kunt beheersen.
Gray toont het derde millennium als een victoriaans post-mortemportret: een aangeklede dode die poseert voor de eeuwigheid. Gelukkig hebben we de kans om zo’n pessimisme niet te volgen en integendeel te kiezen voor het leven, in al haar menselijke, economische, politieke en democratische feilbaarheid. Zelfs als ons vermogen een pak lichter weegt dan vroeger.

Harold Polis

Literatuur

Olivier Boehme, Greep naar de markt. De sociaal-economische agenda van de Vlaamse Beweging en haar ideologische versplintering tijdens het interbellum, LannooCampus, Leuven, 2008.
Carl Devos en Rudi Vander Vennet (red.), Rood zonder roest. Een sociaaldemocratie voor de 21e eeuw, Van Halewyck, Leuven, 2009.
Mathias de Clercq, Pleidooi voor een nieuw liberaal offensief, [eigen beheer], 2009, te downloaden op http://www.mathiasdeclercq.be/info_extra1.htm
John Gray, Zwarte mis. Religieus fundamentalisme in de moderne utopieën, Ambo, Amsterdam, 2007.
Francesco Guerrera, ‘Welch condemns share price focus’, in Financial Times, 12 maart 2009.
Simon Sebag Montefiore: Young Stalin, Vintage, New York, 2008.
Arthur Schlesinger, The Crisis of the Old Order: 1919-1933. The Age of Roosevelt, Houghton Mifflin, Boston, 2003.
Jack Welch, ‘On Shareholder Value’, http://www.welchway.com/Management/US-Economy-and-Government-Policy/Matters-of-State/On-Shareholder-Value.aspx

(Dit stuk verscheen eerder in Streven van mei 2009.

woensdag 13 mei 2009

Tranen en triomfen: Conrad Detrez


Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious(Samen met Les Plumes du Coq is L'Herbe à brûler een van de belangrijkste naoorlogse Belgische romans, geschreven door Conrad Detrez, een man vol tegenstrijdigheden: seminarist, journalist, Vlaming, Waal, genaturaliseerde Fransman, revolutionair en aids-slachtoffer.)

Vijftien jaar geleden overleed Conrad Detrez aan de gevolgen van aids. Stervend schreef hij een van de mooiste ziekbedboeken ooit, La mélancolie du voyeur (1986), waarin hij een laatste keer zichzelf binnenstebuiten keerde. Eigenlijk handelt alle proza van Conrad Detrez over Conrad Detrez, een man wiens leven voldoende stof bevat om vijf schrijverscarrières mee te vullen. De motor van Detrez' schrijfwoede wordt aangedreven door revolte en engagement, de literaire smeerolie van de jaren zestig en zeventig. Zuid-Amerika lag toen goed in de markt. Mulisch en Claus bezochten Cuba. Jorge Semprún, Gabriel García Márquez en Carlos Fuentes braken door. Europese intellectuelen, Régis Debray voorop, beoefenden marxistische maatschappijkritiek die sterk Zuid-Amerikaans was georiënteerd. En in Leuven besliste de seminarist Conrad Detrez om als missionaris in Brazilië zijn geloof te belijden. Eind jaren zestig vlucht Detrez, inmiddels biseksueel en communist, naar Parijs om er de strijd voort te zetten. Hij schrijft een handboek stadsguerrilla, vertaalt Dom Helder Camara en leidt het pamflet Pour la libération du Brésil in, dat door de Franse overheid in beslag wordt genomen. Daarna waagt hij zich aan de literatuur. Zijn twee sterkste en meest autobiografische romans werden vertaald (als De veren van de haan en Dor gras) door Jenny Tuin.

In het slechtste geval toont Conrad Detrez zich een freak, een modeschrijver, een demagoog, een slechte journalist, een verkapte katholiek die zijn fanatieke geloof op het juiste moment afzweert, neerzijgt voor communistische afgodsbeelden en bommen legt om een volk te bevrijden dat geen bevrijding wil. Zo luidt de mythe Conrad Detrez. Het getuigt, achteraf bekeken, van verregaande juveniele domheid, misschien zelfs van misdadigheid, vergelijkbaar met de fratsen van 'onze jongens' van het Vlaams Legioen, de sukkelaars of landverraders die 'uit idealisme' het rode gevaar bevochten in dienst van de Duitsers.

In het beste geval blijft Conrad Detrez een van de zeldzame schrijvers die er echt in is geslaagd de Belgische paradox te doorgronden, de tegenstellingen literair vorm te geven. Les plumes du coq schetst een surreëel beeld van de jaren vijftig. Het jonge hoofdpersonage vertelt zijn belevenissen als katholieke Waal in een Vlaams internaat. Hij trekt tijdens de koningskwestie ten strijde tegen de ongelovige tegenstanders van Leopold III. Het bloedbad van Grâce-Berleur verandert zijn levensbestemming. Hij hoort Jules Renard spreken, wordt verliefd op een bloedmooi arbeidersmeisje en komt in opstand tegen de tirannieke schooloverheid. Hoe realistisch deze korte samenvatting ook moge zijn, het boek zelf is een groot delirium. Het stortregent aan een stuk door. Mensen blijven in de modder vastzitten. De ikpersoon voelt zijn bloed door zijn lichaam gaan als "een bijtend zuur". En het internaat is een "log aardkleurig dier in afwachtende houding, met alle poten ingetrokken". Internen, leraars en geestelijken jutten er elkaar op in de aanbidding van de Bruidegom, een homo-erotische Christusfiguur die te pas en te onpas verschijnt aan de ikfiguur en hem tergt, zoals in 'De zwarte monnik', dat maffe verhaal van Tsjechov.

Detrez begint waar Henri Michaux en Hadewijch eindigen: bij de magistraal verwoorde waanzin. Les plumes du coq is een pervers sprookje over paters die biddend kippen vingeren en schooljongens die elkaar uithuwelijken, terwijl het land op instorten staat. De hele tekst is opgebouwd rond een aantal weerkerende beelden die steeds verder van de werkelijkheid komen te staan, zodat op het einde het mystieke nulpunt wordt bereikt, de Liefde Gods. Die liefde is even zuiver als een plas brak water en even helder als de smoezelige stijl van het boek. Detrez schrijft overvet en opgefokt proza, vol onzinnige details en pathetische uithalen. In permanente haast sleept hij grote hoeveelheden adjectieven en bijzinnen aan om de boel zo intens mogelijk te belazeren.

Het verhaal van L'herbe à brûler sluit naadloos aan bij dat van Les plumes du coq, alleen is de toon radicaal anders. In L'herbe à brûler beperkt hij zich iets meer tot de feiten en verandert het geweer van schouder. Detrez doopt zijn pen in gal en geil om het relaas van zijn Zuid-Amerikaanse periode te noteren. Het is een tijd van carnaval en ideologisch verantwoord rondneuken. Detrez wil de massa bekeren en komt terecht bij een hoop dwazen die zich laten leiden door het Autokritisch program voor een marxistisch-leninistische avant-garde, opgesteld door een verlichte gek die wel in dialectiek, maar niet in interpunctie gelooft. De hilarische sessies zelfkritiek hebben een bloedige apotheose tot gevolg. De groep van Detrez ontvoert een hoge militair en biedt zo het leger een aanleiding om het communistische gespuis van de straten te vegen. Wat als een idealistische bevlieging begon in het Leuvense seminarie, eindigt als een marteling. De ondervragers breken zijn botten en sluiten zijn geslacht aan op het elektriciteitsnet. Nadien zetten ze hem het land uit. Detrez maakt mei '68 nog wel mee als vrijheidsstrijder, maar de ontgoochelingen stapelen zich op. Met stille trom verdwijnt hij naar België, waar volstrekt niemand zijn inzichten en verhalen begrijpt. Les plumes du coq en L'herbe à brûler openen de kamer waar al onze verlangens en angsten zetelen. Misschien bevindt deze plek zich hoog in het schip van een gotische kathedraal, vlak naast orgel, waar de muziek der sferen een overweldigd contrapunt is dat de trommelvliezen doet scheuren. Het kan ook zijn dat we de plek in een favella moeten zoeken, een Zuid-Amerikaans pauperdorp, een uitgewoonde, van lust en rottenis dampende mestvaalt waar kinderen staand worden verwekt en opgroeien tot menselijke ratten. En wie weet komen we die plek wel tegen in rokerige kamers waar steeds andere gezichten met steeds dezelfde woorden hun wereld trachten te veranderen, terwijl buiten hoongelach en geweeklaag weerklinkt. Detrez heeft die wanhoop willen wegbranden door te schrijven over zijn wanhopige passies, zijn visionaire waanbeelden. We moeten de geniale mislukkingen van Detrez blijven lezen, of liever, we moeten zijn romans opnieuw lezen. Want Detrez bestaat niet meer, zijn boeken zijn vergeten en haast onvindbaar. Detrez is uitgekotst door een land dat hij zelf in het gezicht had gespuugd.

Met L'herbe à brûler sleepte Detrez de Prix Renaudot in de wacht en werd hij wereldberoemd in Parijs en omstreken. Het Brel-scenario. Toen in 1978 de vertaling van Les plumes du coq verscheen, verklaarde Detrez te sterven van verlangen "om de klerikalen in Vlaanderen te schofferen". Het was de zelfhaat van een medeplichtige.

(Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van 22 november 2000.)

dinsdag 12 mei 2009

Zwart zijn doet niet zeer: Constant Malva


Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious(Een fantastisch portret van Constant Malva, gemaakt door Marcel Lefrancq op 11 november 1938. Malva staat aan de voet van 'le coq de Jemappes', een monument in Bergen dat de slag bij Jemappes van 1792 herdenkt.)

Het leven kende geen genade voor Alphonse Bourlard, een Waalse mijnwerker uit Quaregnon. Hij nam het pseudoniem Constant Malva aan, pour qui tout va mal. De man met wie het helemaal fout liep, had een ellendiger lot dan de man die veel had geleden. Met Multatuli deelde Malva de afkeer voor de burgerman, die in de waarheid vooral deugdzaamheid herkent. Malva geloofde bovendien dat waarheid gelijkstond aan literaire waarachtigheid. Het was geen toeval dat hij zijn dagboek verliteratureluurde tot Ma Nuit au jour le jour. Een jaar lang, van mei 1937 tot mei 1938, noteerde Malva zijn lotgevallen in en rond de mijn. Hij deed dat niet als ontspanning of ter stichting van de geïnteresseerde leek. Malva's wereld was maakbaar. Zijn woorden waren breekijzers. Met Ma Nuit au jour le jour wilde Malva een dienst bewijzen aan zichzelf, "à mes frères de travail et même à toute l'humanité".

In korte, afgehouwen zinnen zet Constant Malva de koolmijncultuur neer. Een leven van explosieve gasbellen, lekkende galerijen, wankele stutbalken en een alles verstikkende prestatiedwang. Het pikhouweel verbrijzelt ook de ziel van de man die de steel vasthoudt. De mijnwerker is een machine die niet denkt, maar erop los beukt. Na de jarenlange slagenregen komt de machine reutelend aan zijn einde. Malva stierf zelf, hoe kan het anders, aan de gevolgen van silicose. Hij werd onder meer verzorgd te Zwitserland, in het sanatorium van Leysin, waar ook de tuberculeuze Maria 'Agnes' Rooman uit Klaaglied om Agnes van Marnix Gijsen haar laatste dagen sleet. Zo symbolisch als Gijsen de naderbij sluipende dood van zijn lief beschreef, zo realistisch ging Malva tekeer, wroetend, kuchend, strompelend. De mythe van het lijdende proletariaat werd in de jaren dertig even zorgvuldig in stand gehouden als de mummie van Lenin. Formol was ook populair in artistieke kringen, waar men altijd verlegen zit om relikwieën. Toen Malva aansluiting zocht bij gelijkgestemde literatoren werd hij behandeld als een curiosum: de schrijvende mijnwerker.

Van trotskist naar fascist, is een kleine stap, zeker als de verbittering op de loer ligt. Malva besefte dat hij in Ma Nuit au jour le jour de authenticiteit van zijn getuigenis op een krachtige manier had vormgegeven, wars van pathetiek en moralisme. Helaas was niemand geïnteresseerd, zelfs de Parijse uitgeverij Grasset niet, waarmee Malva nochtans goede contacten onderhield. Proletarische literatuur was begin jaren dertig een hype geweest in Frankrijk. Malva kwam tien jaar te laat. Het werd niets met de erkenning waar hij zo intens naar verlangde. Tijdens de Tweede Wereldoorlog sukkelde hij de collaboratie in. Zijn sympathie was gekruid met overlevingsdrang. Door ziekte moest hij zijn werk in de mijn staken en liep hij de vrijwillige arbeidsdienst in Duitsland mis. Ten einde raad werd hij nachtwaker in de lokalen van de collaborerende eenheidsvakbond van Hendrik de Man. Malva schreef ook voor de verkeerde bladen en werkte mee aan de uitzendingen van de collaboratiezender Radio Bruxelles. Toen hij na de bevrijding werd veroordeeld en ontzet uit zijn burgerrechten, leek de veer gebroken. Toch publiceerde Sartre in zijn tijdschrift Les Temps modernes een fragment uit Ma Nuit au jour le jour en verscheen de tekst in 1953 in boekvorm.

Als het leven de kunst zou na-apen, zou Constant Malva een schoolvoorbeeld van die mimese zijn. De ontgoocheling is het ware hoofdpersonage van Ma Nuit au jour le jour. Malva voert in zijn dagboek een dialoog met de ontgoocheling, tracht haar te verleiden met waanbeelden van een betere toekomst. Het leven dat Malva droomt, berust op literaire aspiraties. Bladzijde na bladzijde wordt het duidelijker hoe hij op papier de ontgoocheling tracht om te bouwen tot een overwinning. Malva wil de met steenkool aangedreven ellende ontstijgen door haar zo nauwkeurig mogelijk te beschrijven. Hij wil herboren worden in de literatuur. Hij wil een kind van het licht zijn. "J'attendrai peut-être la fin de ma nuit jusqu'à la nuit éternelle." Die ene zin, waarmee het dagboek afsluit, vat het drama samen van iemand die hoopt op de nieuwe mens en meegesleurd wordt in de ondergang van het avondland.

Malva zat met zijn gedachten niet in Bayreuth, maar in de Borinage. Wagneriaanse tragiek was niet aan hem besteed, vormcultus evenmin. Een dagboek bood eenvoudigweg het grote voordeel dat het geen roman was, het burgerlijke genre bij uitstek. Weg ermee. Zo'n roman werkte alleen maar onechtheid en clichés in de hand. Als Emile Zola in zijn mijnwerkersbijbel Germinal een steenkoolslaaf op de grond liet spugen, ging dat als volgt: "Il crache enfin en son crachat sur le sol empourpré laisse une tache noire." Malva, die Zola nochtans verafgoodde, hield het simpel: "J'ai contracté un rhume." Er valt wel wat te zeggen voor de cadans die weerklinkt in Malva's strak geordende zinnen. Ze lijken op de stakende arbeiders van Constant Meunier, eeltige mannen in blauwe kiel die schouder aan schouder marcheren en nooit lachen, tenzij om een schuine mop. Zelfs de schuine mop ontbreekt in Ma Nuit au jour le jour en de cadans is net iets te strak om geen neurotische indruk te wekken. Het primaat van de eenvoud vormt voor Malva een excuus om te zeuren. En hoe neutraal hij de literatuur ook wil benaderen, de literaire nulgrens bestaat niet. Als verantwoording voor zoveel objectiviteit beweert Malva: "Je n'ai pas voulu écrire la vie de la mine à certaines heures, j'ai voulu écrire la vie de toutes les heures." De zoete leugen van het leven zoals het leven is. Ongewild woelt Malva de paradox naar boven die elk geëngageerd boek kleurt: wantoestanden zo exact mogelijk beschrijven in de hoop dat daarmee de wantoestanden veranderen. Wat moet je met zo'n boek? "Boodschappen zijn voor in de supermarkt", heeft JMH Berckmans ooit geschreven.

Maar de ene paradox was de andere niet in de woelige Borinage van de jaren dertig. Julien Lahaut maakte de arbeiders warm voor die ene verlossende opstand en Léon Degrelle bracht de middenklasse samen door het affairisme van de Belgische politiek aan de kaak te stellen. Malva's bescheiden verhaal stak schril af tegen de brede gebaren waarmee de volkstribunen anonieme massa's platsloegen. Een krachtiger statement is haast niet denkbaar.

(Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van 8 mei 2002.)

maandag 11 mei 2009

De wereld na Sofie


Furl this page

Digg!

Delicious
Bookmark this on Delicious

Vaarwel onnozele toeren, zelfbegoocheling en dt-fout. Het menselijk genoom is volledig in kaart gebracht. Vooraleer de haan heeft gekraaid, zal in een Leuvens labo het eiwit worden ontdekt dat van ons perfecte mensen maakt. Intussen ploeteren we vrolijk verder, een handeling die Winston Churchill omschreef als KBO: keep buggering on. Aan moed ontbrak het deze opportunistische dronkaard niet. Wel aan gemoedsrust. Churchill stelde zich zijn zwaarmoedigheid voor als een zwarte hond die hem overal volgde. Hij had te veel meegemaakt om een rooskleurig antwoord te geven op de epistemologische quizvraag: wat kunnen we weten?

Stel dezelfde vraag aan een 14-jarig meisje en het antwoord zal onbevangen zijn, zoals in het gedicht van Paul Rodenko: ‘Weer gaat de wereld als een meisjeskamer open.’ Ja, de wuivende populieren van onze jeugd, ze waren prachtig, maar gisteren komt nooit meer terug. Zonder die melancholie zou er geen literatuur zijn, omdat goeie schrijvers een werkelijkheid verzinnen die niet meer bestaat – of nooit heeft bestaan. Wie zich echter oppermachtig waant en een gokje wil wagen, schrijft een boek over de naïviteit van een 14-jarig meisje. Dat deed de Noor Jostein Gaarder in De wereld van Sofie, zo’n bestseller die iedereen heeft, maar niemand leest. Sofie Amundsen, zo leren we gaandeweg, zou de verpersoonlijking kunnen zijn van de levenswijsheid. Ze ontvangt lange brieven van een onbekende man die haar de ideeën van Westerse denkers uitlegt, van Parmenides tot Sartre. Het verschil tussen De wereld van Sofie en een basiscursus filosofie is de naïviteit van het hoofdpersonage.

Sofie heeft ongeloofwaardige ervaringen. Zo duikt ze op in het Athene van Plato en Socrates en wordt ze naar de Middeleeuwen gebeamd. Gelukkig kan in literatuur alles. Wat een uitvinding toch. Om het nog doller te maken blijkt dat Sofie een personage is in een verhaal dat door een ander meisje wordt gelezen. Die ontknoping biedt Jostein Gaarder de kans om nog een keer de klassieke vragen te stellen: wie zijn we, waar komen we vandaan en wat kunnen we weten?

Om met de laatste vraag te beginnen: felicitaties aan alle 14-jarigen (en hun ouders) die de allegorie van de grot kunnen verklaren. Gaarder geeft een centrale plaats aan Plato’s verhaal over de vergankelijke, waarneembare werkelijkheid en de boventijdelijke ideeënwereld. Terecht. Geloof je wat je rondom je ziet of denk je dat er meer is? Kijk je het kassaticket van de Colruyt na op fouten, of ben je allang blij dat je niet te lang moet aanschuiven? Germinal Beerschot of Antwerp? De allegorie van de grot komt altijd van pas.

Het doel van de filosofielessen heeft veel weg van een initiatierite. Sofie moet een weerbaar meisje worden. Wat achteraf niet nodig blijkt, omdat ze zich als personage niet in de echte wereld moet handhaven. Misschien zit in dat zachtmoedige escapisme de reden voor het globale succes van het boek: een jeugdroman die volwassenen aanspreekt. De wereld van Sofie is dan ook zo totaal jaren ’90, dat het verzameld werk van de toenmalige god Douglas Coupland helemaal overbodig wordt.

Als Sofie een heldin van haar tijd was, hoe zit het dan vandaag met de geschiedenis van de filosofie? De nood aan verklaring en betekenis is zo radeloos groot dat de productie van onzin historische proporties aanneemt: wellness, gentherapie, Lijst Dedecker. Alleen het scheermes van Ockham kan ons redden. Dit principe uit de kennistheorie behelst het wegnemen van alle pseudo-argumenten en onnodige ingewikkeldheden om bij de eenvoudigste verklaring uit te komen. Ockhams scheermes speelt helaas geen rol in De wereld van Sofie, wel in het werk van dat andere jaren ’90-icoon, wijlen David Foster Wallace.

Vorige maand verscheen This is water, een postume uitgave van een speech die DFW in 2005 gaf voor een groep afstuderende universiteitsstudenten. Wat moet je kennen en kunnen om het te halen in de wereld? DFW vat eigenlijk De wereld van Sofie samen in minder dan 4000 woorden. Een prestatie voor een man die met Infinite Jest een van de dikste en meest complexe romans van de hedendaagse Amerikaanse literatuur schreef. DFW waarschuwt in This is water zowel tegen jeugdig escapisme als tegen Churchilliaanse zwaarmoedigheid. Het is een verbluffend lucide tekst. Misschien te lucide als je weet dat DFW zich eind vorig jaar van het leven benam. Echte mensen gaan echt dood. Het leven is dan ook geen verzinsel, zegt DFW in This is water. Als je er niet in slaagt om zo bewust mogelijke keuzes te maken, voor anderen te leven en aandachtig te blijven, dan ben je slechts een personage in een middelmatige roman.

Harold Polis

(Dit stuk verscheen eerder in De Standaard der Letteren van vrijdag 8 mei 2009.)

Brief aan Pascal Chabot

Beste Pascal Chabot , Met veel plezier heb ik uw nieuwe boek Avoir le temps. Essai de chronosophie (Puf) gelezen. Ik raad het iedereen aa...