maandag 26 november 2007

Het lied der Vlaamse zonen (Albrecht Rodenbach)




Het beroemdste beest van de Vlaamsnationalistische mythologie is noch leeuw, noch rat, noch de geit Trudy. Het vliegt en luistert naar de naam blauwvoet. Sommigen menen dat het om een Jan van Gent gaat. Anderen spreken van een visarend. Jakob Grimm dacht dat de blauwvoet een vos was, naar analogie met de Reinaertsage. En in Roeselare houdt de bronzen versie van Albrecht Rodenbach een wat groot uitgevallen zeemeeuw vast. De Vlaamse beweging grossiert in blauwvoeten, maar het was Hendrik Conscience die ze zag vliegen.

In het wonderjaar 1875 beleefde het Franstalige Klein Seminarie van Roeselare een fait divers dat een enorme impact op de Vlaamse beweging zou hebben: ‘De Groote Stooringhe’. Enkele Vlaamsgezinde leerlingen vatten het plan op om tijdens een jaarlijkse feestviering geen Franse liedjes te zingen. Rodenbach schreef als provocatie ‘Het lied der dichters’ en ‘Het lied der Vlaamsche zonen’. Nadien drong de jeugdige opstandigheid ook door in andere Vlaamse colleges. De blauwvoeterij was geboren.

‘Ei! het lied der Vlaamsche zonen, // met zijn wilde Noordertonen, // met het oude Vlaamsch Hoezee: // Vliegt de Blauwvoet – storm op zee!’ Toen Albrecht Rodenbach in september 1875 de tekst van ‘De Blauwvoet’ schreef, baseerde hij zich op Consciences De Kerels van Vlaanderen. Historische tafereelen uit de XIIe eeuw (1870). In die roman vertelt Conscience de strijd tussen de Kerels, een zeemansvolk dat zich ook Blauwvoeten noemt, en de Isengrims, een bende indringers. Wijlen Bob de Moor zou het verhaal in 1952 verstrippen voor het weekblad Kuifje. De heldere lijn van De Moor is eloquenter dan het krukkige Vlaams van Conscience. Heldhaftigheid laat zich nu eenmaal beter tekenen dan beschrijven: wapperende haren, glimmende maliënkolders, verbeten gelaatstrekken. De kwintessens van het verhaal is de bereidheid om ertegenaan te gaan: ‘Vliegt de Blauwvoet – storm op zee!’

De jonge Rodenbach kon niet weten dat Conscience zich op zijn beurt had gebaseerd op het zesdelige Histoire de Flandre van Joseph Kervyn de Lettenhove, een befaamde Vlaamsgezinde katholieke historicus en politicus. Kervyn de Lettenhove verwees naar een waargebeurde ruzie in het twaalfde-eeuws Veurne die de families Blauvoet en Ingrekin aan het vechten bracht. De jongensheroïek van Rodenbach had echter geen boodschap aan feiten. August Vermeylen herkende in zijn gedichten ‘een verpersoonlijking van het ruim-menschelijk gevoel’. Rodenbach werd dus wie hij was door zijn Vlaamse roots te belijden. Maar als die roots teruggaan op een interpretatiefout, wie was Rodenbach dan echt?

De grootste flaminganten uit onze geschiedenis waren niet zelden perfect tweetalig. De allergrootste onder hen, Albrecht Rodenbach, bekloeg zich zelfs dat hij sterker was “in het fransch dan in het vlaamsch”. Als symbool zou Rodenbach een hoofdrol krijgen in de Vlaamse beweging. In het echte leven was hij vooral een kind van de woelige negentiende eeuw. Zijn oom Pierre ‘Pedro’ Rodenbach vocht achtereenvolgens met Napoleon tegen de Russen, met Willem van Oranje tegen Napoleon en met ‘Belgische’ vrijwilligers tegen de Hollandse bezetter. Twee andere ooms, Constantin en Alexander, werden in 1830 verkozen als lid van het Nationaal Congres, de eerste wetgevende vergadering van het onafhankelijke België. Met zo’n stamboom hoeft het niet te verbazen dat Rodenbach niet hoog opliep met “de hollansche pedanten [die] onze tale vermooscht hebben”. In Vlaanderen Vlaams nam hij dus letterlijk. Alleen de volkstaal was geschikt om de heropstanding van het Vlaamse volk mogelijk te maken. Bovendien aanvaardde het protestantse Nederland het gezag van de bisschop van Rome niet.

‘Weg de bastaards, weg de lauwaards! // Ons behoort het noorderstrand, // ons, den Kerels, // ons, den Klauwaards. // Leve God en Vlaanderland!’ Tijdens zijn korte leven was Albrecht Rodenbach in elk geval ultrakatholiek en flamingant. Maar ook bijzonder schwärmerig en liberaal – in Rodenbachs teksten is de vrijheid even belangrijk als het roemrijke Vlaamse verleden. In de context van de negentiende eeuw is de consensus tussen al die haast tegenstrijdige houdingen typisch Belgisch. Rodenbachs blauwvoeterij was een strijd voor de Vlaamse taal en tegen de Vlaamsgezinde vrijzinnigheid.

De Belgische bisschoppen ijverden in de tweede helft van de negentiende eeuw voor een staat binnen de staat. Ze gebruikten de Belgische natie om hun macht te beschermen tegen de gevaren van de moderniteit. De gelovigen moesten nu ook weer niet al te slim worden. Het dialect kwam hierbij goed van pas. Het Nederlands dat Willem II tijdens de Nederlandse bezetting had laten onderwijzen, was een vreemde taal. Haast elk Vlaams dorp had een dialect. De volkstaal leek meer op een Babelse spraakverwarring. Katholieke taalparticularisten à la Rodenbach wilden die toestand handhaven, omwille van het pure en edele karakter van de dialecten. Vele Vlamingen kwamen om van de honger, maar hun doodsreutel was ten minste in het koeterwaals.

Er waren ook Vlamingen die hun leven gaven voor de paus. In het Klein Seminarie trad de Rodenbach toe tot het pauselijke zoeavenkorps, een ultrakatholieke paramilitaire organisatie. Tussen 1860 en 1870 hadden zich ruim tienduizend katholieke jongemannen gemeld om de pauselijke bezittingen in Midden-Italië te verdedigen tegen de nationalisten van Garibaldi. Er waren 1634 Belgen bij. De strijd was vergeefs. Hoewel het zoeavenleger na de nederlaag werd ontbonden, bleef het vuur smeulen in katholieke elitescholen. Ook dat was Rodenbach: een jonge zeloot die zich zijn hooggestemde idealen kon permitteren omdat zijn familie tot de gegoede burgerij behoorde. Toen hij in 1876 naar Leuven trok om rechten te studeren, was hij een van de honderdveertig eerstejaars. Zo’n geprivilegieerd man kan zich de luxe van het dialect veroorloven.

Geschiedenisvervalsing is een populair tijdverdrijf bij nationalisten. Ook Rodenbach moest eraan geloven. Romain Vanlandschoot toont in zijn recente biografie van de ‘wonderknape’ welke proporties de Rodenbachcultus heeft aangenomen. Decennialang is Rodenbach opgevoerd als een geniale supervlaming, een dichtende heiland, een medium dat ons in contact zou brengen met het roemrijke verleden. En uiteraard werd ook Rodenbach meegesleurd in de collaboratie. Zo stelde Cyriel Verschaeve in de toespraak ‘Rodenbach’s droom’ uit 1941 diens strijdbaarheid op een lijn met het militaire engagement voor nazi-Duitsland. Dat komt ervan als je te jong sterft. Toen de hyperactieve Rodenbach in juni 1880 door een longontsteking werd geveld, was hij amper vierentwintig. Om het even wie kon hem om het even wat toedichten. Vele generaties Vlamingen hebben dat met overgave gedaan.

Harold Polis

(Het copyright van de afbeelding van het handschrift van Albrecht Rodenbach berust bij het AMVC-Letterenhuis. Deze tekst verscheen eerder in De Morgen.)

Geen opmerkingen: