maandag 2 mei 2016

Vermoord door de dood





(Nu toch weer even ernstig: uitvaartgroothandel Dela heeft een top 100 van uitvaartsongs. Er zijn echt dus mensen die zich laten betreuren terwijl Phil Collins, Metallica of Rammstein weerklinkt. Waarom dan niet 'Killed by Death' van Motörhead, hier in een versie uit 1984, opgenomen tijdens een jongerenprogramma van ITV.)

Waarom haatte Heidegger popmuziek? Omdat hij de homo festivus niet goed begreep, de grootste uitvinding sinds de ontstekingsmotor. Op zoek naar de betekenis van dode helden en van een gedateerde popcultuur. 


 
Waarom? Te midden van de honderden brieven, foto’s, treurberen, verwelkte rozen en elegische huisvlijt stond eind december aan de voet van het monument voor de Republiek op de Place de la République een klein stuk bordkarton waarop een onvaste kinderhand de eeuwige vraag had geschreven: pourquoi? 

Aan een kind valt niet uit te leggen wat volwassenen amper vatten. Uiteraard waren er verklaringen te over, die elkaar tegenspraken en van de weeromstuit nog meer vragen opriepen. De volwassen vragenstellers zaten eigenlijk in twee kampen: zij die de schuld bij zichzelf zochten en zij die naar de anderen keken. En dan waren er nog de echte schuldigen zelf, zij die de trekker hadden overgehaald en vervolgens de martelaarsdood hadden gekozen, zoals in de naïeve games waarmee ze waren opgegroeid. De vulgaire domheid van de moordenaars leek in de grote epische West-Europese schuldvraagronde eerder een vergissing, hoewel de dodelijke manipulatie van jonge idioten nauwelijks verbazing kan wekken sinds de door Servische nationalisten gehersenspoelde Gavrilo Princip in 1914 onze wereld op zijn kop zette. Het geweld van de moordenaars van de Bataclan was, in de context van het door miljoenen toeristen overspoelde openluchtmuseum dat Parijs is, eerder grotesk. Net daarom namen de moordenaars in de publieke opinie reusachtige proporties aan, terwijl het bestaan van een vijfde kolonne veel bedreigender blijft.

Te midden van al die woede, wijzende vingers en overslaande stemmen, viel het immers minder op hoezeer de moordenaars deel uitmaakten van een rigoureus nageleefd anti-systeem dat typerend is voor de manier waarop het globale terrorisme zich sinds de Iraanse revolutie van 1979 heeft ontwikkeld. Het gaat, volgens de Franse socioloog Michel Wieviorka, minder om de bloeddorstigheid van religieuze fanatici dan wel om de onmenselijk geworden actie van hen die, tegen de achtergrond van een gerateerde dekolonisatie en de afwezigheid van een perspectief, de mislukking belichamen van maatschappelijke debatten en van institutionaliseerbare conflicten die het samenleven mogelijk maken. Om dat kwaad te beteugelen moet de staat zonder verpinken haar geweldmonopolie inzetten, wat ook volop gebeurt. Bovendien herontdekken we in ijltempo de geopolitieke ratio, moeten we de gebreken van supranationale instellingen als de Europese Unie herstellen en zijn we verplicht om in te zien dat de socio-economische calculus niet alles oplost, laat staan verklaart. Minder vanzelfsprekend is al wat daarna komt, zeker met miljoenen vluchtelingen en migranten voor de deur. Dezelfde Michel Wieviorka publiceerde vorig jaar het essay Retour au sens. Pour en finir avec le déclinisme, waarin hij een pleidooi houdt voor universele waarden en de herbronning van de democratie, en de individuele verantwoordelijkheid boven het determinisme plaatst dat van ons een speelbal van de geschiedenis maakt. Het zijn geruststellende clichés die zeer goed van pas komen als we proberen te beschrijven wat onze samenleving zo bijzonder maakt – naast te veel supermarkten en onnozele tv-programma’s. Alleen krijgen we ze vandaag moeilijker verkocht.
Het recht om zich te vermaken is alleszins een van de universele waarden die het wel goed doen. De globale omzet van de entertainmentindustrie bedroeg in 2015 1,93 triljoen dollar en zal jaarlijks met gemiddeld 5% blijven toenemen. De brede popcultuur is en blijft het symbolische speerpunt van die entertainmentindustrie, als toonbeeld van het hedonisme en de zelfontplooiing waar iedereen op een of andere manier aan verslingerd is. Een deel van de moordpartijen in Frankrijk was net tegen dat luchtige hedonisme gericht – mensen op terrasjes, in een concertzaal en bij een voetbalwedstrijd – een sport die in alle opzichten nauw verweven is met popcultuur. Het is aanlokkelijk, maar verkeerd om in de aanslag op het concert van The Eagles of Death Metal in de Bataclan meer te lezen dan een lukrake terreurdaad op een grote groep mensen die zich op Westerse wijze vermaken. Er is altijd in Europa een onderstroom van pessimisme geweest die net de uitzinnige ontspanningsindustrie aanwijst als oorzaak van onze neergang. Die cultuurkritiek vormt zelf een essentieel onderdeel van het hedonisme dat ze bestrijdt, vooral als ze er niet in slaagt voorbij de karikaturen te kijken. 


(Michel Wievorka gaf aan de ULB een lezing over de aanslagen in Parijs, enkele weken voor Brussel aan de beurt kwam.)

Een van de meest opmerkelijke Europese voorbeelden is de Franse journalist Eric Zemmour, die in Le suicide français de Europese cultuur zwakte en een gebrek aan mannelijkheid aanwrijft, en de brede popcultuur aanwijst als medeschuldige van de ontwikkeling. Overweldigd door aandacht verdween Zemmour, na het immense succes van zijn boek, in dezelfde baan om de aarde waar ook Ziggy Stardust rondzweeft. Enigszins intelligenter was de cultuurkritiek van wijlen Philippe Muray, een chroniqueur en romanschrijver, die in de jaren negentig tot de nieuwe golf Franse reactionaire intellectuelen werd gerekend. Muray muntte het begrip van de homo festivus, een emblematisch type mens dat naar zijn gevoel het best de gemiddelde burger van de post-geschiedenis verpersoonlijkte. Die homo festivus is een aan het internet verslaafd bastaardkind van de spektakelmaatschappij. Muray greep daarmee terug naar de inzichten van de situationist Guy Debord, die een klassieke marxistische interpretatie van de consumptiemaatschappij ontwikkelde. In onze samenleving, zo schrijft Debord, overheerst het spektakel op alle vlakken. Hij noemt het een nieuwe vorm van vervreemding, waarbij schijn en imago belangrijker worden dan materieel bezit. In de plaats van de tastbare werkelijkheid komt er een amalgaam van beelden.


(Alain Finkielkraut praat met Philippe Muray en psychoanalist Charles Melman, tijdens Répliques  van 16 augustus 2005. Muray: 'Er bestaat een industrie van de lofuiting.')

Het blijft lastig om in te schatten in hoeverre zo’n interpretatie niet ahistorisch is. In de lange geschiedenis van de mensheid is het spektakel nooit ver weg geweest, en zeker niet de beelden waaraan mensen zich spiegelen om zich groter of beter te voelen. Bovendien kunnen we het onszelf moeilijk ten kwade duiden dat we ons ook proberen te ontspannen en verlangen naar lichtvoetige onzin. Niet dat verlangen is de grote ontwikkeling van onze tijd, maar wel de totale democratisering van die ontspanningscultuur en de manier waarop onze obsessie met zelfverwezenlijking er zich op ent. En dat laatste wordt sinds de komst van de televisie door velen als een historische vergissing ervaren, waarvan de negatieve gevolgen nog erger zijn dan het pathetische individualisme dat het geloof in transcendente verhalen verving. ‘Onze hoop zal pas kunnen beginnen wanneer de arbeiders van Turijn en Milaan ook beginnen te strijden voor een reële democratisering van het fascistische apparaat genaamd televisie’, schreef Pier-Paolo Pasolini. ‘Zolang iedereen, bourgeois en arbeiders, samentroept voor zijn televisie om zich op zo’n manier te laten vernederen, rest ons niets anders dan de onmacht van de wanhoop.’
Uiteraard is het zo dat, zoals Muray zeer overtuigend beschrijft, lach en ernst gefuseerd zijn tot een onontwarbaar kluwen, maar vormt die paradoxale eenheid nu net niet de kern van de westerse traditie sinds Plato? Terwijl we klagen dat er traditie, kennis en cultuur verloren gaat, zou het best kunnen dat we onze voorgangers toch op de hielen zitten. Toegegeven, veel zin voor pudeur, distantie en fijnzinnigheid komt er bij de homo festivus niet altijd aan te pas. En zelfverwezenlijking beperkt zich allang niet meer tot het aanbidden van klassieke artistieke vormen – gesteld dat mensen nog de kennis hebben om die te kunnen interpreteren. Het verfoeide hedonisme behelst allerlei vormen van storend burengerucht, misbruik, zelfverminking, verstikkend conventioneel groepsgedrag, en georganiseerde domheid, maar evengoed een niet te stuiten drang naar waarheid, zelfkritiek, altruïsme en zelfs transcendentie of idealisme – zij het niet al te diepzinnig. En dit alles tot en met de typisch westerse drang naar een grote, alles verklarende oplossing en de daaropvolgende ontgoocheling wanneer het blijkt dat er geen definieerbaar eindpunt is, behalve het eigen sterven. Een ontgoocheling die we, afhankelijk van onze persoonlijke inzichten, proberen te temmen door er een mysterie of een rationele waarheid van te maken. Die ontgoocheling is net zo goed aanwezig in de popcultuur als in de filosofische traditie waarvan we het afsterven en uitdoven hete tranen plengend betreuren. 


(Het laatste tv-interview met Pasolini, 31 oktober 1975.)

‘Dit is de manier waarop populaire cultuur werkt: je laat het toe om jezelf ervan te overtuigen dat je een werkelijkheid deelt die niet bestaat’, schrijft de Amerikaanse popcriticus Chuck Klosterman. Dat was overduidelijk het geval toen onlangs Lemmy Kilmister en David Bowie er het bijltje bij neerlegden. Bowie was de man die van popcultuur een theatrale act heeft gemaakt. Iets dat bedacht en in elkaar geknutseld is, opgeblazen en pompeus, maar oprecht in zijn onechtheid. Dollend met de grenzen van de geloofwaardigheid, maar veelzeggender dan menige poging tot journalistieke tranche de vie. Ook Lemmy Kilmister, de zanger/bassist van de karikaturale Britse metalband Motörhead, was een op het eerste gezicht minder vanzelfsprekend, maar niettemin typisch geval van doorsnee Westerse popcultuur. De man was naar eigen zeggen in de entertainmentindustrie beland omdat hij niet in de fabriek wilde werken en had een redelijk succesvolle carrière uitgebouwd als leider van een metalband die, als je de songteksten leest, de onvoorwaardelijke menselijke vrijheid predikte. In ‘Orgasmatron’, een van de meer reflexieve songs van Motörhead, brult Kilmister zijn afschuw uit voor oorlog, godsdienst en corrupte politiek. Het is niet zo verwonderlijk dat Kilmister in de luwte bekend stond om zijn sympathie voor Margaret Thatcher en als een enthousiast lezer van historische non-fictie. Een aantal songs van Motörhead gaat expliciet over de Tweede Wereldoorlog. Kilmister droeg ook te pas en te onpas Duitse militaire insignes, in een aandoenlijke poging om vulgariteit te vermommen als ironie. Motörhead was, net als zovele andere metalbands, bij uitstek een groep die een totaal onnozel universum opriep waarin fans zich aan escapisme te buiten konden gaan. Tenzij je, zoals Kilmister zelf, koketteert met allerhande verslavingen, hoeft dat geen schadelijk gedrag op te leveren. Het probleem wordt wat groter als je niet uit de tijdelijke werkelijkheid kan stappen waarvan je weet dat ze niet echt is. Het is net op dat tekort aan zelfbewustzijn waar cultuurcritici van diverse pluimage hameren. Net zoals de televisie wiegt popcultuur ons in slaap. Wat echter voor The End of History and The Last Man van Francis Fukuyama geldt, is ook waar voor een hele bibliotheek naoorlogse cultuurkritiek: ze zijn enigszins achterhaald door de feiten. In de context van 1992 blijft The End of History and The Last Man een essentieel boek, maar sindsdien heeft de geschiedenis zich in haar volle tragiek aan ons getoond en de liberale democratie in al haar kwetsbaarheid. Motörhead en David Bowie zijn dode helden van een gedateerde popcultuur. En de homo festivus is een kwaaie burger geworden die steeds minder begrip toont voor de democratische slakkengang waarmee individuele staten, en de Europese Unie als aggregaat, worden bestuurd. 

De Motörheadsong ‘Killed by death’ wijst dan weer op een ander probleem dat aan de homo festivus wordt toegeschreven: naturalistische mystiek. De songtekst zelf is allerminst samenhangend, en zonder meer slecht, maar het beeld dat de titel oproept fascineert des te meer. De tautologie ‘Killed by death’ symboliseert de verraderlijke leegheid en de kinderlijke parler vrai van popcultuur: kun je op een andere manier sterven dan door dood te gaan? Het is maar wat het is, maar het is wat het is. De dingen en mensen rondom ons hebben een betekenis die niet in het verleden of de toekomst ligt, maar in het zijn dat een worden is. De mythe dat popcultuur haar roots heeft in de authentieke ellende van blinde, eenarmige blueszangers in de delta stelt velen gerust. Minder opbeurend is misschien het besef dat de meeste popmuziek een aftandse variant van de ontologie van Heidegger van een soundtrack voorziet. Heidegger zelf haatte popmuziek (en televisie), plukte liever paddenstoelen, maakte boswandelingen en ging vroeg naar bed. De manier waarop de mens volgens Heidegger tegen het leven aankijkt – de staat van geworpenheid van de mens, de angst die ermee gepaard gaat en de poging om voluit te kunnen zijn – is fundamenteel onbevredigend. In de eerste plaats omdat Heidegger zelf er nooit echt in is geslaagd om dat zijn volledig zonder transcendentie te beschrijven. Mogelijk is die onuitwisbare transcendentie voor Heidegger een aanleiding geweest om ethiek buiten zijn denken te houden en de suggestie van een noodlot als oplossing naar voren te schuiven – wat alleszins voor hemzelf de mogelijkheid openhield om te zwijgen over zijn steun aan het naziregime die van hem ten eeuwigen dage een bedenkelijk man zal maken. 


(VPRO-documentaire over Frank Zappa & The Mothers uit 1971. De vraag of Heidegger de Frank Zappa van de filosofie is, wordt hiermee klaar en helder beantwoord.)

De naturalistische mystiek van de popcultuur wordt nog versterkt door de technologische ontwikkelingen waaraan ze altijd schatplichtig is geweest. Onze gewenning aan de digitalisering was nooit zo groot geweest als ze geen gebruik had kunnen maken van de popcultuur, onze eerste collectieve oefening in het downloaden. Uiteindelijk zijn we op het punt aanbeland waarop de digitalisering ook in cruciale sectoren de tussenpartij zal schrappen en ons nog meer de indruk zal geven dat we het concrete en maakbare persoonlijk kunnen beheersen, alsof alles samenkomt in een voor ons op maat gemaakt universum waar entertainment, e-commerce en waarheid samenvallen. De implosie van de taxi- en de hotelsector is niets vergeleken bij wat er zich op dit moment in de aanloop tot de Amerikaanse verkiezingen afspeelt, waar de Facebook- en Twitteraccounts van Donald Trump de gevestigde machten en de reguliere media – vooralsnog de tussenpartij in onze democratie – zo goed als irrelevant maken. Trump, die jaren heeft gebouwd aan zijn sterrenstatus, gebruikt sociale media om op verrassend succesvolle wijze een intieme band op te bouwen met zijn publiek. Marketeers, mediaprofessionals en beroepspolitici: niemand kan volgen wat hen overkomt. Het algemeen belang zoals het tot voor kort werd vormgegeven door een kibbelend tweepartijstelsel verkruimelt onder druk van een intens toegenomen tribalisering van de Amerikaanse politiek. Het publiek dat de scheldende, patserige en ronduit racistische Trump op handen draagt, ervaart die aanbidding als een bevrijding van oudbakken, op compromissen beluste beleidsmakers die alle voeling hebben verloren met de alledaagse besognes. Eenvoudiger kan politiek niet zijn: Trump vult schermen, stadia en grasvelden, terwijl zijn opponenten zich tevreden moeten stellen met denktanks, debatten en praatgroepen. Begeestering en politiek kapitaal werden tot voor kort ook gemeten in redenaarskunst, bestuurlijke ervaring of beleidsverwezenlijkingen. Trump bezit geen van die drie eigenschappen. Guy Debord zou dat overigens geweldig vinden, aangezien hij uitvoerig heeft gepleit voor een radicale, directe democratie. Het lijkt erop dat het verbouwen van de representatieve democratie de ultieme wraak van de homo festivus kan worden. Als het zover zou komen valt het alleszins te hopen dat er geen Motörhead uit de boxen weergalmt. Transcendentie of niet: de homo festivus is niet alleen kwaad, maar ook zeer wakker. Er is een tijd geweest dat Europa de wereld bevolkte, maar het tijdperk lijkt aangebroken dat de wereld Europa zal bevolken. De burger ontdekt, samen met zijn beleidslui, dat er geen plan is. Alleen een vraag.


(Op de koop toe laat hij aan het eind van zijn rally's hij de aria 'Nessun dorma' uit Puccini's Turandot spelen - versie Pavarotti uiteraard.)

Waarom? De vraag op het stuk bordkarton aan de voet van het monument voor de Republiek op de Place de la République blijft open. Het antwoord ligt zeker niet in de nabij gelegen concertzaal Bataclan, waar Motörhead vaak heeft opgetreden. Tenzij je ermee akkoord gaat om te denken dat een gebrek aan werkelijkheidszin en aandacht het mee mogelijk hebben gemaakt dat het globale terrorisme om de hoek kon toeslaan. Onze vrede heeft zolang geduurd dat we uit het oog zijn verloren dat ze altijd gewapend is, tragiek niet kan uitsluiten, allerminst teruggaat op een natuurwet en niet wordt beveiligd door de globale economie die iedereen afhankelijk van elkaar maakt. Naast een zeer pragmatische politieke beleidsvoering staat het Westen voor de epische uitdaging om uit chaos en miserie een iets goeds te distilleren. Dat zullen ook, en misschien zelfs in de eerste plaats, ideeën moeten zijn die een nieuwe taal en vorm nodig hebben. Het is allerminst de eerste keer dat we op dat punt zijn aanbeland. Na de vernietiging van Europa tijdens de dertigjarige oorlog ontwierp de generatie van Descartes het moderne rationalisme als nieuwe taal om te communiceren en de wereld opnieuw op te bouwen. Na het einde van de Tweede Wereldoorlog hebben we een systeem bedacht dat welvaartscreatie en persoonlijke rechten zo goed mogelijk heeft beveiligd en verdeeld. Vandaag is het zaak om een manier te verzinnen waarmee we de staat redden van het failliet, de integriteit van onze liberale rechtsstaat – en vrijheden vrijwaren, de persoonlijke veiligheid garanderen, en rechtvaardig en billijk omgaan met elkaar en onze toenemende wederzijdse verschillen.


(De integrale verfilming door Guy Debord zelf van zijn La société du spectacle, 1973. Niet meteen flitsende cinema, maar het zijn dan ook de jaren zeventig.)

(Dit stuk verscheen in het maartnummer 2016 van Streven.)

Literatuur

Guy Debord, De spektakelmaatschappij, IJzer, 2015.

Philippe Muray, Après l’histoire, Gallimard, 2007.

Chuck Klosterman, Killing yourself to Live. 85% of a True Story, Scribner, 2006.

Pier-Paolo Pasolini, Contre la télévision et autre textes sur la politique et la société, Les solitaires intempestifs, 2003.


Geen opmerkingen: