woensdag 22 oktober 2008

Up yours too, Michel Houellebecq!


(Hier links Houellebecq op 9 juni in Warshau. Vrijdagavond 10 oktober bij Café littéraire droeg hij dezelfde jas.)

Vrijdagavond 10 oktober geen seconde gemist van Café littéraire, het nieuwe literatuurprogramma op France2. Daniel Picouly is uiteraard een onovertroffen slijmbal die zijn gasten ophemelt tot ze spontaan beginnen te leviteren. Maar hij behandelt de kijker niet als een onnozelaar. Dat is vandaag al heel veel, Walter Grootaers. Bovendien spreekt Picouly zeer aangenaam Frans, wat altijd te verkiezen is boven beschaafd Liers. Die Picouly had midden oktober Michel Houellebecq en Bernard-Henri Levy in de uitzending. Beide mannen hebben samen een boek geschreven, Ennemis publics, waarin ze elkaars leven en werk ontleden. Een onwaarschijnlijke combinatie die twee, de afgelikte nouveau philosophe versus de cassandra van de middenklasse.

Ik heb het boek besteld en dus nog niet gelezen, maar ik ben zeer nieuwsgierig of de ijdeltuiterij van Levy en Houellebecq op papier werkt. Ondanks zijn inzet voor de honger in Afrika en andere wereldrampen is Levy allesbehalve een aangenaam mens. Zo'n type dat met geheven vinger roept dat het gaat regenen wanneer de druppels al vallen. Hij is best tot rake inzichten in staat (zoals zijn dissectie van druilerig links in Ce grand cadavre à la renverse), maar kan de eigenwaan niet laten. En Houellebecq, tja, die is vooral zichzelf. Met andere woorden, je verstaat hem amper. Walter Grootaers had zeker geroepen: 'Staat de micro niet aan, Michelleke?' In Frankrijk valt men de goden van de Parnassus echter niet lastig.

Of net wel? Levy en Houellebecq gingen maar door over de aanvallen op hun integriteit. 'Het probleem tegenwoordig', zei Houellebecq, 'is dat de mensen zo onbeschoft zijn.' Levy was één en al begrip en hekelde het boek dat de moeder van Houellebecq, Lucie Ceccaldi. over haar zoon had geschreven. Ceccaldi, die haar zoon consequent 'rejeton' noemt en niet 'fils'. Als zeer vermogend beheerder van venootschappen is Levy ook niet altijd vrij van kritiek gebleven. En toen het over de rechtszaken ging die Houellebecq wou aanspannen, riep Levy plots uit dat ze het duel weer moesten invoeren. Dat was tenminste nog een gezonde manier om een conflict te beslissen. Geen gedoe of tijdverlies. Gewoon het musket vastnemen en pang. Michel fluisterde haast onhoorbaar dat hij de rechtbank verkoos.

Eerder dit jaar overigens organiseerde uitgever Luc Pire op de Foire du Livre in Brussel een gevecht in regel met Thomas Gunzig. Auteursrechten vormden toen de inzet van het handgemeen. Het duel in het boekenvan is dus bezig aan een comeback. Gelukkig ontsnap ik de dans, want ik mag als ex-gewetensbezwaarde levenslang geen wapens dragen.

maandag 6 oktober 2008

Over de toekomst van het tijdschrift

Dromen van papier

Alles gaat digitaal. Daarover valt niet te redetwisten. En wat dan nog? Tien jaar geleden hebben we die discussie al eens gevoerd. Toen konden we schouderophalend doen alsof de literaire cultuur aan de digitale revolutie zou ontsnappen. De hyperventilerende nieuwlichterij in tijdschriften als Wired en bij schrijvers als Douglas Coupland vormde hoogstens een prachtig vormgegeven gimmick. De autistische wereld van de schermslaven van Microsoft die Coupland beschreef in zijn klassieke roman Microserfs is vandaag echter de universele norm geworden. En de literaire cultuur zelf zit verkeert in zwaar weer. Al was het maar omdat er steeds meer mensen opgroeien voor wie de papieren cultuur volslagen irrelevant is. Bovendien slagen we er niet voldoende in om onze literaire en culturele traditie opnieuw uit te vinden. In die omwenteling worden alle gedrukte media meegesleurd, ook de literaire en culturele tijdschriften.
Poëziemagazines zoals het Australische Jacket magazine bestaan uitsluitend online. Van de ruim driehonderd Engelse poëzietijdschriften is er een tachtigtal dat geen papier meer gebruikt. Poëzie is productneutraal en heeft het bij elke technologische overgang gered, van het papyrus tot de e-inkt. En nu in elk taalgebied het afscheid van de oude boekencultuur wordt voorbereid, staat de digitale versie van de poëzie klaar om tegemoet te komen aan de wensen van de lezer. Het circuit van poëzietijdschriften heeft nooit een enorme omvang gehad, maar sinds de poortwachters van de papieren poëziebastions in ijltempo hun macht verliezen, explodeert de beschikbare hoeveelheid poëzie. Rond 2000 schreven meer dan een miljoen Nederlanders regelmatig een gedicht. Om zich werkelijk schrijver te kunnen noemen, hadden ze vroeger het imprimatur nodig van een lezer, redacteur of een uitgever die met symbolische literaire macht bekleed was. Die toverspreuk is niet meer nodig. Iedereen pleurt zijn teksten in massale hoeveelheden op het internet of bestelt een aantal kopieën via een printing on demand-aanbieder. Een ISBN-nummer is gratis. De stap naar het schrijverschap heeft niets meer om het lijf. Slechts een fractie van die teksten komt in de boekhandel te liggen en krijgt aandacht in de reguliere media. Niet eerder in de geschiedenis hebben we zo ontzettend veel gedichten kunnen publiceren – wat niet betekent dat al die teksten ook worden gelezen. De gedachte alleen al dat het klassieke tijdschrift in die omstandigheden nog nodig zou zijn, lijkt elke verbeelding te tarten. Waarom zou het begeleiden van debutanten, het publiceren van waardevolle teksten, of het legitimeren van schrijvers en opinies beperkt blijven tot slecht verdeelde papieren tijdschriften met een minuscuul lezersbereik en een prehistorische publicatiefrequentie? Uiteraard biedt de literatuurgeschiedenis ronkende tegenvoorbeelden. In een historische poging om het grote publiek te bereiken bracht het Nieuw Wereldtijdschrift literatuur in magazinevorm. Die cruciale NWT-jaren (1984-1997) waren bijzonder invloedrijk, maar leverden ook het bewijs dat een als magazine vermomd literair tijdschrift het gewoon niet haalt. Het grote publiek negeerde het nicheblad NWT, ook omdat alle reguliere printmedia in die periode definitief ontzuilden en zich als magazines begonnen te gedragen: lange reportages, artistieke zwartwitfotografie, columns, diepte-interviews (met schrijvers), baljurken, champagne en esthetisch verpakte ellende. Vandaag is de aanwezigheid van literatuur, essay en kritiek in kranten en tijdschriften echter zo efemeer geworden, dat het belang van gedrukte en online nichebladen toeneemt.
In de gangbare theorie over de implosie van de gedrukte media zou het poëzietijdschrift er beter voor staan dan de generalistische krant. Het zijn de kranten die ten dode opgeschreven staan, niet de nichebladen. In 1961 kon wijlen Arthur Miller nog beweren dat ‘a good newspaper, I suppose, is a nation talking to itself’. Het is een uitspraak die thuishoort in het museum. Wereldwijd bezitten de reguliere media niet meer het monopolie op de gedeelde ervaring, de humanistische uitwisseling van ideeën of de vorming van het collectieve geheugen. Bovendien daalde tussen 1990 en 2004 het aantal werknemers in de Amerikaanse krantenindustrie met 19%. Het percentage is ontleend aan The vanishing newspaper, een uitmuntend helder boek waarin Philip Meyer de reeds geterroriseerde printindustrie nog meer nachtmerries bezorgde. Meyer voorspelt dat de laatste krant in het eerste kwartaal van 2043 in de bus valt.
Voor Europese landen zijn er geen vergelijkbare cijfers voorhanden – en misschien is dat maar beter. Al wie de laatste drie decennia mediageschiedenis enigszins kent, herinnert zich de accumulatie van bloedbaden bij stopzettingen, fusies en een eindeloze reeks herstructureringen. In Vlaanderen vormen de CIM-cijfers (persmetingen van het Centrum voor Informatie over de Media) van Gazet van Antwerpen een ideale barometer: die dalen al ontelbare jaren op rij. Het afremmen van het lezersverlies is vaak de enige zinvolle optie. Onderzoek naar lezersprofielen van Nederlandse kwaliteitskranten brengen dan weer steevast aan het licht dat de abonnees ouder worden en eenvoudigweg doodgaan, wat weinig opbeurend nieuws is in een markt die vooral draait op abonnementen. In België daarentegen is de losse verkoop koning en kunnen lezers via krantenwinkels geprikkeld worden met schelpen, kralen en talloze bonnenacties.
Het succes van de krant als kermiskraam verhult echter de fundamentele malaise van de gedrukte media. Mediawatcher Eric Alterman citeert in een recent essay in The New Yorker Bill Keller, de executive editor van The New York Times: ‘At places where editors and publishers gather, the mood these days is funereal. Editors ask one another, “How are you?,” in that sober tone one employs with friends who have just emerged from rehab or a messy divorce.’ En dat terwijl Kellers The New York Times als een van de meest dynamische kwaliteitskranten de moed heeft getoond om online volledig gratis te worden, in een poging om lezers, pageviews en advertentiedollars te vrijwaren. The New York Times is het bezit van een beursgenoteerd uitgeversbedrijf dat aandeelhouderswaarde tracht te creëren en dus niet uit idealisme handelt. En toch staat hier geen fout: de onlinekrant is al enkele maanden volledig gratis.

Als The New York Times, nota bene een commercieel product, gratis is, waarom zou je dan betalen voor een poëzietijdschrift? En waarom geeft Streven zichzelf niet voor nop weg? Literaire en culturele tijdschriften benaderen de kosteloosheid, maar zitten in een unieke positie: hun bestaan is niet verbonden aan reclame. Als je de werkelijke kostprijs per exemplaar zou berekenen, dan is zo’n tijdschrift eenvoudigweg onbetaalbaar duur. Daarom krijgen de bladen relatief veel geld toegestopt door de gemeenschap. En kunnen ze uitsluitend overleven door het onvermijdelijke liefdewerk. Dat zal nooit anders zijn. Discussies over het geringe bereik van gedrukte tijdschriften zijn puur tijdverlies en voeden zelden meer dan de eigenwaan of het cultuurpessimisme van de vraagsteller. De meest recente opflakkering van dit gejeremieer vond plaats in Nederland nadat NRC Handelsblad op 15 februari een oproep lanceerde om de vaderlandse literaire tijdschriften te saneren: hun bereik is zo gering geworden dat ze zich beter zouden hergroeperen. Niet zozeer die volstrekt legitieme vaststelling roept vragen op, als wel de discussie die losbarstte. In het Cultureel Supplement werden reacties van De Revisor, De Gids en Bunker Bill geplaatst op het stuk van journalist Karel Berkhout. Veel boosheid en minachting vloeide weg naar blogs en discussiefora. Maar de digitale omwenteling zelf kwam slechts zeer terloops aan bod. Er is geen beter voorbeeld te vinden van wat Geert Joris, algemeen directeur van Boek.be, ‘Glaubensunwilligkeit’ noemt: de onwil om te geloven in de onvermijdelijke komst van het digitale boek en van de digitale leescultuur. Hopelijk gaat het ook echt om onwil, en niet om een uiting van reactionair fetisjisme, een tekort aan ondernemingszin of een gebrek aan kennis. In die drie laatste gevallen zou de literaire cultuur zichzelf immers veroordelen tot de volstrekte marginaliteit. Onwil kun je daarentegen nog corrigeren. Soms.
Web 2.0 beheerst ons leven, maar tijdschriften en magazines lijken de dans te ontspringen: ze houden hun lezers bij, zijn beter bestand tegen de erosie van de advertentiemarkt en moeten dus minder compromissen sluiten om te overleven. Er zijn tal van sterk uiteenlopende verklaringen voor dit fenomeen, maar de eerder aangehaalde Philip Meyer wijst op het succes van specialisatie. Hoe beter je je doelgroep kunt omschrijven en hoe trouwer je magazine de redactionele missie uitvoert, des te groter is de kans dat je ook mensen vindt die er geld voor willen geven. Vaak wordt daaraan toegevoegd dat magazines ook beter kunnen inspelen op het verlangen van lezers naar een object. Magazines worden vormgegeven, ontworpen en dies meer. Kranten daarentegen zijn niet meer dan met inkt besprenkeld dood hout – ondanks of eerder dankzij het feit dat de krantenvormgeving lijdt aan permanente revolutie. In het slechtste geval heb je een volstrekt zinloos tijdschrift dat uitsluitend achterhaalde teksten bundelt. In het beste geval klopt die redenering volledig, zoals bij het ronduit fantastische Monocle. Dat magazine werd in februari 2007 opgericht door de legendarische bladenmaker Tyler Brûlé, die eerder het qua stijl al even richtinggevende blad Wallpaper had gemaakt. Monocle, dat eerder op een boek dan op een tijdschrift lijkt, omschrijft zichzelf als ‘a comprehensive global briefing under a single editorial brand’.
Monocle draait dus op het oude verhaal van de grootste talenten uit de universele eredivisie van de journalistiek die samenkomen om kunstjes uit te voeren. Overal in de westerse wereld wordt er nog volop geld geïnvesteerd in zulke vehikels. Papierfetisjisme is echter een afwijking met een versheiddatum. Vooraleer de haan drie keer heeft gekraaid zullen de meeste lezers hun leesvoorkeuren loskoppelen van het klassieke gedrukte object, het boek of het tijdschrift. De Amerikaanse publicist Jeff Gomez beschrijft in het essentiële Print is dead. Books in our digital age hoe razendsnel die dematerialisering zal gaan. Zodra er een valabele, aantrekkelijke en betaalbare e-bookreader wordt aangeboden, zal het verzamelde westerse consumentendom meteen zo’n exemplaar willen. Of zijn we allen vergeten hoe razendsnel iedereen een iPod had? Vandaag heb je al redelijk luxueuze toestellen, zoals de iLiadreader of de Kindle. En het aanbod e-books neemt fors toe. Misschien speelt het ontbreken van een universeel format de dematerialisering van het boek nog wat parten, maar veel meer dan een uitstel van executie is het niet. Digitaal lezen is in technisch opzicht een koud kunstje. Schermslaven doen nu al niets anders. En bovendien denkt er niemand meer dat Rome en Frankfurt zullen verpulveren als straf voor de dematerialisering van de literatuur. In het aprilnummer van Lire geeft schrijver Frédéric Beigbeder schoorvoetend toe dat het elektronische boek geen fictie meer is: ‘Honnêtement je n'arrive encore pas à décider si ce sera le sommet du ridicule, ou un luxe extraordinaire, ou la fin du monde.’

Uiteraard is die ommezwaai onze cultuur fundamenteel aan het veranderen. In het intussen beruchte rapport To read or not to read van de National Endowment for the Arts wordt met harde feiten aangetoond dat de digitalisering wel degelijk tot ontlezing leidt. De hedendaagse lezers, en vooral de exemplaren die na de val van de Muur zijn geboren, bewegen zich als digitale inboorlingen die hun weg moeten zoeken in de chaos. Het internet is een onintelligent geordende puinhoop waar niemand op dezelfde manier zoekt en vindt. Die ontastbare onduidelijkheid heeft het voordeel dat mensen verplicht worden om zelf op pad te gaan. Het nadeel is dan weer het verdwijnen van ijkpunten, richtingaanwijzers en vaste waarden. De kans is veeleer gering dat zo’n jeugdige digitale inboorling de papieren bibliotheek als startpunt neemt van een zoektocht naar literaire verwantschappen en publicatiemogelijkheden – wat overigens geldt voor alle vormen van ontspanning, entertainment of kennisoverdracht. Bovendien is de digitale inboorling geen eenduidige lezer of consument, maar een prosumer, iemand die tegelijkertijd consumeert en produceert, leest en meeschrijft. Wellicht is dat het belangrijkste inhoudelijke gevolg van de digitale revolutie die zich onder onze ogen voltrekt.
In The New York Times vertelde professionele blogster Emily Gould onlangs het relaas van haar heftige en korte blogcarrière die tot nationale bekendheid leidde. Op het moment dat ze bezweek onder de immense druk die haar rol met zich meebracht, kreeg ze dagelijks honderden antwoordmails en geposte commentaarstukken. Memorabel is de manier waarop Gould haar werkmethode reconstrueert: een virtueel gesprek met duizenden mensen die meedenken, tips geven, kritische commentaar leveren. Gould heeft met andere woorden in haar eentje het klassieke redactiewerk heruitgevonden. Dat eindeloze gesprek is het begin en het einde van elke succesvolle redactie. Het maken van inhoudelijke keuzes en het onder woorden brengen van de argumenten die tot keuzes hebben geleid: ook in een papierloos universum zal dat de kern van de zaak blijven.
Tot voor kort werkten gedrukte media in een gesloten circuit waarvan de output altijd een object was dat te koop werd aangeboden. Alle stadia in het redactie- en productieproces vonden als het ware achter gesloten deuren plaats. Dat was de ultieme fase van de omwenteling die Gutenberg teweeg had gebracht: de rimpelloze orde. Zetters voelden zich niet geroepen om een editoriaal te herschrijven. Net zomin als lezers de macht hadden om te bepalen welk nieuws er werd gebracht. En de schrijvers, die zaten ergens te schuilen op een veilige plek in de bedrijfskolom. Vandaag is die orde een steeds vager wordende toestand. Wereldwijd lopen de inkomsten van gedrukte media terug. Alle uitgevers zijn, de ene al wat wanhopiger dan de andere, op zoek naar een manier om het verloren marktaandeel terug te winnen, liefst op een manier die ook geld opbrengt. Dat valt echter vies tegen. Dit belooft voor het moment dat de digitale omwenteling de boekenwereld definitief verandert.
Uiteraard is het duidelijk wat wel werkt: de prosumer plezieren en zijn impulsen gebruiken om het publieksbereik te vergroten. Dat is bijvoorbeeld gebeurd bij de meesterlijk gevoerde marketing rond de Harry Potter-boeken, waarbij orthodoxe fans op tal van manieren werden gesteund bij het belijden van hun Pottergeloof. Een ander voorbeeld zijn de tijdschriften en kranten voor de massamarkt; die zijn verworden tot cadeaupakketten. In combinatie met die weggeefdrift hebben printuitgevers sites en communities gebouwd waar lezers voortdurend bij de les worden gehouden. Want de lezer is extreem ontrouw geworden. En bovendien verwacht hij in toenemende mate dat informatie gratis beschikbaar is.
In het tweede deel van de jaren negentig heeft de muziekindustrie slagzij gemaakt, en nog steeds zitten de muziekuitgevers, die voormalige kolossen met universele geldingsdrang, in het nauw. Hun industrie is eenvoudigweg geïmplodeerd. De neergang begon vanaf het moment dat muziekopnames niet meer noodzakelijk op een fysieke drager hoefde te staan. Niemand had voorzien dat downloaden zo snel zo’n universeel succes zou worden. Voor de digitale inboorling is het idee dat iemand geld zou geven in ruil voor een schijfje met enkele liedjes volslagen idioot. Het is alsof je iemand die gewend is te fotograferen met zijn gsm zou verplichten om een daguerreotype te maken.
Wat kan een cultureel maatschappelijk maandblad als Streven daar tegenin brengen? Een redactie, inhoudelijke keuzes, kritische zin en een ouderwets traag publicatieritme, zodat er teksten en onderwerpen aan bod komen die geen plek meer krijgen in de reguliere media. Iedereen moet zich de culturele metamorfose van het begin van de eenentwintigste eeuw eigen maken. Hoe sneller, hoe beter. Die opdracht geldt eigenlijk nog intenser voor een blad dat niet extreem te lijden heeft onder de commerciële druk die zo’n paradigmawissel veroorzaakt: gebruik de technologische innovatie ten goede. De andere optie is de vergetelheid. Het grote niets wenkt voor alles en iedereen die niet digitaal zal bestaan. Uiteraard lijdt die verlatingsangst soms tot imbeciele acties, zoals uitgeverij Penguin die experimenteert met interactieve fictie. Auteurs sturen korte verhalen rond via Google Earth, blogs en… Twitterberichten. Maar het zet de zaken op scherp. Als je vindt dat de oude (literaire) cultuur in de marge thuishoort, ga dan vooral niet online.
In 1938 van de vorige eeuw schreef de romantische reiziger Arthur van Schendel in De wereld een dansfeest dat het leven een ritmisch probleem is. Die echo van Henri Bergson, voor wie ‘le mouvement est la réalité même’, klinkt vandaag zwakker, omdat onze beschaving ouder en melancholischer is geworden; het venster op de wereld biedt voor ons al te vaak een blik op wat we achter ons hebben gelaten. Maar dat is gezichtsbedrog. Alles moet opnieuw, dus ook het kantiaanse verstandshuwelijk tussen mechanisme en vitalisme, tussen mens en techniek. Het nadenken over die omwenteling en de gevolgen ervan voor cultuur, samenleving en economie moet nog meer dan vroeger ook gebeuren op plekken waar er een redactionele dynamiek bestaat en kritische distantie wordt nagestreefd. Laat het leven dan maar, veel meer dan vroeger, een communicatief probleem zijn, met een heterogener en virtueler publiek. Een tijdschrift als Streven kan daar alleen maar zijn voordeel mee halen.

Harold Polis

Bronnen

Eric Alterman, ‘Out of Print. The death and life of the American newspaper’, The New Yorker, 31 maart 2008.
Frédéric Beigbeder ‘Le livre est mort, vive le livre?’, http://www.lire.fr/chronique.asp/idR=142/idTC=11/idC=52222
Karel Berkhout, ‘Oprollen die bende’, in NRC Handelsblad, 15 februari 2008 (http://www.nrc.nl/kunst/article937127.ece/Oprollen_die_bende).
Jeff Gomez, Print is dead. Books in our digital age, Hampshire, 2007.
Emily Gould, ‘Exposed. What I gained – and lost – by writing about my intimate life online’, The New York Times Magazine, 25 mei 2008.
Philip Meyer, The Vanishing Newspaper. Saving Journalism In The Information Age, Missouri, 2004.
Het rapport ‘To Read or Not to Read’ kun je downloaden op http://www.nea.gov/research/toread.pdf
De referaten van de studiedag Uitgeverij, boekhandel en bibliotheek in de digitale wereld: partners of opponenten? kun je downloaden op http://www.boek.be/Nederlands/Home/boekbe/page.aspx/1062
http://jacketmagazine.com/00/home.shtml
http://www.poetrylibrary.org.uk/magazines/
www.monocle.com
www.wetellstories.co.uk
http://www.wolfmagazine.co.uk/

(Dit stuk verscheen eerder in het jubileumnummer van Streven, oktober 2008.)

maandag 15 september 2008

De macht van het getal

(Het wafelijzer: een instrument dat de Belgische politiek heel wat diensten heeft bewezen.)



Over Greep naar de markt van Olivier Boehme

Ook de afgelopen maanden, tijdens de meest afgrondelijke dieptepunten van de crisis die de Belgische federatie in haar greep houdt, ratelden de rekenmachines ononophoudelijk. Het is een van de vermogens die de mens blijkbaar het laatste verliest, nadat alle andere vormen van redelijkheid verdwenen zijn: het vermogen om te rekenen. En dus is iedereen van het laagste tot het hoogste bestuursniveau druk aan het calculeren geslagen. Ook tal van belangengroepen, denktanken en studiekringen hieven samen dit meerstemmige lied van het grootst mogelijke voordeel aan. Je pleegt geen karaktermoord op de moderne mens als je stelt dat de tijden nu eenmaal geen ruimte laten voor een overschot aan solidariteit en belangeloosheid. In het beste geval, zoals vele onderzoeken naar betrokkenheid in gezinsverband uitwijzen, is ons engagement van intentie veranderd. We helpen niet meer omdat het moet, maar omdat we willen. In het slechtste geval kiezen we voor een overspannen utilitaire aanpak, waarbij het moreel goede eenvoudigweg de maximalisatie van het geluk betekent of het optellen van de morele kwaliteit van de gevolgen. Die calculus speelt ook in elk communautair debat een rol.
Toen in mei jongstleden een rondvraag bij Vlaamse huisartsen aan het licht bracht dat een belangrijke minderheid van hen rokers uit de sociale zekerheid wil weren, werden dezelfde argumenten gehanteerd die het communautaire debat over gezondheidszorg ondoorzichtig maken. Een bij voorkeur lineaire kostenbesparing vormt daarbij het belangrijkste criterium. De suggestie luidt dan dat het wegknippen van Wallonië en Brussel geld spaart, wat de facto goed is voor de Vlaming. (In zowat alle andere communautaire debatten wordt dezelfde denkfout tot ideologie verheven: post hoc ergo propter hoc.) Los van het feit dat interregionale en interstedelijke verschillen niet zelden even significant zijn als de verschillen tussen de gemeenschappen, blijft het overduidelijk dat het werkelijke probleem in de gezondheidszorg structureel, maatschappelijk en bijgevolg ethisch is.
Sinds enkele jaren zit de publieke besteding in de federale ziekteverzekering in een groeipad van 4,5% boven op de inflatie. Maar de besparingskoorts plaagt de gezondheidszorg al veel langer. ‘Gezondheidszorgbeleid is begrotingsbeleid geworden’, schrijft professor Marc De Vos. De Belgische patiënt betaalt nu al ruim 30% van de gezondheidszorg zelf, via het remgeld en de aanvullende verzekering. Te pas en te onpas wordt er geschermd met angstaanjagende buitenlandse voorbeelden (Amerika! Nederland!) van geprivatiseerde sociale zekerheid die onvermogende burgers overlaten aan willekeur en filantropie. Of die voorbeelden wel zo angstaanjagend zijn is maar de vraag. Na de opgave van Hillary Clinton als presidentskandidaat schreef Paul Krugman in The New York Times (9 juni 2008) dat eigenlijk geen enkele Amerikaan tegen sociale zekerheid is. Bovendien heeft een aantal hervormingen, zoals de als bot ervaren welfare reform waarmee voormalig president Bill Clinton het programma Aid to Families With Dependent Children schrapte, het politieke debat gezuiverd van discriminerende tendensen. ‘Klaplopers die op kosten van de gemeenschap leven’ zijn een gedroomd thema voor populisten van diverse pluimage. Om hen de wind uit de zeilen te nemen, moet je dus niet het symptoom maar de oorzaak aanpakken.
Omgezet naar de Belgische situatie kan dit bijvoorbeeld betekenen dat het geen zin heeft om vast te houden aan de mythe van een gratis universele gezondheidszorg; die mythe is onhoudbaar, strookt niet met de praktijk en bevordert de calculus waarbij vermeende valspelers (‘Walen in ziekenkas’, ‘Marokkanen met twaalf kinderen’) de zwarte piet krijgen. Achter het mistgordijn van de zogezegde universele gezondheidszorg laten we nu al legale selectiemethodes toe die ongehinderd harder worden. Probeer als hartpatiënt maar eens een hospitalisatieverzekering te krijgen. De onvermijdelijke hervorming van onze sociale zekerheid zal alleen maar kans op slagen hebben in de mate dat de private sector en de overheid een integraal beleid voeren. Wie dit debat reduceert tot de communautaire dimensie bezondigt zich aan volksverlakkerij. Het is bovendien misdadig om mensen wijs te maken dat de Vlaamse Gemeenschap dankzij de splitsing van België voldoende financiële ademruimte zou creëren om de gevolgen van de vergrijzing op te vangen.
De recentste bevolkingsvooruitzichten (2007-2060) van het Federaal Planbureau geven geen aanleiding tot uitbundigheid. De projectie van het planbureau toont dat Vlaanderen (en in mindere mate Wallonië) op termijn uitsterft. Het door Vlaanderen doodgezwegen en verguisde Brussel is de enige regio waar de geboortecoëfficiënt het vervangingspercentage van 2,1 kinderen per vrouw (licht) overstijgt – dankzij de migratie. Tussen 2000 en 2060 zou de Belgische bevolking ouder dan tachtig met bijna een miljoen toenemen. Overigens neemt ook de gemiddelde leeftijd nog steeds toe; in 2030 bedraagt die 81,17 jaar voor een Belgische man en 87,03 jaar voor een Belgische vrouw. Wie, in hemelsnaam, zal al die pensioenen betalen, zal al die rusthuisbedden verschonen en zal al die zwaarbehoeftige oudere ouderen verzorgen? De hoeveelheid geld en energie die nodig is om dit te bolwerken laat zich moeilijk becijferen. Slechts één optie rest ons: een combinatie van uitbundige procreatie, gekozen migratie, economische groei en sloterdijkiaans enthousiasme. Het is de Duitse filosoof Peter Sloterdijk, op late leeftijd vader geworden, die in zijn trilogie Sferen immers een langgerekt pleidooi houdt contra de melancholische behoudsgezindheid en pro vitalistische levensvreugde. En waarom niet. De kans is eerder gering dat we in onze regio een bevolkingsoverschot moeten vrezen.

Die demografische component had in het recente verleden een radicaal andere betekenis. Tijdens de moeilijke passages van de negentiende-eeuwse industrialisering, vooral na 1850, trokken grote groepen Vlaamse volwassenen naar Wallonië op zoek naar werk. Bovendien zochten tot 1914 ruim 300.000 Belgen hun heil in Frankrijk. Voorwaar niet uit luxe. Het emancipatorische ideaal van de burgerlijke Vlaamse beweging wordt gevvindt een oorsprong in de wens om aan die ellendige feiten te ontsnappen: sociale promotie door een betere kennis van de (volks)taal. Uiteraard is er de liefde tot de taal en al het schoons dat die liefde teweeg heeft gebracht, maar er waren dus ook Vlaamsgezinden die aan het rekenen sloegen. Of beter: die wilden rekenen. In Vlaamsgezinde kringen was eind negentiende eeuw geen discours ontwikkeld voor economische thema’s. De nadruk lag op taal, schone letteren en onderwijs, dingen die niet meteen veel brood op de plank brengen. In Greep naar de markt schetst historicus Olivier Boehme hoe de Vlaamsgezinde intellectuelen de wetenschap inschakelden om hun zaak vooruit te helpen. Het is een even overrompelend als moedig boek.
De waanzinnige Eerste Wereldoorlog is het motorische moment van de Vlaamse Beweging. Boehme reconstrueert die sociaaleconomische omwenteling als een ideeënstrijd van een voorhoede. Na de relatief brave negentiende-eeuwse taalminnaars is het de beurt aan mannen die voluit de macht willen herverkavelen. De erfenis van Lodewijk de Raedt speelt hierin een cruciale rol. De Raedt is een van de eersten om de Vlaamse Beweging te voorzien van een economische verantwoording. Bovendien, zo stelt Boehme bij herhaling, is De Raedt de eerste die de Vlaamse economie uit het luchtledige plukt en territoriaal bepaalt. De economische noden liggen in Vlaanderen anders dan in Wallonië. Zover stonden we begin deze eeuw dus ook al. De Raedt definieert in zijn systematisch opgebouwd economisch flamingantisme een eentalige monoculturele ruimte waarin Vlaamse cultuur een waarde op zich heeft en dus ook de gehele samenleving en de economie mee vormgeeft.
In een minutieus opgebouwd verhaal van welhaast 960 pagina’s ontleedt Boehme koelbloedig de verhoudingen tussen nationalistische ideologie, economische programma’s en de diverse economische belangen die daarmee samenhangen. De belangrijkste conclusie is dat je al die componenten niet op een eenduidige manier kunt samenbrengen. Boehme toont dat het economische nationalisme van bij het begin ervan een nationalisme met economische middelen is geweest. Het geld komt op de tweede plaats. Vlaanderen staat voorop. Voor Boehme is dat zelfs de corebusiness van het economische nationalisme. Het meest sprekende voorbeeld dat Boehme hiervan geeft, speelt zich af tijdens de voorbereiding van het Belgisch-Nederlandse waterwegenverdrag, meteen na de Eerste Wereldoorlog.
Toen Geert Wilders onlangs Vlaanderen opeiste voor Nederland kon hij op veel bijval rekenen van Vlaams Belang-voorzitter Bruno Valkeniers. De voormalige commercieel directeur van Hesse-Noord Natie acht klaarblijkelijk het belang van de Antwerpse haven ondergeschikt aan dat van de Rotterdamse concurrent. Het is maar de vraag of zo’n toekomstbeeld champagnekurken doet knallen aan de dokken en in de bestuurskamers van het havenwezen. Laat staan dat iemand een zinnige verklaring kan geven voor de historische dimensie van Valkeniers’ abdicatie. Voor Boehme vormt dit geen probleem. Hij beschrijft in Greep naar de markt hoe een aantal Vlaamse radicalen uit de postactivistische beweging de gelegenheid aangrijpt om te collaboreren met Rotterdamse havenbaronnen. Het bedrijfskapitaal van de Antwerpse haven was Brussels en Franstalig, en dus vonden deze extremisten het aannemelijker om de Antwerpse havenbelangen ondergeschikt te maken aan Rotterdam – in de hoop dat het Brusselse en Franstalige kapitaal daarmee ‘een nederlaag’ zou leiden. Centrale rol in die tragikomedie is weggelegd voor Herman Vos, een ambitieuze studax. Zelfs in het parlement speelde Vos duikboot voor de Nederlanders. In 1928, een jaar na het kapseizen van het waterwegenverdrag, organiseerde Vos mee de hysterie rond de Bormsverkiezing, die uitdraaide op een referendum over amnestie. In 1933 richtte Vos mee het Vlaamsch Nationaal Verbond op. Maar nog datzelfde jaar koos hij als sociaaldemocraat voor de unitaire Belgische Werkliedenpartij. Van de ene bocht naar de andere.

Ruim tien jaar geleden publiceerde Boehme Revolutie van rechts en intellectuelen in Vlaanderen tijdens het interbellum. Daarin bracht hij al een verrassende lezing van de verwarring die zich meester maakte van Vlaamse intelligentsia in de jaren twintig en dertig. De Eerste Wereldoorlog bracht dood, verderf en maatschappelijke chaos. Overal in Europa predikten jongeren het geloof in de ondergang van de oude cultuur. De bourgeoisie was kop van jut. ‘Elke bourgeois is een kleine dramaturg’, schreef Tristan Tzara in een van zijn dadaïstische manifesten. De staatloze Roemeense Jood Tzara maakte tabula rasa met de voorspelbare dramaturgie, het gezond verstand, de goede smaak. Samen met hem was een hele generatie Europeanen bereid om de gevestigde orde onderuit te halen. Niet zelden ging dat engagement verder dan artistieke fratsen. Zeker in België kreeg het tabula rasa een politieke, activistische dimensie.
Nog belangrijker was dat het hoofdzakelijk rurale en gelovige Vlaanderen in de moderniteit werd gesmeten. Het bleef niet zonder gevolgen. In dat katholieke Vlaanderen trokken velen mee op met de rechtse revolutie via de tussenweg van hun religieuze problemen. De moderniteit joeg de brave burger zo op stang dat antirationalisme, dadendrang en idealisme (en ook het onvermijdelijke fatalisme) populair werden. Heel wat mensen namen in die verwarrende periode zeer scherpe bochten, laverend van mening naar ideologie alsof het topsport was. Boehme deed in Revolutie van rechts een begrijpende, grondige en doortastende lectuur van de toenmalige bronnen om dat bochtenwerk te kunnen volgen. Maar om de volle omvang van Herman Vos’ ogenschijnlijk tegenstrijdige beslissingen te vatten, heb je dus nog meer studie nodig: Greep naar de markt.
De periode die Boehme onderzoekt, biedt een versplinterde Vlaamse Beweging: allemaal uitersten. Ofwel is het een benepen reservaat vol groupuscules die elkaar rommelig bekampen. Ofwel een feitelijke vereniging van talentvolle mensen die vooruit willen in het leven. Activisten als Liederik (pseudoniem voor Joris Fassotte) droomden hardop van de Meir als een Vlaams Wallstreet. Aan brandende ambitie geen gebrek, maar tussen droom en daad stonden nogal wat obstakels. In de eerste plaats de Vlaamse Beweging zelf. Boehme schuwt de hilarische petites histoires niet, zoals het moment waarop de zeloten rond het tijdschrift Vlaanderen beslissen om een ‘Vlaamse’ versie op de markt te brengen van de Nederlandse vertaling van John Maynard Keynes’ The Economic Consequences of Peace. Het aangepaste voorwoord moest ‘den Vlaamschen lezer’ aansporen zich los van de chauvinistische (belgicistische, pro-Franse) pers in de wereldpolitiek te oriënteren. En wat te denken van de regering-De Broqueville die in 1934 onder meer valt over het protest in sommige delen van het kinderarme Wallonië tegen de financiële last van de kinderbijslagen voor het kinderrijke Vlaanderen?
Niet eerder is die sociaaleconomische geschiedenis zo uitvoerig in kaart gebracht, van Lieven Gevaert tot de Kredietbank, van Floris Couteele tot Marnix Gijsen, van het Limburgse en het Waalse steenkool tot het Albertkanaal. Dat mag dan al een enorme verdienste zijn, een nog grotere prestatie is de niet-aflatende kritische zin waarvan Boehme blijk geeft. Die drang om te begrijpen zorgt ervoor dat hij onnoemelijk veel clichés, idées reçues en vooroordelen uit en over de Vlaamse beweging rechtzet. Onder meer de economische conflicten rond het Limburgse en het Waalse steelkool enerzijds, en de uitbreiding van de Antwerpse haven en het Albertkanaal anderzijds tonen aan dat de Vlaamse economie ook in het interbellum niet één en ondeelbaar was – net zomin als dat vandaag waar is voor de economie, maar ook voor de welzijns- en gezondheidszorg.

‘In Vlaanderen’, zo schrijft Boehme, ‘zijn groepen actief (geweest) die met de Vlaamse kwestie als argument ook een bepaalde maatschappelijke visie hebben willen realiseren. […] De Vlaamse beweging – of moeten we zeggen een reeks van Vlaamse bewegingen? – heeft de economie alvast in één belangrijk opzicht mee bepaald: ze heeft de bestaande structurele verschillen op economisch gebied, die de Vlaamse provincies en arrondissementen als geheel konden doen aftekenen tegenover de Waalse provincies en arrondissementen als geheel, weten te institutionaliseren (vooral via defederalisering van bepaalde bevoegdheden).’ Dat is een cruciaal citaat, zowel in dit boek als in de recente geschiedenis van de Belgische federatie.
De communautaire tweespalt werkt vooral goed op voorwaarde dat het bestaan van twee aparte volkeren wordt verondersteld. De nationalistische constructie van het Vlaamse volk kan pas renderen als er een Vlaamse economie aan vasthangt, die vervolgens in conflict komt met de Waalse tegenhanger, en met het Franstalige en centralistische Brussel. Door de interne verdeeldheid van de Vlaamse Beweging in het interbellum kon er echter geen sprake zijn van een gedeelde Vlaamse sociaaleconomische agenda. Bovendien bleven katholieke, socialistische en liberale flaminganten de economische eenheid van het land verdedigen. Mede omdat ze geloofden dat de Vlamingen mettertijd sowieso het overwicht zouden krijgen.
Sinds 1965 hebben Vlamingen echter de volstrekte meerderheid in de Kamer van Volksvertegenwoordigers. ‘De voorbije twaalf maanden is er een geweldig open debat op gang gekomen over de staatshervorming’, zei Piet Van Waeyenberge, de notoire Vlaamse grootaandeelhouder en oprichter van de Warande, in De Tijd (24 mei 2008). ‘Het dossier moet gedeblokkeerd worden. Want het status-quo is geen optie. Als de verdere regionalisering onmogelijk blijkt, is er één ander alternatief: de terugkeer naar een unitair België waar de meerderheid de macht uitoefent. En de meerderheid, dat zijn de Vlamingen.’

Harold Polis

Bronnen
Olivier Boehme, Greep naar de markt. De sociaal-economische agenda van de Vlaamse Beweging en haar ideologische versplintering tijdens het interbellum, LannooCampus, Leuven, 2008, 986 blz., 39,95 euro.
Olivier Boehme, Revolutie van rechts en intellectuelen in Vlaanderen tijdens het interbellum: ideeënhistorische bijdragen, Acco, Leuven, 1999.
De bevolkingsvooruitzichten (2007-2060) van het Federaal Planbureau kun je downloaden op www.plan.be
Marc De Vos, ‘Het Belgische sociaal model is allang geen model meer’. Zie: www.itinerainstitute.org

(Deze tekst verscheen ook in Streven van september 2008.)

zaterdag 6 september 2008

De geschiedenis van O


(1953: Dominique Aury, Jean Paulhan en schrijver-criticus Marcel Arland.)

Yves Leterme gepiercet. Dat zou pas een boek zijn. En waarom ook niet. Het genot en zijn afwijkingen vormen voor ons een basisrecht. Zelfs ascese wordt verkocht als wellness. Hoewel het vroeger niet beter was, blijft het een eerbare zaak zich met het verleden te meten, schrijft de bittere Tacitus in zijn Annales. Sinds hij de grote klerezooi van de tweede eeuw na Christus beschreef, is er alsmaar intenser genoten en plezier gemaakt. Tout va très bien, Madame la Marquise. Die extase hebben we uiteraard te danken aan de permanente bevrijding waarvan we allen het slachtoffer zijn.

Zonder L’histoire d’O was er van onze sadomasochistische huis-, tuin- en keukencultuur geen sprake geweest. Het schandaalboek van Pauline Réage werd ooit gezien als een evergreen van de bevrijding van de bekrompen westerling. O is een mooie jonge vrouw die zichzelf volledig overgeeft aan haar minnaar, een Britse fat genaamd sir Stephen. Ze wordt naar een kasteel gevoerd in Roissy en uitvoerig gebruikt. Vooral het wanhopige einde van L’histoire d’O is echt geslaagd. O gaat ten onder aan haar onvrijheid en lijkt daarin op die andere tragische letterheld, K uit Het proces. Ook de occulte zakelijkheid waarmee Réage het misbruik van O beschrijft, is vintage Franz Kafka.

O zoals in oneindige bevrijding door onderwerping. De kerk, het corset, de sokophouder, de typemachine, de dopkaart, mes en vork. Allemaal dingen waarvan we ons hebben bevrijd. Maar de strijd gaat op aloude trotskistische wijze door. Aan wie niet voelen wil, zullen we de vrijheid democratisch opleggen. Illegalen, Franstaligen, profiteurs, humanisten, Belgen, gelovigen, demente bejaarden en al wie nog geen project heeft ingediend voor Vlaanderen in Actie. Zogoed als iedereen staat op de wachtlijst voor een menswaardige bevrijding, die bij voorbaat ook rebels, eigenzinnig en onconventioneel zal zijn. De betekenis van die adjectieven is inmiddels zo sterk veranderd, dat je dekking moet zoeken zodra iemand ze in je bijzijn hanteert. Ook het succes van L’histoire d’O berust op een interpretatiefout.

De eerste druk van L’histoire d’O (600 exemplaren) verscheen in 1954 bij de Parijse uitgever Jean-Jacques Pauvert, die toen naam maakte met het verzameld werk van Sade. Zijn tijdgenoten werden nog kwaad om een blote tiet en dus sloeg L’histoire d’O in als een bom. Het werd helemaal gezellig toen het Franse gerecht een verbod uitvaardigde om reclame te maken voor het boek – wat de stelling bevestigt dat reclamebureaus de censuur hebben vervangen. Het schandaal in de literatuur is zelden meer dan een ritueel voor goedgelovigen, zoals bij L’histoire d’O. Iedereen staarde zich blind op de porno in het boek en hield een lofzang op de intellectuele durf van de auteur. Daar zat nu net het probleem. Want wie was die auteur? Niemand wist wie zich achter het pseudoniem Pauline Réage verschool.

Men vermoedde dat L’histoire d’O een grap was van een gevestigde naam, André Gide of Raymond Queneau. Misschien was het wel de schrijver van het voorwoord bij het boek, Jean Paulhan. Die überintellectueel had tot 1940 het belangrijkste Europese literaire tijdschrift van dat moment geleid, het illustere La Nouvelle Revue Française. Hij was tevens een held van het verzet en een van de gezichten van uitgeverij Gallimard. Paulhan pestte zijn medewerkster Dominique Aury door te zeggen dat vrouwen niet in staat waren erotiek te schrijven. Aury was niet de eerste de beste. Ze had het werk van Evelyn Waugh, Virginia Woolf, F. Scott Fitzgerald en T. S. Eliot in het Frans vertaald. Voor haar literaire verdiensten werd ze opgenomen in het Légion d’honneur. Aury, die ruim twintig jaar jonger was dan Paulhan, bleef zijn maîtresse tot aan zijn dood in 1968. De liefde werd geconsumeerd in hotelkamers, ‘met de blik op het polshorloge gericht’.

In 1994 publiceerde The New Yorker een interview met een onbekende 87-jarige vrouw: Dominique Aury. Ze onthulde dat ze L’histoire d’O had geschreven als een liefdesbrief voor Paulhan. ‘Ik schreef het boek voor hem, om zijn interesse te wekken, om hem te plezieren. Ik was niet jong meer en bezat geen uitzonderlijke schoonheid. Ik moest iets anders vinden.’ Alle nog levende getuigen kwamen aan het woord in de fascinerende documentaire Writer of O (2004) van de Amerikaanse cineaste Pola Rapaport. Pauline Réage had haar ware gelaat getoond, maar Dominique Aury bleef een mysterie.

Harold Polis

(Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van 20 augustus 2008.)

In memoriam Jean-Marie Berckmans (1953-2008)

De man van taal

Schrijven was geen gezondheidswandeling voor Jean-Marie Berckmans. Wie een van zijn tirades tegen eenduidige realistische fictie meemaakte, wist dat hij daar geen grapjes over maakte. ‘Verhalen over Janneke en Mieke’, zoals hij de in zijn ogen behaaglijke vormen van literatuur noemde, waren niet aan hem besteed. Berckmans mikte altijd hoger, veel hoger. Hij wilde een diagnose stellen van de moderne tijd. Welke kwalen maakten de mens rot? Welke gedaanten namen de ruiters van de apocalyps aan? Waarom was verlossing uitgesloten? Berckmans’ wereld verkeerde in een permanente staat van beleg. Laat alle hoop op een vrolijk einde toch varen. Gerechtigheid is een voorwendsel om gewone mensen beter voor de gek te kunnen houden. Die inktzwarte wanhoop deelde Berckmans met een van zijn lievelingsauteurs, de Italiaanse schrijver-politicus Leonardo Sciascia. Tijdens de loden jaren zeventig nam Sciascia deel aan de parlementaire commissie die de terechtstelling van Aldo Moro door de Rode Brigades onderzocht. In dat broeierige en verscheurde Italië werkte Berckmans enkele jaren als schoenenverkoper, een ervaring die mythische proporties aannam als hij erover vertelde. Niet zelden citeerde hij dan uit de Divina Commedia van Dante of hief hij een Italiaanse schlager aan.

Berckmans had een aanzienlijke hoeveelheid eclectische kennis paraat, een eigenschap die hij vaak verborgen hield achter het masker van een van zijn alter ego’s. Achter Pafke het meest complete mafke ging een ernstig schrijver schuil met een geniaal gevoel voor muzikaliteit. Berckmans componeerde labyrintische verhalen die bij aandachtige lectuur een overdonderende indruk maakten. Op die manier groeide hij in de jaren negentig uit tot een van de grootste stilisten van de naoorlogse Nederlandstalige letteren.

Het was de onvolprezen Walter Soethoudt die de eerste boeken van Berckmans eind jaren zeventig publiceerde: de prozagedichten Tranen voor Coltrane en het paranoïde meesterwerk Geschiedenis van de revolutie. Pas in het gezegende jaar 1989 pikte Berckmans de draad weer op. Met de verhalenbundels die hij in die periode schreef, vestigde hij zijn naam als chroniqueur van de zelfkant. Hij werd vergeleken met Maarten Biesheuvel en Jan Arends. En op de koop toe loofde Kees van Kooten de grote ‘street poetry credibility’ van die rare jongen uit Leopoldsburg. Uiteraard was dat allemaal zeer terecht, maar Berckmans werd daardoor ook levenslang veroordeeld tot het ‘eerlijke en authentieke schrijverschap’. Vanaf de bundel Bericht uit Klein Konstantinopel (1996) toonde Berckmans dat hij een andere richting uit wilde. Niet de olijke modernismen van Kees van Kooten, maar het modernisme van Paul van Ostaijen. De conventies van het klassieke verhaal zaten te krap en ook het Standaardnederlands voldeed niet meer. Zijn medewerking aan Circus Bulderdrang is hierin ongetwijfeld bepalend geweest. Circus Bulderdrang kon niet bestaan zonder punk en Nick Cave, maar was allerminst de zoveelste variant op een zich herhalende popcultuur. De unieke prehistorische baldadigheid had veel meer te maken met dada en het Cabaret Voltaire. En zo kwam het dat ‘cultschrijver’ Jean-Marie Berckmans optrad als een kruising tussen Lemmy van Motörhead, VMO-leider Bert Eriksson en Johnny ‘the Selfkicker’ van Doorn. Een magere heer die een motorhelm en een zwarte zonnebril droeg, en al kettingrokend brulde dat hij ‘de man van staal’ was. Taal was echter het enige wapen waarmee hij de wereld te lijf ging.

Berckmans’ verhalen leken steeds vaker op apocriefe Bijbelteksten waarin hij het resultaat van zijn onderzoek naar de spoken van de moderne tijd uitschreeuwde. As op jazzwoensdag (2003) vormde een hoogtepunt. Die profetische beschrijving van de hel op aarde, wat hij ‘Biotoop Zero’ noemde, was opgedragen aan zijn moeder en aan zijn vriend Albert Szukalski (1945-2000), de ‘spokenbeeldhouwer’. Het lot heeft het zo gewild dat Berckmans en Szukalski even jong zijn gestorven en dat hun beider graf op hetzelfde perk ligt. Van een geheel andere orde waren de brieven die hij onder meer aan zijn dode ouders schreef en aan de in juni overleden Kamiel Vanhole. Die correspondentie was even grandioos als pijnlijk openhartig. Hij stak hiermee de ultieme briefschrijver Gerard Reve naar de kroon.

Berckmans bracht sommigen in verwarring met zijn veelzijdigheid. Zijn teksten worden vaak puur autobiografisch gelezen. Dat is legitiem, maar het doet ook afbreuk aan zijn grote, haast on-Vlaamse ambitie als schrijver. Terwijl de mythe JMH Berckmans alsmaar in omvang toenam, slaagde de schrijver er niet in het grote publiek te bereiken. En dat ondanks de vele inspanningen van de mensen die hem in de loop der jaren hebben gesteund. Zo zal het altijd een raadsel blijven waarom Berckmans tijdens zijn leven nooit een literaire prijs heeft gekregen. En nu is hij dood, de ongekroonde koning van de Nederlandstalige avant-gardeliteratuur. Leve de koning.

Harold Polis

(Dit stuk verscheen in de krant De Morgen van 6 september 2008.)

maandag 18 augustus 2008

Het literatuurloze universum


(Sergey Brin en Larry Page: De twee alumni van Stanford die de rest van de mensheid hebben herleid tot een hoopje googlende idioten.)

Over het einde van het papieren boek, en wat daarna komt

Ter gelegenheid van het Parijse Salon du livre, in maart van dit jaar, werd er een enorme stand ingericht voor het digitale boek. De rechtgeaarde lezer, zelfs al heeft hij slechts een vaag idee bewaard van de Aristotelische essentie die eeuwenlang gestreng is doorgegeven, haalt hier zijn neus voor op. Zo ook de correspondente van L’Express: ‘Il faut bien reconnaître, toutefois, que l'espace en question, 500m2 dédiés aux nouveaux outils de lecture numérique, n'est pas très chaleureux.’ Even later valt het haar op dat er voornamelijk pubers bij de stand blijven staan. Aristotelisch geschoolde mensen van stand gaan uiteraard meteen op zoek naar in zacht leder gebonden meesterwerken. Wat tot voor kort als een generatiekloof werd ervaren, is een breuklijn geworden, een cesuur in de westerse cultuurgeschiedenis: ‘jongeren’ hebben een andere smaak dan ‘ouderen’. Die alarmerende boodschap zat ook verborgen in een opmerkelijk Knack-artikel over de Nederlandstalige canon. Het artikel kan de indruk wekken dat jongens en meisjes van zestien wel degelijk geïnteresseerd zijn in Pallieter of De witte, als er maar exemplaren van die boeken worden gedrukt en verdeeld. Als jongens en meisjes van zestien lezen, dan maken ze een keuze die op een radicaal andere manier wordt bepaald dan in de tijd van Timmermans. Die laatste volgde op zijn vijftiende avondonderwijs in de tekenschool en had toegang tot een beperkt aantal boeken. Een hedendaagse vijftienjarige kan eenvoudigweg alles wat ooit is gepubliceerd aanvragen, kopen en lezen.

Heuristiek van het vijfde knoopsgat

De gevreesde breuklijn is het gevolg van revolutionaire culturele logistiek.
Al het gekende werk van antieke schrijvers past op een paar dvd’s. De muur groene (Grieks) en rode (Latijn) banden van Loeb classical library met keurige edities van de antieke meesters is een buitenissig symbool van het analoge verleden geworden. Elke papieren bibliotheek lijkt een variant van de villa van Augustus op de Palatijnse heuvel nabij het Forum Romanum. Het is een plek in verval die voortdurend wordt gerestaureerd. Een memoriaal dat het verleden celebreert. Een heimweemachine. Toch bezitten de Epoden van Horatius, met al hun metrisch verantwoord onbehagen, dezelfde kracht op het scherm als op papier.

Ten tijde van Horatius, ruim tweeduizend jaar terug, werden de Epoden bewaard op perkamentrollen. Er was slechts een gering aantal exemplaren in omloop. De teksten werden meer voorgedragen dan gelezen. Bovendien bezat het publiek voldoende parate kennis om de talloze literaire verwijzingen te begrijpen. Een pdf, een e-reader of een schermbeeld vormen de tegenpolen van de perkamentrol. Het digitale bestand is onstoffelijk, oneindig vermenigvuldigbaar en ultiem vergankelijk. Slechts een minderheid van de hedendaagse lezers deelt een grondige kennis van de antieke en joods-christelijke cultuur, of van de intellectuele traditie die is gemunt tijdens de verlichting. Maar ook meer hedendaagse ijkpunten zijn zelden geldig voor de meerderheid. Dragers en kanalen voor informatie en cultuur zijn oneindig veelzijdig geworden. De versplintering van onze referentiekaders wordt mede versterkt door de geïnstitutionaliseerde willekeur van web 2.0. Wat te denken van de recente beslissing van de Concentra-groep (uitgever van de kranten Gazet van Antwerpen en Het belang van Limburg) om de berichtgeving van het persagentschap Belga in te ruilen voor zoekacties via Google reader? De klassieke nieuwsgaring wordt hier ingeruild door journalisten die het web afgrazen op zoek naar nieuws. Journalistieke conventies kraken onder het gewicht van de zoekmachines. Vindbaarheid is een gezagsargument geworden. De ranking en het aantal hits bij Google, een vorm van heuristiek voor zwakbegaafden, overschaduwen de betrouwbaarheid en kwaliteit van informatie. Literaire teksten zullen die beweging volgen, op straffe van irrelevant te worden. Nog niet zo lang geleden inspireerde de verzuring en desintegratie van de boeken uit de periode 1850-1950 ons tot een planetaire angstpsychose. Dat is allang passé. Halsoverkop worden archieven en bibliotheken integraal gescand, in de hoop dat protocollen en formaten langer geldig blijven dan de dragers waarop ze worden bewaard.


Dynamiek en machines

In haar dankrede bij het aanvaarden van de Nobelprijs voor literatuur beweerde Doris Lessing dat er niemand schrijver is geworden buiten de traditie om. Elke schrijver is volgens haar groot geworden in een huis vol boeken. De sociologische waarde van die bewering valt te betwisten. Vast staat dat geen enkele toekomstige schrijver nog zonder beeldscherm zal opgroeien. En de traditie waarop Lessing zich beroept, zal een fundamentele wijziging ondergaan, onder druk van de acute informatiestress die ons allen in de greep houdt. Je hoeft het belang van de grote Westerse cultuurcanon niet in twijfel te trekken om te beseffen dat die al geruime tijd niet meer zaligmakend is. Uiteraard weet niemand meer wat we exact bedoelen met de canon, laat staan dat we in staat zouden zijn om eensgezind een museale keuze te maken. In de goede oude tijd hadden kunstenaars en schrijvers nog het recht op vergetelheid, wat het comfort van lezers en kunstminnaars zeker niet verkleinde. Vandaag is vergetelheid, net als privacy, het slachtoffer van wat de Italiaanse futurist Marinetti zou omschrijven als een samenspel van ‘dynamiek en machines’: digitale simultaneïteit. In Utah trachten de volgelingen van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen alle doden ter wereld te redden van de vergetelheid door hen genealogisch te ontsluiten. Tal van ‘nationale literaturen’ vormen het mikpunt van vergelijkbare ‘verlossende’ acties, niet ondernomen door Mormonen, maar door al dan niet digitaal geharde literatuurwetenschappers. Helemaal bizar is het recente plan van het Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds (NLPVF) en het Huygens Instituut om een papieren canon te fabriceren. Zulke nodeloos dure analoge wanhoopsdaden zijn tot mislukken gedoemd, laat staan dat een richtinggevende canonlijst oude stijl het wondermiddel zou zijn om de nieuwe generaties lezers aan de literatuur te brengen. Als je opgroeit met je duim op de shuffle-toets is dat allemaal wat minnetjes.

De digitale bigbang heeft een universum van niet gebruikte informatie laten ontstaan. In een uithoek van die onmetelijke ruimte wordt een digitale totaalbibliotheek gebouwd. Het is er zo nieuw dat je om de zoveel dagen een opzienbarende gebeurtenis meemaakt. Eerder dit jaar maakten we bijvoorbeeld de opening mee van het project Gallica, een met verbluffende tools uitgeruste digitale bibliotheek met titels uit de Bibliothèque Nationale. De mogelijkheden van die kennisplatformen brengen lezers in ademnood en voeren de snelheid van kennisoverdracht radicaal op. Als toegankelijkheid een criterium is om de betovering van literatuur te meten, dan bestaat er eigenlijk geen verborgen kennis meer. De betovering lijkt verbroken.

Omstreeks het midden van de jaren negentig nestelde de digitale nachtmerrie zich in het discours van ondergangsdenkers. Een boek als Escape velocity. Cyberculture at the end of the century (1996) van Mark Dery deed het ergste vermoeden. En terecht. Dery stelt een aantal cruciale vragen die ook vandaag nog richting zouden moeten geven aan het debat. Wie heeft er baat bij de digitalisering? Het internet wordt gebruikt door de bevolking van ontwikkelde landen. Als je pech hebt en je wordt geboren in Haïti, waar je vervolgens naar een halve korst beschimmeld brood moet graven op een stortplaats in Port-au-Prince, dan zit je ’s avonds niet te bloggen over de winkels waar je volgend weekend gaat shoppen. Het internet en de gedigitaliseerde cultuur vuren de zelfverwezenlijking van de bevoorrechte westerling in hoge mate aan. In je eentje kun je, gezeten aan je laptop, werkelijk alles voor mekaar krijgen. Aan- en verkopen, geld verdienen, leren, bidden, communiceren, ontspannen, klaarkomen – alle aspecten van het leven zijn beheersbaar met een muisklik. Als Christopher Lasch, de grootste der naoorlogse Amerikaanse moralisten, dit stadium in de menselijke eenzelvigheid had meegemaakt, dan had hij The Culture of Narcissism herschreven en had hij het door hem gewraakte narcisme geen pathologisch verschijnsel genoemd, maar regelrechte massahysterie. De moderne mens is, volgens Lasch, volledig teruggeplooid op zichzelf. Die bekrompen persoonlijkheid is absoluut en sluit naadloos aan bij het heilige streven naar vrijheid, macht en efficiëntie. De digitale ruimte is gevuld met de emotionele en artistieke diarree van miljoenen narcisten die aandacht en bewondering opeisen van anderen. Na vele eeuwen van intens oefenen heeft de samenleving een sublieme staat van amoraliteit bereikt. Murw geslagen door zoveel treurnis praten over de toekomst van de literatuur heeft net hetzelfde effect als de menselijke barrière die enkele nuttige idioten trachtten te vormen in Irak, bij het begin van de bombardementen in maart 2003: geen.

Marx weerlegd

De cultuurkritiek van Lasch en Dery is geworteld in een diep wantrouwen tegenover de economie zoals die zich sinds het einde van de negentiende eeuw heeft ontwikkeld. Oud-marxist Lasch parafraseert het thema van de vervreemding als symptoom van het kapitalisme: de mens is in de eerste plaats geen mens meer, maar een onderdeel van het productieproces. Dery vervangt het klassieke productieproces door de digitalisering. De mens neemt de virtuele werkelijkheid ernstiger dan de eigen ervaring. Het internet vervreemdt de mens van zichzelf en van de gemeenschap, tot er een gefragmenteerde persoonlijkheid overblijft die zeer volgzaam meeloopt in de burgerlijke orde. Ruim tien jaar na Dery is een meerderheid van de bevolking online, mede op aandringen en met hulp van de overheid. De angst voor fragmentatie heeft het afgelegd tegen de angst economische achterstand op te lopen. Digitale ontsluiting is een majeure factor geworden bij het bepalen van beschavingspeil en concurrentiekracht – eigenschappen die niet bepaald geassocieerd worden met een analoge, papieren cultuur. Bovendien is er geen volksopstand uitgebroken toen de glasvezeldraad onze woonkamers binnendrong. We zijn niet onblij met de amoraliteit van het internet. Integendeel, de digitalisering lijkt ertoe bij te dragen de vervreemding wordt teruggedrongen. Een overgrote meerderheid ervaart in de digitalisering een uitdrukking van hun diepste zelf, wat in marxistische termen haast overeenkomt met het opperste geluk.

Van alle dotcomgekken uit de woeste digitale golf van de jaren negentig zijn Larry Page en Sergey Brin het meest succesvol gebleken. Hun multinational Google is in zijn eentje verantwoordelijk voor de grootste transfer van reclame-inkomsten in de moderne tijd. Het product van Brin en Page is een steeds krachtiger uitgebouwde zoekmachine die almaar meer nevenfuncties opslokt. In oktober 2006 kocht Google bijvoorbeeld YouTube voor 1,65 miljard dollar. Dat was amper negentien maanden na de oprichting van YouTube, en op een moment dat er 67 werknemers in dienst waren. Het is moeilijk te bevatten hoe je een bedrijf moet waarderen dat handelt in pageviews en Laschiaans narcisme. En net die vuilbak vol onduidelijke fragmenten en erbarmelijke onbenulligheden wordt door Jeff Gomez in Print is dead. Books in our digital age omschreven als een van de symptomen van de ondergang van het gedrukte boek.

Het universele hobbyisme

Gomez beschrijft hoe YouTube de tijdgeest vat door het universele hobbyisme een nieuwe vorm te geven. YouTube bestaat bij gratie van de miljoenen mensen die lukraak beelden opnemen met een gsm of een digitale camera. De techniek beïnvloedt de werkelijkheid – en niet andersom. In plaats van Rilke te lezen of karamelleverzen te schrijven hebben jongeren iets beters om handen: met filmpjes klooien. Literatuur moet het opnemen tegen een enorm uitgebreid digitaal keuzeaanbod. Wie opgroeit in de algoritmische wereldorde van Google en de rommelbak van YouTube heeft een fundamenteel andere kijk op informatie en entertainment, al was het maar omdat de digitale gehaktmolen alle oude tegenstellingen en culturele paradigma’s fijnmaalt. Alleen analoge bejaarden begrijpen het verschil tussen hoge en lage cultuur nog. En wie weet, zo suggereert Jeff Gomez, zijn zij straks nog de enigen die papieren boeken en literatuur lezen.

De mannen achter Google en YouTube hanteren een voluntaristische bedrijfsethiek. Google streeft naar rendement en wil tegelijkertijd de wereld bevrijden door steeds wildere informatiestromen op gang te brengen en te stroomlijnen. Hoe zwak die overtuiging staat, blijkt uit de censuur die Google toepast op vraag van de Chinese overheid. Bovendien beantwoorden de zoekmachines veeleer aan een ‘infantiel ethos’, een term die door Benjamin Barber is geijkt in diens De infantiele consument . Hij doelt hiermee op een logica die op de grootste gemene deler mikt en aldus alle angsten en doembeelden van cultuurpessimisten in de praktijk brengt.

Googles expansiedrift wordt niet zonder meer op applaus onthaald, hoewel de digitale bibliotheek van de zoekmachine op korte tijd een omvang zal krijgen die moeilijk te bevatten is. Wereldwijd zijn er vele bibliotheken, zoals die van de Universiteit Gent, die een deel van hun collectie laten digitaliseren in het Library Project van Google. Het gaat om copyrightvrije publicaties die worden gelinkt aan het Book Search Project. De beschikbaarheid wordt nog groter door uitgeverscatalogi aan Google te verbinden via het Partner Programma. Het boek verschijnt in zoekopdrachten, je kunt er enkele bladzijden in browsen en het eventueel online bestellen. Uitgevers hebben haast geen andere keuze dan Google te volgen, hoewel je je kunt afvragen waarom de keuzemogelijkheid van de consument zo moet worden opgeblazen. Het antwoord is heel eenvoudig: omdat het kan.

Het uitgeverijloze universum

Die vanzelfsprekende dwang wordt keihard veroordeeld door Andrew Keen in De @-cultuur. Hoe internet onze beschaving ondermijnt. Googles ethische droom is volgens Keen een nachtmerrie die onzinnig narcisme in de plaats stelt van kritische zin, controleerbare feiten en auteursrechten. Keen pleit voor een internetgebruik dat technische innovatie koppelt aan dezelfde kwaliteitsnormen die analoge media zich opleggen. Het is onmogelijk niet akkoord te gaan met Keen op dit punt. In zijn cultuurpessimisme steekt Keen echter Christopher Lasch de loef af. Als je web 2.0 uitsluitend ervaart als een moeras van gekunsteldheid en leeghoofdig amateurisme, dan volgt het doemdenken vanzelf. Maar daarmee tover je de digitale mesthoop niet weg. Midden jaren tachtig voerde media-ecoloog Neil Postman een exorcisme uit op de door tv verziekte Amerikaanse samenleving. Al dat morren en grommen heeft de loop van de geschiedenis allerminst veranderd. En ook vandaag kun je alleen maar vaststellen dat de techniek een voorsprong heeft genomen die velen in verwarring achterlaat, de boekindustrie op kop.

Uitgevers, auteurs en lezers zijn terechtgekomen in een maalstroom van voorspelbare tumulten. De laatste echt grote schok in de analoge boekencultuur was de introductie van de paperback. Sinds Gutenberg waren er geen radicale breuken ontstaan in het klassieke uitgeefpatroon. Het spreekwoordelijke conservatisme in de papieren cultuur leek ook ongeschonden de eerste komst van het e-book te overleven, eind jaren negentig. De introductie van die eerste generatie e-books was immers uitgedraaid op een fiasco, zodat iedereen zonder schroom Doris Lessing kon bijvallen: het papieren boek was en bleef de enige echte cultuurdrager. Vandaag liggen de kaarten anders. Het grootste verschil met het eind van de twintigste eeuw is de implosie van de muziekbranche. Muziekuitgevers klampen zich als drenkelingen vast aan Digital Rights Management (DRM) om hun copyrights, en dus hun inkomsten, veilig te stellen. Het al dan niet illegaal downloaden van muziekfiles heeft de bodem onder de muziekbranche weggeslagen. Zowel werknemers als groepen zijn de afgelopen jaren massaal gedumpt omdat het businessmodel van de muziekuitgevers zo lek als een zeef was. Tijdens zijn korte bestaan begin deze eeuw heeft Napster de grootste culturele ramp na de Tweede Wereldoorlog veroorzaakt: eigenlijk verwacht de consument gratis producten. Nu de laatste generatie e-readers beloftevoller en gebruiksvriendelijker is (op de winkelprijs na), lijkt het eerder logisch dat ook de boekenwereld in de nabije toekomst een beeldenstorm zal beleven. Als je terugkijkt hoe razendsnel de i-pod is ingeburgerd, waarom zou pakweg een Apple-versie van een e-reader dan niet even succesvol kunnen zijn?

In het eind vorig jaar verschenen rapport ‘To Read or Not to Read’ van de National Endowment for the Arts (NEA) werd bewezen dat de ontlezing in Amerika een hard feit is. De digitalisering compenseert het verlies aan leescultuur niet. Leeszwakke burgers ondervinden meer problemen bij het interpreteren van de continue nieuwsstroom, wat de gezondheid van de democratie schade toebrengt. Eens te meer zijn boekenuitgevers en auteurs intens op zoek naar een publiek. Ze doen dat zelfs niet in de eerste plaats om de ethische redenen die het NEA aanhaalt, maar eerder uit pure overlevingsdrang. De boekencultuur is aanbeland in een boeiende maar verwarrende overgangsperiode waarvan niemand de uitkomst kent. Het is een uitvergrote versie van wat socioloog Zygmunt Baumann ‘vloeibare moderniteit’ noemt: een situatie waarin heden en verleden zo door elkaar heen lopen dat je moeilijkheden hebt bij het bepalen van ijkpunten. Een bijkomende moeilijkheid is het Nederlandse taalgebied zelf: dat heeft de omvang niet mee.

In het debat over de vergrijzing, dat zonder meer langs dezelfde lijnen van wanhoop en heimwee loopt die het denken over de toekomst van het boek bepalen, is er een sterk aanvoelen van eindigheid geslopen: in plaats van welvaart te creëren, gaat de aandacht naar het behoud ervan. Van die welvaart lijkt er slechts een beperkte voorraad te zijn. Je vindt dat reductionistische masochisme ook terug in het debat over de arbeidsmarkt zelf: de lump of labour-theorie. Jarenlang is er getwist over de vraag of arbeid een zero sum game is. Arbeidsduurvermindering zou dan extra banen opleveren; een bewering die intussen vrij algemeen wordt weerlegd. Er is een gelijkenis tussen arbeid en lezen. Met de definitieve introductie van e-readers zal blijken of een toenemend aantal digitale lezers betekent dat er analoge lezers verdwijnen – daar hebben we vandaag geen duidelijk zicht op. Het afgrijselijke scenario is dat de lump of readers-theorie zou kloppen. Zelfs als er slechts een klein deel van de analoge boekenverkoop zouden worden opgeslorpt door een digitale variant, dan zou dit bij vele boekproducties de marges onder druk zetten en het uitgeefprogramma ontwrichten. Maar het risico om hele generaties digitale inboorlingen te laten opgroeien zonder hen in contact te brengen met literaire teksten, op welke drager dan ook, is voor de toekomst van de literatuur een nog veel groter rampscenario. Wie de dimensies van de digitale revolutie kan vatten, weet dat we eigenlijk aan een race tegen de klok zijn begonnen om te voorkomen dat de literatuur een volstrekt marginale keuzemogelijkheid in de entertainmentsupermarkt wordt.

Harold Polis

Mark Dery, Escape velocity. Cyberculture at the end of the century (1996)
Jeff Gomez, Print is dead. Books in our digital age (2008)
Frank Hellemans, ‘De top-50 van de Vlaamse literatuur’. In Knack van 1 april 2008
Andrew Keen, De @-cultuur. Hoe internet onze beschaving ondermijnt (2008)
Christopher Lasch, The Culture of Narcissism (1980)
Digitale bibliotheek Gallica.
Het rapport ‘To Read or Not to Read’ kun je volledig downloaden.

(Dit artikel verscheen eerder in Deus ex Machina van juli 2008.)

zaterdag 2 augustus 2008

Uren met Cyriel Verschaeve

Het was lang zoeken naar een nationalistisch geïnspireerde artistieke duivelaanjager, maar uiteindelijk kan een weldenkend mens niet om Cyriel Verschaeve heen. Priester-dichter Verschaeve heeft in zijn leven bijzonder veel uitgespookt. Naast dichten tegen de sterren op, bewierookte hij religieuze kunst, schreef hij militant proza, beeldhouwde hij en hield hij van katten. Eeuwige roem heeft hij verdiend door zijn combinatie van zelfmoordneigingen, politiek en krukkige metaforen. De afgelopen weken zijn er verrassend veel vermeende nazi’s opgedoken. Maar over Verschaeve kunnen vriend en vijand het eens zijn: hij was een zwarte.

Verschaeves verzameld werk bevat acht dikke delen. Tel daarbij de ruim achttien afleveringen van het jaarboek Verschaeviana en het wordt snel duidelijk dat Verschaeve lezen plaats in beslag neemt. Schrijven was echter niet zijn fort. Dat is ook een van de conclusies van biograaf Romain Vanlandschoot in zijn onovertroffen biografie Kapelaan Verschaeve. Het oeverloze gelul van Verschaeve kent zijn gelijke niet in de Vlaamse literatuur. Om zijn iele talent te verdoezelen, pompte Verschaeve met een blaasbalg zijn zinnen op. Die bombastische woordenkramerij kan bij de ongeoefende lezer de indruk wekken dat Verschaeve ook werkelijk iets vertelt. Verschaeve vertelt echter niet, hij waagt zich niet aan verklaringen en wil de werkelijkheid niet doorgronden. Hij voelt en tracht die emotionele uitbarstingen zo secuur mogelijk op schrift te stellen.

De Dietse utopie

Op jonge leeftijd werd Verschaeve in de Duitse universiteitsstad Jena getroffen door een bekering tot het Germanendom. De Latijnse cultuur probeert zogezegd de feiten te ordenen, lijdt aan redeneerdwang, struikelt over het zoveelste ‘discours de la méthode’. De Germaanse cultuur daarentegen geeft zich aan de werkelijkheid over en voelt. Dat sloot beter aan bij Verschaeves geloof in een op God gebaseerd natuurrecht. Wat God aan de mensen heeft gegeven, is heilig: taal, grond en bloed. Evangelische waarden zijn eerder een vervelende bijkomstigheid in de geloofsbeleving van priester Verschaeve. Een van de grootste dieptepunten in zijn oeuvre is zijn boek Jezus, een omvangrijke vie romancée uit 1939 waarin Verschaeve de apostelen haast te vuur en te zwaard het woord laat verkondigen, en Paulus net niet een Stahlhelm draagt en Heinrich heet. Een wensdroom heet zoiets. De oorlog geeft Verschaeve de kans om zijn Dietse utopie ten volle te beleven. Groot-Nederland liep volgens hem tot aan de Somme. Pater Stracke trok die grens zelfs onder Parijs. Dat waren nog eens tijden.

En dan zijn er de onvermijdelijke dagboeken. In augustus 1944 wordt Verschaeve door de SS ontzet, naar Duitsland gevoerd en als ‘adviseur’ toegevoegd aan de door Jef van de Wiele georchestreerde Vlaamse regering in ballingschap. De terugtocht eindigt in Tirol, nabij Insbruck. Daar schrijft hij over Schiller, Rubens en andere lieflijke thema’s: ‘Ik wenste dat Duitsland in schoonheid zou ondergegaan zijn. Wie in schoonheid sterven mocht, zal zeker herleven.’ Onophoudelijk roept Verschaeve op zich te melden voor het Oostfront en te vechten. ‘Het geweten moet een oordeel kunnen vellen, zoals de soldaat moet kunnen sneuvelen.’ Eind jaren tachtig verscheen de wetenschappelijk verantwoorde editie van de dagboeken in Verschaeviana. De vele pagina’s ongecensureerde en niet eerder gepubliceerde nazistische rotzooi baarden opzien. Ze doen dat nog steeds.

Herstelgerichte dialoog

Intussen is het zover dat het belang van Verschaeve en zijn daden in de ogen van sommigen voor interpretatie vatbaar zijn. De meeste moderne nationalisten willen niets met de erfenis van Verschaeve te maken hebben, laat staan dat ze rooms-katholieke integristen zijn of allemaal een klare kijk hebben op wat er zich in de geschiedenis heeft afgespeeld vóór de Sint-Michielsakkoorden van 1993. Ter voorbereiding van hun grote sprong voorwaarts parafraseren ze met plezier de uitspraak van Ernest Renan over het dagelijkse plebisciet: de natie is een groep mensen die samen grootse dingen wil verwezenlijken. Fluisterend voegen ze er dan die andere uitspraak van Renan aan toe: essentieel voor een natie is ook dat er veel wordt vergeten.

Een aantal symbooldossiers moet voorgoed gesloten worden. De Franse filosoof Jean-Marc Ferry (ULB) voert in dit opzicht een lovenswaardig pleidooi voor een herstelgerichte dialoog tussen Vlamingen en Franstaligen. Maar een figuur als Verschaeve vergeten, dat is wel het laatste wat er moet gebeuren. Zijn in razernij geschreven tirades geven een pijnlijk scherp beeld van een artistieke extremist met een geperverteerd godsbeeld. Verschaeve is een misdadige dwaas geweest, maar ook een van de invloedrijkste Vlaamse schrijvers van de twintigste eeuw. Generaties katholieke nationalisten hebben zich aan zijn haat gelaafd, zijn bloedmythologie beleden en zich gewenteld in de heilige nederlaag die Verschaeve zo dierbaar was. Het kan geen kwaad om heel af en toe wat Verschaeve te lezen en zich ook van die passage in de geschiedenis bewust te zijn.

Harold Polis

(Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van 23 juli 2008.)

'Dode bladeren' verschijnt op 6 oktober

  Op 6 oktober verschijnt bij uitgeverij Tristan   Dode bladeren , een boek waaraan ik de afgelopen jaren heb gewerkt. Op het omslag staat ...