dinsdag 18 december 2007

Hoe Herman Brusselmans de wereld veranderde




(De man die werk vond: Bill Gates in 1985.)

In Shanghai Express (1932) wandelt Marlene Dietrich tijdens de openingsscène langs een trein op het perron. Het is een van de beroemdste travel shots uit de filmgeschiedenis. Aan Dietrichs wandeling komt maar geen einde. Het is alsof de beelden in een loop zitten. Uit elk treinraampje duikt er een Chinees op die naar de hooghartige vrouw met het kekke hoedje staart. "It took more than one man to change my name to Shanghai Lily", zegt Dietrich later in de film. Dat heb je dus na het magistrale openingsbeeld al beet. Ook de roman De man die werk vond (1985) van Herman Brusselmans lijdt aan onweerstaanbare genialiteit. Het hoofdpersonage Louis Tinner zit aan een bureau in een vergeten uithoek van een Brussels kantoorgebouw te wachten tot mensen een boek bij hem komen uitlenen. De mensenschuwe en angstige Tinner is bibliothecaris van beroep. Collega-ambtenaren moeten uitgerekend Tinner aanspreken om een boek te pakken te krijgen, terwijl hijzelf tot elke prijs met rust wil worden gelaten. Bladzijdenlang komen er bij het begin van het boek mensen het bureau van Tinner binnen. Een marteling die Tinner grinnikend, wanhopig en gelaten ondergaat. Een van de laatste zinnen van De man die werk vond luidt: "Verbanden zijn er niet, dacht hij, een tijdlang leef je, en dan ben je dood. De eerste dagen zijn de moeilijkste, later gaat het wel." Maar dat had je dus na de magistrale openingsscène al door.

De man die werk vond hoort thuis in de categorie onuitwisbare leeservaringen. De roman is zo goed dat je vele boeken heel slecht begint te vinden. Dat is althans mijn herinnering aan de eerste keer De man die werk vond, in 1987. Sindsdien heb ik de roman een aantal keer herlezen. Ik heb nog altijd geen enkele reden gevonden om mijn mening te herzien. Alles staat op zijn plaats in dit boek, wat een groot contrast vormt met de loden jaren tachtig, de rommelige periode waarmee Louis Tinner voor eeuwig verbonden zal blijven. Alles behalve de kopieer- en koffiemeisjes bij wie Louis' gepijnigde gedachten enige verpozing vinden - zij zijn ongetwijfeld verdwenen tijdens een sanering. En het motto met haarband van Mark Knopfler uiteraard. Ik heb nooit begrepen waarom die zoetsappige snarenplukker zijn naam achter heeft gelaten in dit prachtige boek.

Een nog groter raadsel blijft het cynisme dat Brusselmans ten laste werd gelegd - een attribuut dat wel op zijn plaats is vanaf de Ex-cyclus uit het begin van de jaren negentig. Een boek als De man die werk vond is veeleer het tegendeel van schaamteloos of ongevoelig. Louis Tinner zuigt de waanzin van de wereld op. Hij verdedigt zich door te incasseren, tot hij knakt. Op het eind valt hij neer op straat, geveld door verveling. Misschien was dit afgrondelijke lot er voor sommigen te veel aan. De immobiele eighties lieten weinig ruimte voor fantasie. Het ging niet goed, maar het zou beter gaan. Helden als de demonische bankier Gordon Gekko uit de film Wall Street (1987) - "greed is good" - beweerden dat de accumulatie van succes en rijkdom ons verlossen zou. Beklemmende braafheid was ook een optie. Het leek of de geschiedenis tot stilstand was gekomen. En aan het eind van de tunnel zou er licht schijnen. Eigenlijk gebeurde er geen reet. De romanfiguur Louis Tinner maakte dat pijnlijk duidelijk.

En dan is er nog het slappe gezeik van het fenomeen Herman Brusselmans. Vooral door voluit te ouwehoeren en sfeervol te bulshitten joeg hij zijn tegenstanders in de gordijnen. En die waren in de jaren tachtig talrijk. "Zijn literatuur is een kaakslag voor honderdduizenden jongeren die op een positieve manier willen werken, een gezin stichten, zich inzetten voor hun jeugdbeweging, voor hun parochie", zei toenmalig CVP-volksvertegenwoordiger Eric Van Rompuy in Humo van 7 september 1989. Van Rompuy had zich in tijdvak vergist. In diezelfde week demonstreerden tienduizenden DDR-burgers voor meer democratie. Een maand later was de muur gevallen en begon er een nieuw tijdperk. "Dat interview was niet mijn beste", verklaarde Van Rompuy vorig jaar in een gesprek met Filip Rogiers. Zoetwaterpessimisten als Van Rompuy hebben nooit begrepen dat Herman Brusselmans de belangrijkste moralist van Vlaanderen is.

Hoe dan ook, Brusselmans veroverde onze akkers en steden vermomd als Mooie Jonge God. In zijn hoedanigheid van lefgozer leek hij alomtegenwoordig. Boekwinkels, kelders, cafés, jeugdhuizen, bibliotheken, Kempense schuren: Brusselmans bracht overal het woord en entertainde het volk. Een affiche van een in oktober 1987 in Leuven door Behoud de Begeerte georganiseerd optreden vat die met volle overgave gevoerde campagne goed samen. Dit is geen aankondiging van een dia-avond over de stilte als metafoor in de Vlaamse literatuur. Hier wordt reclame gemaakt voor een langharige trapezeartiest of voor de reïncarnatie van John Bonham, de oerdrummer van Led Zeppelin. Enkele decennia na de uitvinding van de transistorradio, de vinylplaat en de wahwahpedaal had de popcultuur eindelijk het Vlaamse proza bereikt. Alweer een raadsel: waarom heeft Herman Brusselmans toen nooit een grote literaire prijs gekregen? Grappig, gevat, kwaad, belezen, talent zat, ambitieus en succesvol. Kan een schrijver nog meer doen om op handen gedragen te worden? Spijtig genoeg onderging hij dat gebrek aan 'officiële erkenning' niet zonder moeite, zo blijkt uit interviews die hij in die periode gaf. Nogal wat ernstige mensen hebben toen besloten dat hij geen echte literatuur schreef.

De poster van de Leuvense optredens is ook om andere redenen historisch. De Morgen staat vermeld als sponsor. Het was het eerste boekjaar van de NV De Nieuwe Morgen. Enkele weken na de optredens, op 28 oktober 1987, werd VTM opgericht. Brusselmans vermoedde toen nog niet dat hij jaren later tegen de commerciële omroep ten strijde zou trekken. Zijn Guggenheimer-trilogie is een hilarische aanklacht tegen de geïnstitutionaliseerde lelijkheid en tegen een systeem dat domheid voedt. De razernij in die legendarische boeken staat ver van de haast gestileerde angst in De man die werk vond.

"Het is niet denkbeeldig dat de succesformule die hij nu hanteert vlug dépassé zal zijn, misschien zelfs niet de jaren tachtig zal overleven", orakelde Luc Lannoy in 1998 in het bij het Davidsfonds verschenen boekje Geboekstaafd. Vlaamse prozaschrijvers na 1945. De feiten hebben hem ongelijk gegeven. In het najaar wordt Herman Brusselmans vijftig. De succesformule werkt nog steeds en hopelijk nog zeer lang.

Harold Polis

(Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van 14 februari 2007.)

Geen opmerkingen: